De Kleine Mote

Westkwartier: bakermat van de beeldenstorm

Van het Westkwartier, langs de Schelde tot Noord-Nederland

Wie meent dat het protestantisme alleen maar in het Noorden van Nederland is voorgekomen, en dus een typisch Hollands verschijnsel is, vergist zich schromelijk: tijdens het grootste gedeelte van de 16e eeuw waren er meer protestanten in het Zuiden (België en Frans-Vlaanderen) dan in het Noorden.

In het Westkwartier is de Beeldenstorm uitgebroken. Van daar is de opstand snel uitgebreid door Vlaanderen en Holland om zich tot in Groningen te manifesteren.

Elk onderzoek naar de godsdienstige en sociale revolte tijdens het «Wonderjaar» moet logischerwijze met het Westkwartier beginnen. Daar werd, misschien meer dan elders, de bevolking zwaar geschokt door de XVII-eeuwse handelskapitalistische « revolutie ». Daar was de calvinistische inplanting bijzonder sterk. Daar treft men radicale, ja zelfs ruige, uit het gewone ambachtsvolk gesproten, predikanten aan, als de hoedenmaker Sebastiaan Matte.

De jaarmarkten in de streek zorgden voor veelvuldig contact met Duitse en Franse handelaars, die zowel het Lutheranisme als het Calvinisme konden verspreiden.

Johannes Calvijn (1509-1564) werd trouwens geboren in Noyon (Picardië) uit een Vlaamse moeder. Het calvinisme is voornamelijk langs Frans-Vlaanderen en de Westhoek de Nederlanden binnengedrongen.

De beeldenstorm wordt opgedeeld in 3 fases:

  • Eerste fase: het Westkwartier (10-18 augustus 1566), met epicentrum Steenvoorde. Plaatselijke autoriteiten durfden bijna nergens in te grijpen. Een enkele keer toonden de groepsleiders vervalste opdrachten, zogenaamd afkomstig van de centrale overheid. Ook werd soms gewag gemaakt van betaling door de organisatoren: daglonen van drie tot zeven stuivers.
  • Tweede fase: de Schelde (20-30augustus 1566) met Antwerpen, Oudenaarde en Gent waar de grootste schade werd aangericht. De aanbidding van het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck werd nog wel op tijd gered. Van hier breidde de beeldenstorm zich naar het noorden uit.
  • Derde fase: Noord- en Oost-Nederland (september/oktober 1566), voornamelijk boven de Nederlandse grote rivieren. De derde fase onderscheidde zich van de andere twee fases doordat deze meer georganiseerd was door de lokale bevolking, versterkt met edelen (in plaats van rondtrekkende bendes). Op 18 september was Groningen aan de beurt.

De repressie in de Westhoek was zeer hard. Bovendien werd de streek nadien, ingevolge jarenlange troepenbewegingen en de terreur van bezettende legers, verwoest, geplunderd en in diverse emigratiegolven ontvolkt. Velen trokken naar het Noorden en hebben er meegeholpen aan het tot stand komen van Hollands Gouden Eeuw. En zo is het Calvinisme in Frans-Vlaanderen, waar de Beeldenstorm begon, zo goed als verdwenen.

Religieuze redenen

Natuurlijk had de Beeldenstorm een religieuze oorzaak: aanhangers van het calvinistisch protestantisme waren erg gekant tegen het vereren van heiligen én ze ergerden zich aan de uitbundige rijkdom binnen de kerkgebouwen en de vele misbruiken in de Katholieke kerk.

Aan het eind van de 14e eeuw kwam de Moderne Devotie op: nadruk op de innerlijke ontwikkeling van het individu, als reactie op de misstanden in de Kerk. De beweging begon in de IJsselstreek, van daaruit verspreidde over de hele wereld van de Hanze, met name in het noorden en oosten van Duitsland.

Moderne devotie (en het Italiaanse humanisme) werd de voedingsbodem voor de Reformatie, die allereerst vaste voet aan de grond kreeg in Duitsland (Saksen).

