De Kleine Mote

Belgische vluchtelingen in WO1

Op 4 augustus 1914 viel het Duitse leger België binnen. Het bracht grote vernieling met zich mee en spaarde niemand: na vier dagen waren al 850 Belgische burgers doodgeschoten. De angst bracht een grote vluchtelingenstroom op de been. Naar schatting de helft van het in totaal ongeveer 7 miljoen inwoners van ons land sloeg op de vlucht.

Vluchtelingen

Vluchtelingenstroom binnen België

Na de inname van verschillende steden zoals Brussel, Mechelen en Lier, vluchtten vele duizenden Belgische burgers naar Antwerpen. Om hen te kunnen helpen, werd het Officieel Comité voor Hulp aan de Vluchtelingen opgericht, dat voor voedsel en onderdak zorgde.

Toen Antwerpen de stroom vluchtelingen eind augustus niet meer aankon, kreeg het Comité als hoofdtaak het evacueren van de vluchtelingen. Na de val van Antwerpen op 10 oktober 1914 vertrokken nog eens honderdduizenden vluchtelingen vanuit Antwerpen naar de kust.

Vluchtelingenstroom naar het buitenland

De Belgen vluchtten voornamelijk naar Frankrijk, Groot-Brittannië en Nederland, maar ook landen als Zwitserland en de Verenigde Staten vingen tal van Belgische vluchtelingen op.

Op het hoogtepunt van de oorlog verbleven anderhalf miljoen gevluchte Belgen in het buitenland, bijna 600.000 bleven daar tot het einde van de oorlog. Zij werden – zeker in het begin – zeer gastvrij ontvangen. Tijdens de vier daaropvolgende jaren zouden de Belgen het niet altijd even gemakkelijk hebben, maar het leven ging ook in ballingschap door: de vluchtelingen zochten werk, richtten verenigingen op, huwden en kregen kinderen.

Groot-Brittanië

Ongeveer 150.000 Belgen brachten de oorlogsjaren door in Groot-Brittannië (Engeland, Wales, Schotland en Ierland dat toen nog bij UK hoorde)

Het Officieel Comité voor Hulp aan de Vluchtelingen overtuigde in de herfst 1914 de Britse regering om een bootverbinding tussen Antwerpen en Tilbury in te leggen en 20.000 vluchtelingen te accepteren.

Maar om voet op Britse bodem te mogen zetten, moesten de vluchtelingen aan strenge eisen voldoen. Daardoor zouden er in de eerste drie weken amper 6.000 vluchtelingen uit Oostende en 10.000 uit Antwerpen het land binnen geraken. Maar na de val van Antwerpen op 10 oktober 1914 vluchtten velen naar de West-Vlaamse kust om vandaar de Noordzee over te steken.

Ook Belgen die eerst naar Nederland gevlucht waren, staken later over naar Groot-Brittannië. Onder hen ongeveer 30.000 geschoolde arbeiders die aangeworven werden om de vrijgekomen plaatsen op de arbeidsmarkt op te vullen.

Het onthaal in Engeland was aanvankelijk hartelijk. De Britten voelden mee met de arme Belgen die kennis gemaakt hadden met de gruwelijke praktijken van het Duitse leger en hadden ontzag voor de standvastigheid van dat kleine landje. Zo werden brave little Belgium en poor little Belgium bekende uitspraken op het Britse eiland.

De sympathie voor de Belgen was zo groot dat er overal lokale Belgian refugee committees opgericht werden. In totaal zorgden zo’n 1.000 à 2.500 lokale hulpgroepen ervoor dat de vluchtelingen een dak boven hun hoofd hadden, werk vonden, financiële steun kregen, en gezondheidszorg en onderwijs genoten.

Al op 9 augustus 1914 werd in Groot-Brittannië het War Refugee Committee opgericht. Het WRC zorgde doorheen de hele oorlog voor opvang, woongelegenheid en terwerkstelling van de Belgische vluchtelingen. Het Local Government Board, dat voor de oorlog lokale besturen en gezondheidsinstellingen controleerde, droeg haar steentje bij door openbare gebouwen klaar te maken voor de opvang.

De Britse steun was niet voor iedereen hetzelfde: wie tot de betere klassen behoorde, kreeg ook betere steun. Rijken kregen bij aankomst in Tilbury een roze kaart. Dankzij deze roze kaart werden zij in Londen met veel egards onthaald. Zij genoten rijkelijke steun en konden er even luxueus leven als in België voor de oorlog. De anderen kregen een blauwe kaart, waarmee zij tot in Londen konden reizen. In Londen werden ze opnieuw onderverdeeld: vluchtelingen behoorden tot de “burgerij” of tot de “rough and sometimes undesirable people”. Deze onderverdeling bepaalde hoe elke vluchteling opgevangen zou worden.

Eind november 1914 werd de registratie verplicht voor elke Belgische vluchteling vanaf 16 jaar. In ruil kregen ze een Certificate of Registration, dat ze nodig hadden om werk te zoeken.

