De Kleine Mote

Noord-Frankrijk

Noord-Frankrijk

Vlaams karakter

Een deel van Noord-Frankrijk, Frans-Vlaanderen, was eeuwen lang deel van het graafschap Vlaanderen.

Frans-Vlaanderen kan opgedeeld worden in twee streken:

  • de Franse Westhoek waar het Westhoekse West-Vlaams (ook Frans-Vlaams genoemd) werd gesproken: de regio ten oosten van Duinkerke, om zuidelijk af te buigen rond een 90-tal dorpen en gehuchten in de omgeving van de stadjes Sint-Winoksbergen (Bergues), Kassel (Cassel) en Hazebroek (Hazebrouck) tot de Belgische grens net ten zuiden van het stadje Belle (Bailleul).
  • la Flandre romane, waar Frans al de voertaal was toen het nog deel uitmaakte van het graafschap Vlaanderen, met de steden Rijsel, Roubaix, Tourcoing, Armentières en Douai.

In een ruimere zin wordt ook Artesië (met Atrecht of Arras als bestuurscentrum) en Picardië (met Amiens als hoofdstad) soms beschouwd als onderdeel van Frans-Vlaanderen.

Na de slag bij Kassel (1677), de Vrede van Nijmegen (1678) en de Vrede van Utrecht (1713) wordt Frans-Vlaanderen (met onder meer de steden Belle, Condé, Kassel, Sint-Omaars) definitief Frans bezit.

Maar de streek bleef tot het einde van de 19e eeuw ‘Vlaams’ al was de officiële Franse taalpolitiek vanaf de Franse Revolutie gericht op de uitroeiïng van alle minderheidstalen of dialecten. Vooral in de onderwijswetgeving werd het monopolie van het Frans geïnstitutionaliseerd. Maar tot aan de Eerste Wereldoorlog werd in veel dorpen – ondanks dit verbod – toch nog catechismusonderwijs in het Vlaams gegeven.

Nu implodeert de oude Germaans-Romaanse taalgrens: de laatste generatie Vlaamssprekenden sterft uit, het Frans-Vlaams is vrijwel volledig verdwenen als gevolg van de Franse assimilatiepolitiek. Al is er nog enig ‘verzet’: in Belle vindt men ‘Het huis van het Nederlands’, een ‘centrum voor de verspreiding van de Nederlandse taal in Frans-Vlaanderen’.

Sinds enkele jaren wordt het Nederlands opnieuw (facultatief) onderwezen, zowel in basisscholen als in het middelbaar onderwijs en op universiteiten. Het kan op het eerste gezicht gek klinken, maar momenteel zijn er in Frans-Vlaanderen meer mensen die aan een universiteit Nederlands studeren dan Nederlanders die een universitaire opleiding Frans volgen.

De regio straalt wel nog altijd een Vlaams karakter uit. Zowat in elke stad zijn nog sporen terug te vinden van de Vlaamse architectuur die zo kenmerkend was voor de vroeger rijkdom van de streek: begijnhoven, kerken, kathedralen en belforten, symbool van de vroegere macht en rijkdom van de steden. Terwijl in Vlaanderen heel wat windmolens verdwenen zijn, heeft men hier deze ‘stille wachters’ uit een ver verleden grotendeels weten te behouden. Eén van de oudste molens van Europa, de ‘Noordmeulen’ (1127), staat in Hondschoote.

Frans-Vlaanderen: drie landschapsentiteiten

  • Eerst is er de kuststreek, meestal aangeduid met de term ‘Blootland’, waarachter een beschermende duinengordel laagland ligt beneden het zeepeil, de zogenaamde ‘Moeren’, die niets anders zijn dan een voortzetting van deze in onze Westhoek. Het was de Antwerpse architect en ingenieur Wenceslas Cobergher (1557-1634) die begin zeventiende eeuw de nodige plannen ontwikkelde om dit vroegere moerasland droog te leggen en zo voor de inpoldering te zorgen.
  • Een tweede kenmerkend landschapstype is het ‘Houtland’, een zandleemstreek die zich uitstrekt van Watten over St-Omer tot Nieppe. Het is een relatief gesloten gebied met hagen en talrijke boomsoorten zoals populieren, wilgen en olmen. Ook hier een overeenkomst met onze gewesten: namelijk door de zogenaamde “Monts de Flandres”, die echter niets anders zijn dan ijzerzandstenen getuigenheuvels die onder invloed van de transgressies en regressies van de zee zo’n veertien miljoen jaar geleden ontstonden tijdens het laat-Mioceen en die we ook in onze eigen Vlaamse contreien terugvinden. In deze streek worden ook nu nog, net zoals in de Westhoek, vooral graangewassen, hop, tabak en chicorei geteeld.
  • En dan is er het derde type landschap, voornamelijk te situeren rond de steden Valenciennes, Béthune en Douai, een gebied dat ook wel eens het ‘pays noir’ of het zwarte land wordt genoemd. Hier werd vroeger immers intensief aan steenkoolwinning gedaan en vinden we eveneens sporen terug van dakpannen- en baksteenfabrieken samen met textiel-, metaal- en papierindustrieën. Het zijn deze voormalige nijverheden die er voor zorgden dat nu net hier de bevolkingsdichtheid nog steeds tot drie maal hoger ligt dan het gemiddelde van Frankrijk.