Die protestantse Reformatie werd ingezet door Maarten Luther, Johannes Calvijn en andere vroege protestanten. Het startpunt wordt traditioneel in 1517 gesitueerd, toen Maarten Luther zijn 95 stellingen openbaar maakte. Dankzij de boekdrukkunst is het daarna snel gegaan met de verspreiding van zijn ideeën.

In 1521 werd Luther in de kerkelijke ban gedaan en vervolgens tijdens de Rijksdag van Worms in de rijksban gedaan.

Maatschappelijke redenen

Kapitalisme en calvinisme

Het calvinistisch-protestantisme moet gezien als belangrijkste emancipatorische uitdrukking van de economisch sterker wordende burgerij die niet langer meer door de Rooms-Katholieke Kerk werd beïnvloed.

Er is een verband tussen het calvinisme en de opkomst van kapitalistische instituties.

De heersende rooms-katholieke opvatting stelde dat vroomheid het best kon worden beoefend door zich uit de wereld terug te trekken in bijvoorbeeld kloosters.

De calvinisten stonden wel in de wereld en maakten van werk een geestelijke roeping: materiële welvaart werd als zegen van God beschouwd. Die toewijding tot werk en het rationele denken zijn net de fundamentele basiselementen van het moderne kapitalisme.

Let wel: de calvinistische ethiek stond kritisch tegenover het vergaren van het bezit als doel op zich; handel en industrie waren alleen onder de nodige voorwaarden toegestaan. De protestantse ethiek moest het echter afleggen tegen de geest van het kapitalisme, de kooplieden vergaten ‘de voorwaarden’ en beperkten zich tot de conclusie dat handel in allerlei vormen toegestaan was.

Het calvinisme verspreidde zich in de verhouding waarmee het kapitalisme in de maatschappij doordrong en volgde dat spoor. De eerste brandpunten waren de streken van de grote nijverheid: Doornik, Valencijn en Rijsel, evenals het textielgebied van Hondschote en Armentières en het Oudenaardse. De havens van Holland en Zeeland volgden en ten slotte de economische hoofdstad van de Nederlanden, Antwerpen.

Het smeulend vuur van het opkomend calvinisme was in eerste instantie nog onder controle gehouden, met de in 1522 opgerichte Inquisitie en de talloze plakkaten die de doodstraf oplegden aan onder andere ketters, drukkers, verkopers en kopers van verboden boeken.

Al in 1523 vonden de eerste ketterverbrandingen in de Nederlanden plaats en werden de augustijner monniken, Jan van Essen en Hendrik Voes, op de Grote Markt van Brussel terechtgesteld. Zij hadden in Antwerpen het woord van Luther verspreid.

Een groot deel van het volk was niet geïnteresseerd in theologische scherpslijperij, maar zag in het calvinisme een mogelijkheid zich te ontworstelen aan het oude gezag. De opkomst van een middenklasse maar vooral de sociale onvrede verklaren de Beeldenstorm.

De sociale ontevredenheid was groot

De Nederlanden kenden in de vijftiende en begin zestiende eeuw een periode van aanzienlijke rijkdom, welvaart en vrede (al moest er veel geld worden bijgedragen voor de oorlogen van Keizer Karel V) maar daar kwam een eind aan.

De lakenhandel had zijn bloeitijd reeds lang achter de rug. Na het wegblijven van de Engelse wol werd nog enigszins overgeschakeld naar de minderwaardige Spaanse wol maar de werkloosheid werd steeds groter.

De groei van de industrie- en handelscentra had tot mistoestanden geleid en grote armoede.

