De Kleine Mote

Vlaams karakter

Een deel van Noord-Frankrijk, Frans-Vlaanderen, was eeuwen lang deel van het graafschap Vlaanderen. Met de Vrede van Nijmegen (1678) kwam daar definitief een einde aan; Belle, Condé, Kassel, Sint-Omaars worden Frans bezit. Maar de streek bleef tot het einde van de 19e eeuw ‘Vlaams’.

Het Westhoekse West-Vlaams (ook Frans-Vlaams genoemd) werd gesproken in de regio ten oosten van Duinkerke, om zuidelijk af te buigen rond een 90-tal dorpen en gehuchten in de omgeving van de stadjes Sint-Winoksbergen (Bergues), Kassel (Cassel) en Hazebroek (Hazebrouck) tot de Belgische grens net ten zuiden van het stadje Belle (Bailleul).

De officiële Franse taalpolitiek was vanaf de Franse Revolutie gericht op de uitroeiïng van alle minderheidstalen of dialecten. Vooral in de onderwijswetgeving werd het monopolie van het Frans geïnstitutionaliseerd. Maar tot aan de Eerste Wereldoorlog werd in veel dorpen – ondanks dit verbod – toch nog catechismusonderwijs in het Vlaams gegeven.

Nu implodeert de oude Germaans-Romaanse taalgrens: de laatste generatie Vlaamssprekenden sterft uit, het Frans-Vlaams is vrijwel volledig verdwenen als gevolg van de Franse assimilatiepolitiek.

Er is nog enig ‘verzet’: in Belle vindt men ‘Het huis van het Nederlands’ een ‘centrum voor de verspreiding van de Nederlandse taal in Frans-Vlaanderen’ en op de scholen wordt Nederlands facultatief onderwezen.

Noord-Frankrijk

De beeldenstorm

Wie meent dat het protestantisme alleen maar in het Noorden van Nederland is voorgekomen, en dus een typisch Hollands verschijnsel is, vergist zich schromelijk: tijdens het grootste gedeelte van de 16e eeuw waren er meer protestanten in het Zuiden (België en Frans-Vlaanderen) dan in het Noorden.

De jaarmarkten in de streek zorgden voor veelvuldig contact met met Duitse en Franse handelaars, die zowel het Lutheranisme als het Calvinisme konden verspreiden.

Johannes Calvijn (1509-1564) werd trouwens geboren in Noyon (Picardië) uit een Vlaamse moeder. Het calvinisme is voornamelijk langs de Westhoek en Frans-Vlaanderen de Nederlanden binnengedrongen.

De zo ‘Hollands’ lijkende Beeldenstorm is begonnen in Frans-Vlaanderen en heeft zich van daar snel uitgebreid door Vlaanderen en Holland om zich tot in Friesland te manifesteren.

De repressie in de Westhoek was zeer hard; bovendien werd de streek nadien, ingevolge jarenlange troepenbewegingen en de terreur van bezettende legers, verwoest, geplunderd en in diverse emigratiegolven ontvolkt. Velen trokken naar het Noorden en hebben er meegeholpen aan het tot stand komen van Hollands Gouden Eeuw. En zo is het Calvinisme in Frans-Vlaanderen, waar de Beeldenstorm begon, zo goed als verdwenen.

Kapitalisme en Calvinisme

Het calvinistisch-protestantisme moet gezien als belangrijkste emancipatorische uitdrukking van de economisch sterker wordende burgerij die niet langer meer door de Rooms-Katholieke Kerk werd beïnvloed.

In de jaren 1550-1560 is het Calvinisme zich in de sterk bevolkte en ambachtelijke-industriële centra gaan ontwikkelen. Er is een verband tussen het calvinisme en de opkomst van kapitalistische instituties.

De heersende rooms-katholieke opvatting stelde dat vroomheid het best kon worden beoefend door zich uit de wereld terug te trekken in bijvoorbeeld kloosters. De calvinisten stonden wel in de wereld en maakten  van werk een geestelijke roeping: materiële welvaart werd als zegen van God beschouwd. Zo stond het calvinisme toe om rente over leningen te vragen en in opstand te komen tegen de hogere overheid. Die toewijding tot werk en het rationele denken zijn net de fundamentele basiselementen van het moderne kapitalisme.

Let wel: de calvinistische ethiek stond kritisch tegenover het vergaren van het bezit als doel op zich; handel en industrie waren alleen onder de nodige voorwaarden toegestaan. De protestantse ethiek moest het echter afleggen tegen de geest van het kapitalisme, de kooplieden vergaten ‘de voorwaarden’ en beperkten zich tot de conclusie dat handel in allerlei vormen toegestaan was.