Geschiedenis van Frans-Vlaanderen

Strikt genomen slaat Frans-Vlaanderen alleen op dat deel van het voormalige graafschap Vlaanderen dat in de 17de eeuw door Lodewijk XIV (1638-1715) werd veroverd op de Nederlanden. Frankrijk annexeerde toen niet alleen delen van Vlaanderen.

Lodewijk XIV trachtte met alle mogelijke middelen de Franse grenzen te verleggen naar gemakkelijk te verdedigen posities. Ten noorden van Frankrijk vormde Vlaanderen met zijn gebrek aan natuurlijke hindernissen een makkelijk te veroveren grensgebied dat dan versterkt werd met de voor die tijd typische Vauban fortificaties.

De Spaanse Nederlanden boden weerwerk: Willem III van Oranje (1650-1702) marcheerde met een strijdmacht van 32.000 krijgslieden in 1677 vanuit Ieper via Poperinge op naar de Kasselvallei. “De slag bij de Penebeek” draaide echter uit op een Franse overwinning waardoor een gedeelte van Vlaanderen aan Frankrijk werd gehecht. Later werd ook Kamerrijk, het huidige Cambrai, nog veroverd en ook Sint-Omaars, nu St-Omer, werden samen met de steden Ieper en Menen ingelijfd.

Uiteindelijk draaide de hele oorlogsvoering uit op de ‘Vrede van Nijmegen’ (1678), later in 1713 nog eens bekrachtigd met de ‘Vrede van Utrecht’, waarbij Spanje en de Republiek der Nederlanden er zich definitief bij neerlegden dat Frankrijk het westelijk deel van het voormalig graafschap Vlaanderen annexeerde. De Fransen moesten zich als gevolg van het vredesverdrag wel terugtrekken uit de meer oostelijke steden zoals Ieper en Menen die eigenlijk daardoor nog steeds tot het huidige België behoren.

Later werden nog enkele kleinere grenscorrecties uitgevoerd, maar deze waren nauwelijks van enige betekenis. In elk geval resulteerde de machtshonger van Lodewijk XIV erin dat een groot deel van Vlaanderen sindsdien onder Frans gezag kwam te staan.

Bakermat van de beeldenstorm

Wie meent dat het protestantisme alleen maar in het Noorden van Nederland is voorgekomen, en dus een typisch Hollands verschijnsel is, vergist zich schromelijk: tijdens het grootste gedeelte van de 16e eeuw waren er meer protestanten in het Zuiden (België en Frans-Vlaanderen) dan in het Noorden.

De jaarmarkten in de streek zorgden voor veelvuldig contact met met Duitse en Franse handelaars, die zowel het Lutheranisme als het Calvinisme konden verspreiden.

Johannes Calvijn (1509-1564) werd trouwens geboren in Noyon (Picardië) uit een Vlaamse moeder. Het calvinisme is voornamelijk langs Frans-Vlaanderen en de Westhoek de Nederlanden binnengedrongen.

De zo ‘Hollands’ lijkende Beeldenstorm is begonnen in Frans-Vlaanderen en heeft zich van daar snel uitgebreid door Vlaanderen en Holland om zich tot in Friesland te manifesteren.

De repressie in de Westhoek was zeer hard; bovendien werd de streek nadien, ingevolge jarenlange troepenbewegingen en de terreur van bezettende legers, verwoest, geplunderd en in diverse emigratiegolven ontvolkt. Velen trokken naar het Noorden en hebben er meegeholpen aan het tot stand komen van Hollands Gouden Eeuw. En zo is het Calvinisme in Frans-Vlaanderen, waar de Beeldenstorm begon, zo goed als verdwenen.

Kapitalisme en Calvinisme

Het calvinistisch-protestantisme moet gezien als belangrijkste emancipatorische uitdrukking van de economisch sterker wordende burgerij die niet langer meer door de Rooms-Katholieke Kerk werd beïnvloed.

In de jaren 1550-1560 is het Calvinisme zich in de sterk bevolkte en ambachtelijke-industriële centra gaan ontwikkelen. Er is een verband tussen het calvinisme en de opkomst van kapitalistische instituties.