  • Er was woningnood. Arbeiders woonden in hutten van vastgestampte klei met een strodak, jonggezellen trokken bij gezinnen in, bedden werden met velen gedeeld.
  • De industriecentra kenmerkten zich door hogere levensmiddelenprijzen. In 1563 klagen de troepen, die in verband met de eerste ketterse opstandigheid uit hun kleine grensvestingen naar Valenciennes zijn gecommandeerd, dat zij op de dure stadskeien niet uit kunnen komen met hun soldij (die overigens hoger was dan het loon van de textielarbeiders).
  • Kinderarbeid was wijdverspreid, zelfs vier- en vijfjarigen moeten ‘op eerzame wijze’ met spinnen en spoelen hun brood verdienen. In de sajetindustrie van Hondschoote ziet men kinderen van zeven jaar aan het werk, een goedgesitueerde drapenier laat zijn eigen kleinkind van acht jaar de zware balen laken naar de verver sjouwen, ‘om er bijtijds aan te wennen’.
  • Er was grote kindersterfte en de ‘te-vondeling-leggingen’ waren zo talrijk dat de magistraat van Hondschoote een geldelijke beloning uitlooft voor wie de ouders der vondelingen kon aanwijzen.

Het was ook de periode van de Kleine IJstijd. Winters met veel sneeuw en vorst beginnen vaak al in november en duren tot maart of april. De zomers zijn koeler met herfstachtig weer, compleet met storm en stormvloeden.

Het laatste kwart van de zestiende eeuw was het koudste in de afgelopen duizend jaar, het dieptepunt van de Kleine IJstijd. De opbrengst van de landbouw daalt structureel.

Hongersnood had de lichamelijke weerstand van de bevolking verzwakt en dat leidde onvermijdelijk tot verschillende epidemieën, samengevat onder de noemer ‘pest’. Gedurende het hele jaar 1564 woedde de pest in de Nederlanden. Pas in het begin van 1565 verdween zij, naar men geloofde ten gevolge van de bijzonder strenge winter

Die winter van 1564-65 was de koudste van de eeuw. De Schelde vroor zó lang dicht dat er bonte kermisfestiviteiten met schaatswedstrijden en kraampjes op het ijs kwamen maar het gevolg was wel dat alleen de rijken en de speculanten nog graan of brandstof hadden. Mensen en vee kwamen om van de koude.

1566 wordt het hongerjaar: een mislukte oogst en de beperkte invoer van graangewassen door de zevenjarige Oorlog (1563-1570; Denemarken en Noorwegen tegen Zweden met als inzet de heerschappij over het Oostzeegebied en de omvangrijke handel met Rusland): de koning van Denemarken sloot de Sont (verbinding Oostzee met Noordzee) omdat, naar zijn zeggen, Nederlandse schepen oorlogsmateriaal naar de Zweden stuurden.

Kortom: het textiel-proletariaat in het Westkwartier was een lompen-proletariaat geworden. En telkens een oorlog voorbij was, kwam daar een bende afgedankte soldaten bij die ‘gaardend’ door het land trokken: bedelend en rovend.

Niettegenstaande alle mogelijke afschrikwekkende straffen (geselen, afsnijden van oren, afhakken van vingers) namen de bedelarij en het zwerven gestadig toe.

Rondom Hondschoote sloten de slechtst betaalde arbeiders zich aaneen tot formele roversbenden, de kiem van de plunderende troepen beeldenstormers van 1566 en van de bosgeuzen die in 1567-1568 een bloedige terreur uitoefenden.

NB 1: 1566 was ook het jaar van de gekke weesjes in Amsterdam.

NB 2: georganiseerde bedelarij in Parijs, les argotiers.

Start Beeldenstorm: 10 augustus 1566, Steenvoorde.

Feitelijk vonden de eerste opstanden al plaats tijdens de regering van Karel V, waarbij in 1554 al het eerste slachtoffer van de Inquisitie viel in de stad Ieper.

De eerste preek vond plaats op zondag 12 juli 1562 op het kerkhof van Boeschepe. De predikant was Ghelein Damman, die ook nog een broer had, Willem geheten.

Spoedig breidde hun activiteit zich uit over de hele bergstreek : Loker, Reningelst, Westouter, Berten,

Steenvoorde, Dikkebus en de Rode Berg waren onder andere plaatsen waar hagepreken werden gehouden.