Maar de steun bleef niet duren. Al eind 1914 vonden sommige Britten dat de Belgen, die een toelage kregen, profiteurs waren en protesteerden vakbonden tegen de vluchtelingen die hun jobs stalen.

En toen bleek dat de oorlog langer zou duren dan verwacht, vroegen veel Britten zich af waarom hun mannen, zonen en broers in België aan het front meevochten, terwijl de Belgische lafaards veilig in het Verenigd Koninkrijk het einde van de oorlog afwachtten: de Belgische wet voorzag dienstplicht tussen achttien en dertig jaar, terwijl Britten tot hun veertigste moesten vechten. In de zomer van 1916 besloot de Belgische overheid om de dienstplicht ook op te trekken tot veertig jaar, hopend dat de spanning zou verdwijnen.

Maar de Britse vakbonden vreesden dat Belgische arbeiders hun werk zouden stelen en hun sociale verworvenheden in gevaar brengen. Die spanning bleef duren tot het einde van de oorlog.

Aanvankelijk raadde de Britse overheid de Belgen af om te werken. Omdat de vluchtelingen zich toch ergens mee bezig moesten houden, konden zij wel werken in mandenmakerijen en houtbewerkingsbedrijven.

Maar toen een groot deel van de Britse arbeiders naar het front geroepen werd, hadden de fabrieken dringend nood aan werknemers. Niet alleen de Belgische vluchtelingen in Groot-Brittannië werden aangenomen, de Britse overheid ging actief op zoek in Nederland naar geschoolde werkkrachten: dokwerkers, spoorwegarbeiders, metaalbewerkers en mijnwerkers. Zij kwamen voornamelijk in de oorlogsindustrie terecht.

Een bekende munitiefabriek waar veel Belgen tewerkgesteld werden, is de National Projectile Factory in Birtley. Eind 1915 werden honderden gewonde Belgische soldaten vanuit veldhospitalen naar Birtley gebracht om er te werken. Omdat het dorpje de vele arbeiders niet kon opnemen, werd een nieuwe woonwijk aan de rand van het dorp gebouwd. Elisabethville bood plaats voor de Belgische arbeiders en hun gezinnen, in totaal 6.000 à 7.000 personen. Het nieuwe Belgische dorp had een eigen katholieke kerk, lagere school, hospitaal, postkantoor, eigen verenigingen en zelfs een eigen symfonisch orkest. De Belgen noemden het dorp “de kolonie” en de Britten noemden hen “the Birtley Belgians”.

De Belgische kinderen konden naar de Britse scholen gaan, maar daar stonden de Belgische vluchtelingen eerder afkerig tegenover. Zouden de kinderen nog wel voldoende Vlaams of Frans spreken na de oorlog? Zouden zij niet te veel leren over de Engelse cultuur en daardoor vervreemden van hun eigen cultuur? Het Britse onderwijs verschilde ook zeer sterk van het Belgische, dus ouders vreesden ook dat hun kinderen problemen zouden krijgen met leren, eens ze terug naar school gingen in België.

Maar de grootste tegenstander van het Britse onderwijs was toch de Belgische katholieke Kerk. In het begin van de twintigste eeuw werd het onderwijs in België bijna altijd georganiseerd door de katholieke Kerk, maar in het Verenigd Koninkrijk was het anglicanisme de belangrijkste godsdienst. Enkel in Ierland was een katholieke meerderheid, maar hier kwamen amper 3.000 Belgische vluchtelingen terecht.

Omdat de Belgen vreesden dat hun kinderen beïnvloed zouden worden door ‘het verkeerde geloof’, richtten ze zelf katholieke scholen op. Ongeveer 30.000 kinderen hebben de oorlogsjaren in meer dan honderd basisscholen, dertien middelbare scholen, twee normaalscholen en enkele kostscholen doorgebracht.

Twee bekende vluchtelingenkranten werden uitgegeven in Groot-Brittanië: L’independance belge en De Stem uit België/L’echo de Belgique. Priester Floris Prims, die als aalmoezenier in Londen leefde tijdens de oorlog, wilde de contacten tussen vluchtelingen en hun familie in België en Frankrijk in stand houden en deed dit door het tweetalige tijdschrift De Stem/L’echo op te richten. Prims riep landgenoten op om informatie over familieleden te delen. In 1915 publiceerde dokter August Laporta een lijst met adressen van vluchtelingen in Groot-Brittannië en Frankrijk in De Stem.

Maar de gevluchte Belgen hielden zich ook met andere dingen bezig dan het uitpluizen van kranten op zoek naar familieleden. Tijdens de oorlog kwam een uitgebreide vrijetijdsbeleving op gang. Theaters en bioscopen in Londen trokken talloze Belgen aan. Ook het verenigingsleven bloeide. In Elisabethville werd een symfonisch orkest gevormd; andere Belgen richtten sport- of kunstverenigingen op. Met optredens verzamelden vele verenigingen geld voor andere Belgische vluchtelingen.

Na de Wapenstilstand keerden bijna alle Belgen terug naar huis, slechts enkele honderden bleven in Groot-Brittannië omdat ze tijdens de oorlog waren getrouwd met een Brit(se).