De heersende rooms-katholieke opvatting stelde dat vroomheid het best kon worden beoefend door zich uit de wereld terug te trekken in bijvoorbeeld kloosters. De calvinisten stonden wel in de wereld en maakten  van werk een geestelijke roeping: materiële welvaart werd als zegen van God beschouwd. Zo stond het calvinisme toe om rente over leningen te vragen en in opstand te komen tegen de hogere overheid. Die toewijding tot werk en het rationele denken zijn net de fundamentele basiselementen van het moderne kapitalisme.

Let wel: de calvinistische ethiek stond kritisch tegenover het vergaren van het bezit als doel op zich; handel en industrie waren alleen onder de nodige voorwaarden toegestaan. De protestantse ethiek moest het echter afleggen tegen de geest van het kapitalisme, de kooplieden vergaten ‘de voorwaarden’ en beperkten zich tot de conclusie dat handel in allerlei vormen toegestaan was.

Het calvinisme verspreidde zich in de verhouding waarmee het kapitalisme in de maatschappij doordrong en volgde dat spoor. De eerste brandpunten waren de streken van de grote nijverheid: Doornik, Valencijn en Rijsel, evenals het textielgebied van Hondschote en Armentières en het Oudenaardse. De havens van Holland en Zeeland volgden en ten slotte de economische hoofdstad van de Nederlanden, Antwerpen.

Het smeulend vuur van het opkomend calvinisme was in eerste instantie nog onder controle gehouden, met de in 1522 opgerichte Inquisitie en de talloze plakkaten die de doodstraf oplegden aan onder andere ketters, drukkers, verkopers en kopers van verboden boeken.

Religieuze redenen

Natuurlijk had de Beeldenstorm een religieuze oorzaak: aanhangers van het calvinistisch protestantisme waren erg gekant tegen het vereren van heiligen én ze ergerden zich aan de uitbundige rijkdom binnen de kerkgebouwen.

Maatschappelijke redenen

Een groot deel van het volk was niet geïnteresseerd in theologische scherpslijperij, maar zag in het calvinisme een mogelijkheid zich te ontworstelen aan het oude gezag. De opkomst van een middenklasse maar vooral de sociale onvrede verklaren de Beeldenstorm.

De sociale ontevredenheid was groot

De Nederlanden kenden in de vijftiende en begin zestiende eeuw een periode van aanzienlijke rijkdom, welvaart en vrede (al moest er veel geld worden bijgedragen voor de oorlogen van Keizer Karel V) maar daar kwam een eind aan.

De lakenhandel had zijn bloeitijd reeds lang achter de rug, na het wegblijven van de Engelse wol werd nog enigszins overgeschakeld naar de minderwaardige Spaanse wol maar de werkloosheid werd steeds groter.

De groei van de industrie- en handelscentra had tot mistoestanden geleid en grote armoede.

  • Er was woningnood. Arbeiders woonden in hutten van vastgestampte klei met een strodak, jonggezellen trokken bij gezinnen in, bedden werden met velen gedeeld.
  • De industriecentra kenmerkten zich ook hogere levensmiddelenprijzen. In 1563 klagen de troepen, die in verband met de eerste ketterse opstandigheid uit hun kleine grensvestingen naar Valenciennes zijn gecommandeerd, dat zij op de dure stadskeien niet uit kunnen komen met hun soldij, die overigens hoger was dan het loon van de textielarbeiders. Het was ook de periode van de zogenoemde kleine ijstijd, een relatief koude periode met zware winters en koele zomers, niet echt bevorderlijk voor de landbouw.
  • Kinderarbeid was wijdverspreid, zelfs vier- en vijfjarigen moeten ‘op eerzame wijze’ met spinnen en spoelen hun brood verdienen. In de sajetindustrie van Hondschoote ziet men kinderen van zeven jaar aan het werk, een goedgesitueerde drapenier laat zijn eigen kleinkind van acht jaar de zware balen laken naar de verver sjouwen, ‘om er bijtijds aan te wennen’.
  • Er was grote kindersterfte en de ‘te-vondeling-leggingen’ waren zo talrijk dat de magistraat van Hondschoote een geldelijke beloning uitlooft voor wie de ouders der vondelingen kon aanwijzen.

Midden 16de eeuw wordt de textielsector door een zware crisis getroffen door belemmeringen bij de grondstoffentoevoer, stagnatie van de afzet of langdurige winterkoude. Kortom: het textiel-proletariaat in het Westkwartier was werkloos en wordt lompen-proletariaat.

Dat proletariaat wordt aangevuld met afgedankte soldaten, telkens een oorlog voorbij was. Deze afgedankte soldaten trokken ‘gaardend’ door het land: bedelend en rovend. Niettegenstaande alle mogelijke afschrikwekkende straffen, geselen, afsnijden van oren, afhakken van vingers, namen de bedelarij en het zwerven gestadig toe.