De protestantse hageprekers hadden het gemakkelijk de werklozen, bedelaars, ontevredenen en de volksmensen op te ruien tegen de katholieke Spanjaarden.

Op 9 augustus was er al een eerste opstand geweest in Krombeke maar algemeen wordt gesteld dat de Beeldenstorm losbarstte op zaterdag 10 augustus in 1566, in het Noord-Franse Steenvoorde, met de beeldenbraak in de Sint-Laurentiuskapel van het klooster der paters karmelieten door een groep opgezweepte aanhangers van het nieuwe geloof onder leiding van Sebastiaan Matte en Jakob de Buysere.

In vier of vijf dagen tijd werden door gewapende benden meer dan vierhonderd kerken en kloosters verwoest. Het gevolg liet niet lang op zich wachten:  Filips II, verrast en woedend, stuurde zijn veldheer kapitein-generaal Ferdinand Alvarez de Toledo, hertog van Alva y Tormes (1507-1582), met tienduizend Spaanse keursoldaten naar de Nederlanden.

Op 22 augustus 1567 deed Alva zijn intrede in Brussel. Op 11 september werd hij gouverneur-generaal der Nederlanden, na het ontslag van de regentes, Margareta van Parma. Reeds op 5 september richtte hij de Raad der Beroerten op, bij ons beter bekend als „Bloedraad”. Weinigen wachtten de strafmaatregelen af ; tienduizenden edelen en gegoeden vluchtten naar Frankrijk, Duitsland, Nederland of Engeland.

Een belangrijke aanstoker van de beeldenstorm was Jakob de Buysere (De Buzere), een Ieperse augustijnermonnik die uiterlijk in 1560 zijn klooster verliet en zich tot de Hervorming bekende.

Vanwege de geloofsvervolging in de Spaanse Nederlanden scheepte hij eind november 1560 te Nieuwpoort in met bestemming Londen. Door ongunstige weersomstandigheden legde zijn schip onverwacht aan in Duinkerke en diende De Buzere te overnachten in een herberg aan wal.

Twee meereizende geloofsgenoten werden er gevat (en aanhoorden op 18 april 1561 hun doodvonnis) maar De Buzere kon ontkomen naar Londen, waar hij druk zijn geloof verkondigde,  op 24 augustus 1561 trouwde met Catalina de Raedt (of Raedts) en in september verhuisde naar Sandwich, waar koningin Elizabeth I net een Vlaamse vluchtelingenkerk had geautoriseerd. De Buzere behoorde er tot de radicale vleugel van de consistorie, die de inquisitie met geweld wilde bestrijden.

In de roerige zomer van 1566 preekte De Buzere in zijn geboortestreek, onder meer op 28 juli in Abele. Op zaterdag 10 augustus, tijdens de processie voor het feest van Sint Laurentius, was De Buzere met Sebastiaan Matte en een gewapend gevolg (met ondermeer Jan Camerlynck) in Steenvoorde. Na de opzwepende preek van Matte gingen de toehoorders onder leiding van De Buzere over tot beeldenbraak in de Sint-Laurentiuskapel van het gelijknamige klooster.

Dit was het begin van de Beeldenstorm, die zich bliksemsnel over de lage landen zou verspreiden. De volgende twee dagen preekte De Buzere op de markt van Kassel. Op 13 augustus was hij in Belle voor de bestorming en ‘zuivering’ van het Sint-Antoniusklooster. Hij preekte ook te Hazebroek, Hondschote en Mesen, telkens geld inzamelend voor de evangelische militie van Jan Denys.

Na de nederlagen van de calvinistische milities bij Wattrelos en bij Lannoy verliet De Buzere met de andere predikanten het Westkwartier om naar het Antwerpse te trekken. In het voorjaar van 1567 stond hij in betrekking met Hendrik van Brederode om een veldtocht te organiseren, maar dit liep in maart uit op een nieuwe nederlaag bij Oosterweel. Via Amsterdam ging De Buzere weer naar Sandwich, waar hij in juni 1572 stierf. Blijkbaar raakte het bericht van zijn dood niet over het Kanaal, want in 1574 werd hij nog uitgesloten van het Algemeen Pardon.