Het calvinisme verspreidde zich in de verhouding waarmee het kapitalisme in de maatschappij doordrong en volgde dat spoor. De eerste brandpunten waren de streken van de grote nijverheid: Doornik, Valencijn en Rijsel, evenals het textielgebied van Hondschote en Armentières en het Oudenaardse. De havens van Holland en Zeeland volgden en ten slotte de economische hoofdstad van de Nederlanden, Antwerpen.

Het smeulend vuur van het opkomend calvinisme was in eerste instantie nog onder controle gehouden, met de in 1522 opgerichte Inquisitie en de talloze plakkaten die de doodstraf oplegden aan onder andere ketters, drukkers, verkopers en kopers van verboden boeken.

Religieuze redenen

Natuurlijk had de Beeldenstorm een religieuze oorzaak: aanhangers van het calvinistisch protestantisme waren erg gekant tegen het vereren van heiligen én ze ergerden zich aan de uitbundige rijkdom binnen de kerkgebouwen.

Maatschappelijke redenen

Een groot deel van het volk was niet geïnteresseerd in theologische scherpslijperij, maar zag in het calvinisme een mogelijkheid zich te ontworstelen aan het oude gezag. De opkomst van een middenklasse maar vooral de sociale onvrede verklaren de Beeldenstorm.

De sociale ontevredenheid was groot

De Nederlanden kenden in de vijftiende en begin zestiende eeuw een periode van aanzienlijke rijkdom, welvaart en vrede (al moest er veel geld worden bijgedragen voor de oorlogen van Keizer Karel V).

De lakenhandel had zijn bloeitijd echter reeds lang achter de rug: na het wegblijven van de Engelse wol, werd nog enigszins overgeschakeld naar de minderwaardige Spaanse wol; armoede, werkloosheid en ontevredenheid werden echter steeds groter en de groei van de industrie- en handelscentra had tot mistoestanden geleid.

Er was grote kindersterfte en de ‘te-vondeling-leggingen’ waren zo talrijk dat de magistraat van Hondschoote een geldelijke beloning uitlooft voor wie de ouders der vondelingen kon aanwijzen.

Kinderarbeid was wijdverspreid, zelfs vier- en vijfjarigen moeten ‘op eerzame wijze’ met spinnen en spoelen hun brood verdienen. In de sajetindustrie van Hondschoote ziet men kinderen van zeven jaar aan het werk, een goedgesitueerde drapenier laat zijn eigen kleinkind van acht jaar de zware balen laken naar de verver sjouwen, ‘om er bijtijds aan te wennen’.

Er was woningnood. Arbeiders woonden in hutten van vastgestampte klei met een strodak, jonggezellen trokken bij gezinnen in, bedden werden met velen gedeeld.

De industriecentra kenmerkten zich ook hogere levensmiddelenprijzen. In 1563 klagen de troepen, die in verband met de eerste ketterse opstandigheid uit hun kleine grensvestingen naar Valenciennes zijn gecommandeerd, dat zij op de dure stadskeien niet uit kunnen komen met hun soldij, die overigens hoger was dan het loon van de textielarbeiders.

Midden 16de eeuw wordt de textielsector door een zware crisis getroffen door belemmeringen bij de grondstoffentoevoer, stagnatie van de afzet of langdurige winterkoude. Het textiel-proletariaat in het Westkwartier was werkloos en wordt lompen-proletariaat.

Dat proletariaat wordt aangevuld met afgedankte soldaten, telkens een oorlog voorbij was. Deze afgedankte soldaten trokken ‘gaardend’ door het land: bedelend en rovend.

Niettegenstaande alle mogelijke afschrikwekkende straffen, geselen, afsnijden van oren, afhakken van vingers, namen de bedelarij en het zwerven gestadig toe.

Rondom Hondschoote sloten de slechtst betaalde arbeiders zich aaneen tot formele roversbenden, de kiem van de plunderende troepen beeldenstormers van 1566 en van de een bloedige terreur uitoefenende bosgeuzen van 1567-1568.

Hongersnood en pest

De winter van 1564-65 was de koudste van de eeuw, gevolgd door mislukte oogsten. Bovendien woedde vanaf 1563 de zevenjarige Oorlog van 1563 (strijd tussen Denemarken, Noorwegen en Zweden voor de heerschappij in het Oostzeegebied en de omvangrijke handel met Rusland). Dat conflict verminderde de invoer van graangewassen. 1566 was dan ook het hongerjaar genoemd.

Verschillende epidemieën, samengevat onder de noemer ‘pest’, waren het onvermijdelijke gevolg van de verzwakte lichamelijke weerstandskracht van de bevolking.

Start van de Beeldenstorm,  10 augustus 1566, Steenvoorde.

Feitelijk vonden de eerste opstanden al plaats tijdens de regering van Karel V, waarbij in 1554 al het eerste slachtoffer van de Inquisitie viel in de stad Ieper.