Rondom Hondschoote sloten de slechtst betaalde arbeiders zich aaneen tot formele roversbenden, de kiem van de plunderende troepen beeldenstormers van 1566 en van de bosgeuzen die in 1567-1568 een bloedige terreur uitoefenenden.

Hongersnood en pest

Overal in West- en Midden-Europa wordt het in de tweede helft van de 16e eeuw kouder. De winters worden gekenmerkt door meer sneeuw en ijs, beginnen vaak al in november en duren tot maart of april. De zomers zijn koeler met herfstachtig weer, compleet met storm en stormvloeden. Het laatste kwart van de zestiende eeuw was het koudste in de afgelopen duizend jaar, het dieptepunt van de Kleine IJstijd. Pas vanaf het tweede kwart van de 17e eeuw trad een herstel op en werd het zelfs relatief zacht.

De winter van 1564-65 was de koudste van de eeuw, gevolgd door mislukte oogsten. Bovendien woedde vanaf 1563 de zevenjarige Oorlog van 1563 (strijd tussen Denemarken, Noorwegen en Zweden voor de heerschappij in het Oostzeegebied en de omvangrijke handel met Rusland). Dat conflict verminderde de invoer van graangewassen. 1566 was dan ook het hongerjaar genoemd.

Verschillende epidemieën, samengevat onder de noemer ‘pest’, waren het onvermijdelijke gevolg van de verzwakte lichamelijke weerstandskracht van de bevolking.

Start van de Beeldenstorm,  10 augustus 1566, Steenvoorde.

Feitelijk vonden de eerste opstanden al plaats tijdens de regering van Karel V, waarbij in 1554 al het eerste slachtoffer van de Inquisitie viel in de stad Ieper.

De eerste preek vond plaats op zondag 12 juli 1562 op het kerkhof van Boeschepe. De predikant was Ghelein Damman, die ook nog een broer had, Willem geheten.

Spoedig breidde hun activiteit zich uit over de hele bergstreek : Loker, Reningelst, Westouter, Berten,

Steenvoorde, Dikkebus en de Rode Berg waren onder andere plaatsen waar hagepreken werden gehouden.

De protestantse hageprekers hadden het gemakkelijk de werklozen, bedelaars, ontevredenen en de volksmensen op te ruien tegen de katholieke Spanjaarden.

Op 9 augustus was er al een eerste opstand geweest in Krombeke maar algemeen wordt gesteld dat de Beeldenstorm losbarstte op zaterdag 10 augustus in 1566, in het Noord-Franse Steenvoorde, met de beeldenbraak in de Sint-Laurentiuskapel van het klooster der paters karmelieten door een groep opgezweepte aanhangers van het nieuwe geloof onder leiding van Sebastiaan Matte en Jakob de Buysere.

In vier of vijf dagen tijd werden door gewapende benden meer dan vierhonderd kerken en kloosters verwoest. Het gevolg liet niet lang op zich wachten:  Filips II, verrast en woedend, stuurde zijn veldheer kapitein-generaal Ferdinand Alvarez de Toledo, hertog van Alva y Tormes (1507-1582), met tienduizend Spaanse keursoldaten naar de Nederlanden.

Op 22 augustus 1567 deed Alva zijn intrede in Brussel. Op 11 september werd hij gouverneur-generaal der Nederlanden, na het ontslag van de regentes, Margareta van Parma. Reeds op 5 september richtte hij de Raad der Beroerten op, bij ons beter bekend als „Bloedraad”. Weinigen wachtten de strafmaatregelen af ; tienduizenden edelen en gegoeden vluchtten naar Frankrijk, Duitsland, Nederland of Engeland.

Een belangrijke aanstoker was Jakob de Buysere (De Buzere), een Ieperse augustijnermonnik die uiterlijk in 1560 zijn klooster verliet en zich tot de Hervorming bekende.

Vanwege de geloofsvervolging in de Spaanse Nederlanden scheepte hij eind november 1560 te Nieuwpoort in met bestemming Londen. Door ongunstige weersomstandigheden legde zijn schip onverwacht aan in Duinkerke en diende De Buzere te overnachten in een herberg aan wal.

Twee meereizende geloofsgenoten werden er gevat (en aanhoorden op 18 april 1561 hun doodvonnis) maar De Buzere kon ontkomen naar Londen, waar hij druk zijn geloof verkondigde,  op 24 augustus 1561 trouwde met Catalina de Raedt (of Raedts) en in september verhuisde naar Sandwich, waar koningin Elizabeth I net een Vlaamse vluchtelingenkerk had geautoriseerd. De Buzere behoorde er tot de radicale vleugel van de consistorie, die de inquisitie met geweld wilde bestrijden.