Gevolgen van de Beeldenstorm

Tachtigjarige oorlog

De Beeldenstorm liep uit op de Tachtigjarige Oorlog oftewel de Nederlandse Opstand (1568–1648), een strijd tussen de Habsburgers en de Orangisten (met de Fransen in steun) die eindigt met de onafhankelijkheid van de 7 verenigde provinciën.

De Spaanse Koning Filips II wilde de orde in de Nederlanden herstellen en zond daarom Fernando Álvarez de Toledo, hertog van Alva, naar de Nederlanden.

Uit protest tegen Alva’s methoden trad landvoogd Margaretha van Parma in 1567 af, waarna Alva werd aangewezen als haar opvolger. Alva voerde zijn drie opdrachten uit: de opstandelingen straffen, het katholieke geloof als enige godsdienst tolereren en centraliseren van het bestuur. Hardhandig. Alva kreeg wegens zijn optreden de bijnaam ‘IJzeren hertog’.

Willem de Zwijger (prins van Oranje en graaf van Nassau-Dillenburg), die via zijn eerste echtgenote Anna van Egmont veel bezittingen had in de Nederlanden, was een vertrouweling van de Spaanse koning Filips die hem trouwens had benoemd tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht.

De stadhouders en de hoge adel hadden onder Karel V al veel van hun macht moeten inleveren ten bate van ambtelijke juristen. De invoering van de Tiende Penning (een belasting) riep heel wat weerstand op bij de bevolking en de politiek inzake religie en centralisatie van het landsbestuur gaf spanning met de adel.

Willem kantte zich steeds meer tegen Filips’ politiek en vluchtte uiteindelijk naar Nassau (een graafschap in het westen van Duitsland) om van daar de opstand te organiseren, met steun van de edelen, de protestanten, heel wat katholieken én de Franse koning. Die opstand mondde uit in de Tachtigjarige Oorlog.

beeldenstorm

Ontvolking van het Westkwartier

De bloeiende Spaanse Nederlanden van 1550 bestonden in 1585 niet meer. De ontreddering was totaal en er heerste armoede alom, behalve dan in het neutrale Prinsbisdom Luik en in Holland en Zeeland dat eerder gespaard bleef van oorlog en waar handel en nijverheid boomden.

Na de verwoestingen door de Beeldenstorm volgde de terreur van de bosgeuzen met afgebrande hoeves, kloosters en kerken. De wraakacties van Alva brachten stad en land nog meer schade toe. Muitende soldaten hielden overal plundertochten. Vanuit Gent waren daarna verwoestende veldtochten tegen de malcontenten gevoerd door al even plunderzieke Staatse benden, waardoor vooral de streek rond Ieper, Veurne en Doornik het hard had te verduren gehad. Daarop waren de troepen van Anjou, bij wie plundering als ingecalculeerd betaalmiddel leek te gelden, de streek nog verder komen stropen. En ten slotte was het de herovering door Farnese, die de Staatsen stad na stad had teruggedrongen, waarmee het platteland beroofd werd van wat er nog restte. De vlucht en verbanning van talloze protestantse middenstanders hadden nijverheid en handel in elkaar doen stuiken en de werkloosheid doen toenemen.

De economische crisis, de hongersnood, de gewelddadige contrareformatie die volgde op de Beeldenstorm, de tachtigjarige oorlog… trof het Westkwartier heel hard en leidde tot een ontvolking van de Westhoek. De helft van de bevolking verdween, ze crepeerde, kwam om in het geweld of vluchtte. Pas in de 18e eeuw kwam het bevolkingsaantal op het niveau van voor 1566.

Het is geen toeval dat vele kolonisten in Nieuw-Amsterdam uit Frans-Vlaanderen kwamen.