De eerste preek vond plaats op zondag 12 juli 1562 op het kerkhof van Boeschepe. De predikant was Ghelein Damman, die ook nog een broer had, Willem geheten.

Spoedig breidde hun activiteit zich uit over de hele bergstreek : Loker, Reningelst, Westouter, Berten,

Steenvoorde, Dikkebus en de Rode Berg waren onder andere plaatsen waar hagepreken werden gehouden.

De protestantse hageprekers hadden het gemakkeli jk de werklozen, bedelaars, ontevredenen en de volksmensen op te ruien tegen de katholieke Spanjaarden.

Op 9 augustus was er al een eerste opstand geweest in Krombeke maar algemeen wordt gesteld dat de Beeldenstorm losbarstte op zaterdag 10 augustus in 1566, in het Noord-Franse Steenvoorde, met de beeldenbraak in de Sint-Laurentiuskapel van het klooster der paters karmelieten door een groep opgezweepte aanhangers van het nieuwe geloof onder leiding van Sebastiaan Matte en Jakob de Buysere.

In vier of vijf dagen tijd werden door gewapende benden meer dan vierhonderd kerken en kloosters verwoest. Het gevolg liet niet lang op zich wachten:  Filips II, verrast en woedend, stuurde zijn veldheer kapitein-generaal Ferdinand Alvarez de Toledo, hertog van Alva y Tormes (1507-1582), met tienduizend Spaanse keursoldaten naar de Nederlanden. Op 22 augustus 1567 deed hij zijn intrede in Brussel. Op 11 september werd hij gouverneur-generaal der Nederlanden, na het ontslag van de regentes, Margareta van Parma. Reeds op 5 september richtte hij de Raad der Beroerten op, bij ons beter bekend als „Bloedraad”. Weinigen wachtten de strafmaatregelen af ; tienduizenden edelen en gegoeden vluchtten naar Frankrijk, Duitsland, Nederland of Engeland.

Een belangrijke aanstoker was Jakob de Buysere (De Buzere), een Ieperse augustijnermonnik die uiterlijk in 1560 zijn klooster verliet en zich tot de Hervorming bekende.

Vanwege de geloofsvervolging in de Spaanse Nederlanden scheepte hij eind november 1560 te Nieuwpoort in met bestemming Londen. Door ongunstige weersomstandigheden legde zijn schip onverwacht aan in Duinkerke en diende De Buzere te overnachten in een herberg aan wal.

Twee meereizende geloofsgenoten werden er gevat (en aanhoorden op 18 april 1561 hun doodvonnis) maar De Buzere kon ontkomen naar Londen, waar hij druk zijn geloof verkondigde,  op 24 augustus 1561 trouwde met Catalina de Raedt (of Raedts) en in september verhuisde naar Sandwich, waar koningin Elizabeth I net een Vlaamse vluchtelingenkerk had geautoriseerd. De Buzere behoorde er tot de radicale vleugel van de consistorie, die de inquisitie met geweld wilde bestrijden.

In de roerige zomer van 1566 preekte De Buzere in zijn geboortestreek, onder meer op 28 juli in Abele. Op zaterdag 10 augustus, tijdens de processie voor het feest van Sint Laurentius, was De Buzere met Sebastiaan Matte en een gewapend gevolg (met ondermeer Jan Camerlynck) in Steenvoorde. Na de opzwepende preek van Matte gingen de toehoorders onder leiding van De Buzere over tot beeldenbraak in de Sint-Laurentiuskapel van het gelijknamige klooster. Dit was het begin van de Beeldenstorm, die zich bliksemsnel over de lage landen zou verspreiden. De volgende twee dagen preekte De Buzere op de markt van Kassel. Op 13 augustus was hij in Belle voor de bestorming en ‘zuivering’ van het Sint-Antoniusklooster. Hij preekte ook te Hazebroek, Hondschote en Mesen, telkens geld inzamelend voor de evangelische militie van Jan Denys.

Na de nederlagen van de calvinistische milities bij Wattrelos en bij Lannoy verliet De Buzere met de andere predikanten het Westkwartier om naar het Antwerpse te trekken. In het voorjaar van 1567 stond hij in betrekking met Hendrik van Brederode om een veldtocht te organiseren, maar dit liep in maart uit op een nieuwe nederlaag bij Oosterweel. Via Amsterdam ging De Buzere weer naar Sandwich, waar hij in juni 1572 stierf. Blijkbaar raakte het bericht van zijn dood niet over het Kanaal, want in 1574 werd hij nog uitgesloten van het Algemeen Pardon.

Steden

Sint-Janskappel

Belle

Hazebroek

Kassel

St-Omer

Hondschoote

Bergues

Duinkerke

Roubaix

Villeneuve d’Ascq

Lille

Lens