In de roerige zomer van 1566 preekte De Buzere in zijn geboortestreek, onder meer op 28 juli in Abele. Op zaterdag 10 augustus, tijdens de processie voor het feest van Sint Laurentius, was De Buzere met Sebastiaan Matte en een gewapend gevolg (met ondermeer Jan Camerlynck) in Steenvoorde. Na de opzwepende preek van Matte gingen de toehoorders onder leiding van De Buzere over tot beeldenbraak in de Sint-Laurentiuskapel van het gelijknamige klooster.

Dit was het begin van de Beeldenstorm, die zich bliksemsnel over de lage landen zou verspreiden. De volgende twee dagen preekte De Buzere op de markt van Kassel. Op 13 augustus was hij in Belle voor de bestorming en ‘zuivering’ van het Sint-Antoniusklooster. Hij preekte ook te Hazebroek, Hondschote en Mesen, telkens geld inzamelend voor de evangelische militie van Jan Denys.

Na de nederlagen van de calvinistische milities bij Wattrelos en bij Lannoy verliet De Buzere met de andere predikanten het Westkwartier om naar het Antwerpse te trekken. In het voorjaar van 1567 stond hij in betrekking met Hendrik van Brederode om een veldtocht te organiseren, maar dit liep in maart uit op een nieuwe nederlaag bij Oosterweel. Via Amsterdam ging De Buzere weer naar Sandwich, waar hij in juni 1572 stierf. Blijkbaar raakte het bericht van zijn dood niet over het Kanaal, want in 1574 werd hij nog uitgesloten van het Algemeen Pardon.

Geschiedenis van het Graafschap Artesië (Artois)

De streek rond Atrecht (Frans: Arras) had in het noorden met het graafschap Vlaanderen een machtige buur die de geschiedenis van Artesië sterk heeft beïnvloed.

Al in 932 werd de streek veroverd door graaf Arnulf I van Vlaanderen en bij Vlaanderen ingelijfd, tot 1191 toen Filips van de Elzas overleed en graaf Boudewijn de Moedige de rechten op Atrecht, Lens en St-Omaars afstond aan de Franse koning (om, in ruil, erkend te worden als graaf). Hoe kwam dat?

Filips II August, koning der Franken, koning van Frankrijk

Toen de Franse koning Lodewijk (eigenlijk ‘koning der Franken’, vorst van het kroondomein Île-de-France en, onder meer, leenheer van de graaf van Vlaanderen) in 1179 overleed, werd Filips van de Elzas, graaf van Vlaanderen, benoemd tot begeleider en voornaamste raadgever van de jonge Franse kroonprins Filips. Bij diens kroning als Filips II in Reims droeg Filips van de Elzas het rijkszwaard en tijdens het feestmaal verscheen hij als seneschalk (de plaatsvervanger van de koning) aan tafel.

Filips van de Elzas was op dat ogenblik dan ook de machtigste edelman: door zijn huwelijk met Elisabeth van Vermandois had hij het graafschap Vermandois en de afhankelijkheden Amiens en Valois toegevoegd aan het graafschap Vlaanderen waardoor zijn machtsgebied nu paalde aan het Franse kroondomein. Bovendien had hij zijn nicht Isabella (dochter van zijn zus die gehuwd was met de graaf van Henegouwen, Boudewijn V) uitgehuwelijkt aan de Franse koning Filips II (zijn petekind), met als huwelijksgift het zuidelijk deel van Vlaanderen (onder meer het latere graafschap Artesië).

De 15 jarige koning Filips II huwde in 1180 inderdaad de 10 jarige Isabella maar die huwelijkspolitiek bleek een misrekening: koning Filips ging toch zijn eigen politiek voeren en de versterkte familieband belette niet dat de machtsstrijd tussen de graaf van Vlaanderen en de Franse koning al snel opnieuw oplaaide.

Het huwelijk zelf was ook niet onverdeeld gelukkig. Toen er na vier jaar huwelijk nog steeds geen Franse troonopvolger was, maakte de koning in 1184 zijn voornemen bekend om het huwelijk met Isabella te laten nietig verklaren, onder het voorwendsel dat het huwelijk niet was geconsumeerd en dat de katholieke kerk het huwelijk eigenlijk verbood wegens een te nauwe bloedverwantschap. Isabella reageerde hierop door in het openbaar ostentatief de rol van verongelijkte onschuld te spelen. Ze verscheen overal in boetekleren en won het medelijden van het volk, zodat haar echtgenoot uiteindelijk moest afzien van zijn voornemen. Een nietigverklaring zou trouwens het verlies van de bruidsschat Artesië impliceren.

In 1187 beviel Isabella dan toch van een zoon; de toekomstige Lodewijk VIII. In 1190 stierf ze, twintig jaar oud, in het kraambed; de tweeling die zij ter wereld bracht overleefde haar niet. Haar echtgenoot was niet aanwezig op de uitvaartplechtigheid, hij was met de Engelse koning Richard Leeuwenhart (zijn grootste rivaal) in diens domein Normandië ter voorbereiding van hun gemeenschappelijke kruistocht.

In 1183 stierf Elisabeth van Vermandois, gravin van Vlaanderen, kinderloos. Er ontstond een conflict over haar nalatenschap tussen Eleonora van Vermandois (haar zus, gesteund door de Franse koning) en Filips van de Elzas (haar man). Na wat wapengekletter moest het Verdrag van Boves (1185) een einde maken aan dit conflict: Filips van de Elzas moest het graafschap Valois en een groot deel van het graafschap Vermandois afstaan aan Eleonora van Vermandois en het graafschap Amiens aan de Franse koning. Bovendien werd bevestigd dat het graafschap Artesië (de bruidsschat) definitief toeviel aan de Franse kroon.

Toen Filips van de Elzas in 1191 overleed (tijdens het beleg van de stad Akko, op kruistocht samen met de Franse koning en Richard Leeuwenhart) keerde Filips August onmiddellijk terug om de delicate erfopvolging in Vlaanderen te regelen: Filips van de Elzas was immers ook in zijn tweede huwelijk kinderloos en er waren meerdere pretendenten. De Franse koning had zelf ook grote persoonlijke belangen.

De vrede van Atrecht (1191) regelde de kwestie: Mathildis van Portugal, weduwe van Filips van de Elzas, ontving een jaargeld; Boudewijn V, graaf van Henegouwen (schoonbroer van Filips van de Elzas en schoonvader van de Franse koning) werd erkend als graaf van Vlaanderen (en betaalde 5000 marc aan zilver); het graafschap Valois en Vermandois ging naar Eleonora van Vermandois (in weerwil van het verdrag van Boves had Filips van de Elzas het graafschap Vermandois behouden tot aan zijn dood) maar wel om bij haar overlijden toe te komen aan de Franse koning en de Franse koning ontving in naam van Lodewijk (de vierjarige zoon van Isabella en de Franse koning) het graafschap Artesië en Péronne.

Het kroondomein werd hierdoor in het noorden serieus versterkt want koning Filips II August van Frankrijk kreeg de rechten op  Atrecht (Arras), Lens, Sint-Omaars, Boulogne en Béthune. Robert IV van Béthune werd immers rechtstreeks vazal van de Franse koning maar blijft vazal van de graaf van Vlaanderen voor Warneton. Omwille van deze uitbreiding van het kroondomein Ile-de-France kreeg Filips II van zijn chroniqueur, de monnik Rigord, de bijnaam “Augustus”, verwijzend naar de Romeinse keizers, de grote hersteller van de koninklijke macht. Filips Augustus is de eerste koning die in documenten, sporadisch vanaf 1190, officieel vanaf 1204, Rex Franciæ (“koning van Frankrijk”) in plaats van Rex Francorum (“koning der Franken”) gebruikt.

Ook de vrede van Atrecht betekende niet dat het nu peis en vrede was tussen de koning en de graaf van Vlaanderen. Boudewijn de Moedige (als graaf van Vlaanderen Boudewijn IX, als graaf van Henegouwen Boudewijn V en als eerste keizer van Constantinopel Boudewijn I) belegerde Béthune in 1197 maar de burgerij verdedigde hun stad met succes. En toch zag Koning Filips August II zich verplicht tot onderhandelingen met de opstandige vazal want Boudewijn dreigde een alliantie te sluiten met de Engelse koning en de paus dreigde met een interdict over het hele koninkrijk.

De vredesonderhandelingen leidden in januari 1200 tot de Vrede van Péronne. Béthune werd teruggegeven aan Vlaanderen en Filips II behield de gebieden in het noorden en een deel van Artesië: Arras (Atrecht), Bapaume (Batpalmen), Hesdin (Heusdin of Heusden) en Lens (het verdrag bepaalde ook dat Filips I van Namen, de broer van de graaf van Vlaanderen, vrijkwam nadat hij het jaar ervoor door de Fransen was gevangen genomen).

In 1205 verdwijnt Boudewijn, graaf van Vlaanderen, onder geheimzinnige omstandigheden als hij als keizer van Constantinopel een veldtocht tegen de Bulgaren onderneemt. Filips August ziet zijn kans: Boudewijns oudste dochter Johanna (toen nog geen 10 jaar oud) en erfgename wordt naar Parijs overgebracht (om haar te beschermen tegen anti-Franse invloeden) en aan de Portugese prins Ferrand gekoppeld, een gemakkelijk te manipuleren graaf van Vlaanderen.

Johanna en Ferrand traden in januari 1212 te Parijs in het huwelijk en trekken naar het graafschap Vlaanderen om er het bestuur over te nemen. Onderweg worden ze door de Franse kroonprins Lodewijk gevangen genomen in Péronne, Lodewijk neemt ook de steden Sint-Omaars (Saint-Omer) en Ariën (Aire-sur-la-Lys) in. Filips II August eist, in ruil voor hun vrijlating, dat ze het verdrag van Pont-à-Vendin (1212) tekenen waarmee ze de twee veroverde steden aan Frankrijk afstonden.

Ferrand blijft dit aanvechten. Het conflict eindigt uiteindelijk in het nadeel van Vlaanderen met de Slag bij Bouvines en het verdrag van Parijs (1214). Voor het eerst is Frankrijk machtiger dan Vlaanderen.

Wat Béthune betreft: in 1245 huwt Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen met Mathilde (Mahaut), dochter van Robert VII van Bethune. Laatstgenoemde erft in 1248 de gebieden Béthune, Dendermonde, Richebourg, Warneton. Die gaan later over op hun oudste zoon, Robrecht III van Bethune. En zo strijdt Béthune tijdens de Guldensporenslag (1302) aan de zijde van het graafschap Vlaanderen.

De regio rond Atrecht behoort nu toe aan de Franse koning en wordt in 1223 een deel van het Franse kroondomein. In 1226 verdwijnt het weer uit het kroondomein, als koning Lodewijk VIII het bij testament nalaat aan zijn tweede zoon Robert als apanage. In 1237 wordt het omgevormd tot het graafschap Artesië met Robert (sindsdien Robert I van Artesië) als graaf.

Lodewijk van Male en Bourgondische periode (1382 tot 1482).

Door een reeks van huwelijken en erfenissen kwam Artesië in 1382 terug toe aan Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen. Artesië ging (samen met het graafschap Vlaanderen) over op Lodewijks dochter Margaretha van Male, die in 1369 met Filips de Stoute, hertog van Bourgondië, in het huwelijk was getreden. Vanaf dat moment deelt Artesië de geschiedenis van de Nederlanden, zowel in de Bourgondische als de Spaanse periode, als één van de Zeventien Provinciën. Een bewogen geschiedenis.

De Bourgondische periode begint bij het overlijden van Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen, in 1384. Zijn enige dochter en erfgename, Margaretha van Male (in eigen naam gravin van Bourgondië, Vlaanderen, Nevers, Rethel en Artesië en hertogin van Brabant en Limburg) huwde in 1369 met Filips de Stoute, hertog van Bourgondië en broer van de Franse koning.

Het Bourgondische rijk kwam in crisis door de plotse dood van Karel de Stoute in 1477 bij Nancy. Maria van Bourgondië moest op bijna 20-jarige leeftijd, als enig kind, na het onverwachte overlijden van haar vader, het bewind in zijn erflanden overnemen.

De Franse koning Lodewijk XI trachtte alle Bourgondische lenen onder de Franse kroon in te palmen: zijn legers bezetten het kernland van Bourgondië, Franche-Comté en Charolais, en rukten op in Picardië en Artesië. De Somme-steden openden de poorten voor het oprukkend leger, Artesië bood hardnekkige weerstand en bleef een twistappel.

Maximiliaan van Oostenrijk (een Habsburger met wie Maria van Bourgondië in 1477 huwde om de Franse koning te kunnen weerstaan) bekampte de Franse koning tot in 1493 toen de Vrede van Senlis eindelijk een einde bracht aan de onenigheid: Artesië kwam weer onder Habsburgs-Bourgondisch bewind maar de Franse koning bleef de leenheer.

Filips de Schone maakte nog geruime tijd aanspraak op het hertogdom Bourgondië maar uiteindelijk deed in 1498 afstand (Verdrag van Parijs); Bourgondië zelf bleef in naam nog voortbestaan maar werd gereduceerd tot de oude Franse provincie.

De Bourgondische periode eindigt dus bij het overlijden van Maria van Bourgondië in 1482, als ze wordt opgevolgd door haar zoon Filips de Schone. Dan begint de Habsburgse periode: de Lage Landen worden nu geregeerd door vorsten uit het huis Habsburg, tot 1581 voor de Noordelijke Nederlanden en tot 1795 voor de Zuidelijke.

Filips de Schone & Karel V (1482 tot 1556).

Het leenheerschap van de Franse koning zat de Habsburgers niet lekker. Na de vroegtijdige dood van Filips de Schone (zoon van Maria van Bourgondië en Maximiliaan van Oostenrijk) werd zijn zuster Margaretha van Oostenrijk voogdes voor de jonge Karel V. Zij trachtte te voorkomen dat Karel zijn knie moest buigen voor de Franse koning: als vazal moest Karel, zelf later keizer van het Heilige Roomse Rijk, immers een eed van trouw zweren aan de Franse koning om die bij te staan in de strijd tegen… zichzelf. Er ontstond opnieuw een conflict tussen de Franse koning en de Habsburgers.

Pas in 1526 ontsloeg de Franse koning eindelijk Karel V van de verplichting tot leenhulde voor Artesië en Vlaanderen. Hoewel pas in 1559 de grens tussen Frankrijk en het keizerrijk – voornamelijk op papier – werd verlegd, werd Artesië omgevormd tot een provincie van de Habsburgse Nederlanden en kreeg het nieuwe structuren zoals de Staten van Artesië, de Raad van Artesië en een nieuw belastingsysteem.

Spaanse periode (vanaf 1556).

De Spaanse periode werd getekend door de Tachtigjarige oorlog (1568-1648).

De Beeldenstorm liep uit op een lange strijd tussen de Habsburgers en de Orangisten (met de Fransen in steun) die eindigt met de onafhankelijkheid van de 7 verenigde provinciën.

Artesië speelde een belangrijke rol in de Tachtigjarige Oorlog: samen met Henegouwen nam Artesië het initiatief tot de zuidelijke Unie van Atrecht (1579) hoewel de Vlaamse en Brabantse steden de kant van de noordelijke Unie van Utrecht kozen. De scheuring van de Nederlanden was begonnen, met een noordelijk deel dat streefde naar onafhankelijkheid van de Spaanse koning en een zuidelijk deel dat bij het Spaanse rijk wilde blijven.

Artesië bleef tijdens de Tachtigjarige Oorlog lang in Spaanse handen maar werd aan het eind op het Leger van Vlaanderen (de “Spanjaarden”) veroverd door de Fransen, die hierbij vanwege de anti-Spaanse sympathieën in de provincie weinig weerstand ondervonden.

Bij de Vrede van de Pyreneeën (bestand tussen koning van Spanje en koning van Frankrijk om een einde te maken aan de conflicten die voortvloeiden uit de Dertigjarige Oorlog) in 1659 werd Artesië definitief aan Frankrijk toegewezen. De provinciale structuren uit de Habsburgse tijd bleven behouden en werden bevestigd door Lodewijk XIV, wat Artesië een relatief gunstige situatie binnen het Franse koninkrijk opleverde.

De provincie Artesië werd aan het einde van de 18e eeuw opgeheven bij de administratieve hervormingen ten tijde van de Franse Revolutie en ging op in het departement Pas-de-Calais.

Geschiedenis van het bisdom Terwaan

Het bisdom Terwaan was tot 1559 één van de rijkste en meest uitgestrekte van heel West-Europa.

De stad Thérouanne was eeuwenlang een twistappel tussen de Franse koningen en hun vazallen de graven van Vlaanderen, die vanaf de 9e eeuw gewapenderhand hun gebied naar het zuiden uitbreidden, waardoor ook Terwaan tot hun graafschap ging behoren.

Die grensoorlogen cumuleerden in 1553 tot de volledige vernietiging van Terwaan. De troepen van Karel V namen de stad in en de keizer zon op wraak na zijn mislukte beleg van Metz. Op 20 april 1553 kwam het bevel de stad -met een grote kathedraal, twee parochiekerken en verschillende kloosters en abdijen- tot op de grond af te breken. De vernietiging van de bisschopsstad nam de ganse zomer 1553 in beslag. Dit gebeurde zó volledig dat recente opgravingen de grootste moeite hebben gehad om de opgegraven resten te interpreteren. Er zou ook zout zijn gestrooid opdat er nooit meer iets zou kunnen groeien.

Slechts enkele stukken bleven gespaard, waaronder het beroemde gevelveld van de kathedraal met Le Grand Dieu de Thérouanne dat naar de naburige kathedraal van Sint-Omaars werd overgebracht en de klokken die aan het belfort van Béthune werden geschonken. Volgens de overlevering werd de Sint-Silvesterkerk van Rubroek deels gebouwd met stenen van de kathedraal van Terwaan.

Het Verdrag van Cateau-Cambresis (1559) bepaalde bovendien dat Terwaan niet mocht worden heropgebouwd.

In 1553 bestond het bisdom Terwaan de facto niet meer en in 1559 werd het duidelijk dat Terwaan niet uit de as zou herrijzen. In 1559, met de bul Super Universas van paus Paulus IV, hield het bisdom Terwaan ook kerkrechtelijk op te bestaan: het werd opgeheven en verdeeld over de nieuwe bisdommen Sint-Omaars en Ieper. Kort nadien, in 1567, besliste paus Pius V dat het bisdom Sint-Omaars in twee delen zou worden gesplitst en dat het zuidwestelijke deel het nieuwe bisdom Boulogne werd.