De meeste Belgen bleven wel tot in de lente van 1919: de Britse regering wilde eerst de Britse troepen naar huis brengen en in België was een Spaanse griepepidemie uitgebroken; de Belgische scholen in Groot-Brittannië sloten pas rond Pasen 1919, waardoor de kinderen er het grootste deel van hun schooljaar af konden maken. De eersten Belgen die terugkeerden waren de arbeiders van Elisabethville, die ingezet werden om het verwoeste land herop te bouwen.

Op de website belgianrefugees14-18.be staan tientallen persoonlijke verhalen van Belgische vluchtelingen in Engeland tijdens WO I

http://www.belgianrefugees14-18.be/

Frankrijk

Meteen na het uitbreken van de oorlog trokken tienduizenden Belgen richting Frankrijk. Velen onder hen kwamen in de havenstad Calais terecht, die het grote aantal vluchtelingen niet op kon vangen. Ongeveer 50.000 van deze vluchtelingen werden daarom in 1914 per schip naar La Rochelle gebracht en van daar naar verschillende departementen in Zuid- en Zuid-West-Frankrijk. Op deze manier verloren veel gezinsleden elkaar uit het oog.

Duizenden vluchtelingen waren ook achtergebleven in de Westhoek, het laatste onbezette hoekje van België. In 1915 werden zij door de Belgische overheid verplicht naar Frankrijk gestuurd. Ongeveer 14.000 onder hen gaven gehoor aan die oproep, maar vele duizenden bleven aan de grens.

In tegenstelling tot in andere landen, bleef het aantal Belgische vluchtelingen in Frankrijk toenemen. In de zomer van 1915 ging het om 205.000 vluchtelingen; vlak voor de Wapenstilstand was dit 325.000.

In het begin van de oorlog werden de Belgische vluchtelingen heel hartelijk onthaald, want ze werden gezien als slachtoffers van Duitse wreedheden. Dit gebeurde voornamelijk lokaal door het Rode Kruis en parochies, maar ook door hulpcomités die vanaf augustus 1914 opgericht werden. Het grootste hulpcomité was L’Oeuvre du Cirque de Paris, dat na vier maanden oorlog al 30.000 vluchtelingen geholpen had en voornamelijk bekend is omdat het een inlichtingendienst oprichtte om gezinnen te herenigen.

Vele departements- en gemeenteraden beslisten in diezelfde periode om de vluchtelingen een bedrag toe te kennen als steun. Vanaf december 1914 zou de Franse overheid dit zelf doen. De financiële steun van de overheid zou doorheen de hele oorlog blijven bestaan. De vluchtelingen, die vaak bij gezinnen ondergebracht waren, konden deze gezinnen dus vergoeden voor hun verblijf.

Ongeveer 40.000 Belgische arbeiders kwamen in de Franse landbouw terecht. Anderen gingen in de oorlogsindustrie werken. Bijna 700 Belgen vonden een plaats bij de Usines Renault in Billancourt bij Parijs. Zij kregen een hoog salaris en stuurden er vaak een deel van naar familie in bezet België.

De integratie verliep niet altijd even gemakkelijk. Door de financiële steun werden de Belgen vaak gezien als profiteurs. Daarnaast bleven veel Belgen vasthouden aan producten zoals boter en koffie, in Frankrijk werden deze echter als luxeproducten beschouwd. De Fransen meenden dat de Belgen, door nog steeds koffie en boter te gebruiken, bijdroegen aan de inflatie. Toch waren er in Frankrijk minder problemen dan in andere landen.

De Belgen probeerden ook in Frankrijk de draad weer op te nemen. Om zich zo veel mogelijk thuis te voelen, richtten ze zang-, toneel- en sportverenigingen op en openden ze Belgische winkels. Ze gaven eigen kranten en tijdschriften uit, zoals Le XXème Siècle en het vluchtelingenblad Ons Vlaanderen, die zich concentreerden op nieuws van het thuisfront en onder de vluchtelingen.

Na de oorlog had Frankrijk geen haast om de Belgen terug te sturen, de bevolking was tijdens de oorlog sterk afgenomen. Veel Belgen bleven definitief: wie terugkeerde, vond vaak een vernield huis terug en werd als lafaard gezien; in Frankrijk waren er vruchtbare landbouwgronden en een goede afzetmarkt… Vlak voor de Wapenstilstand telde de Belgische overheid 325.000 Belgen in Frankrijk, tegen 1921 was dit aantal opgelopen tot 349.000.

Nederland

Militairen

Tijdens het Beleg van Antwerpen trok het leger terug, maar 2.000 Britse en 20.000 Belgische militairen slaagden daar niet in. Zij zagen geen andere uitweg dan vluchten naar Nederland. Tot op vandaag worden die militairen soms nog als deserteurs beschouwd.

Nederland was in 1914 echter neutraal, het land was daarom volgens de internationale afspraken verplicht om de Belgische en Britse soldaten te ontwapenen en te interneren. Slechts een 7.000 onder hen konden vermomd als burger ontsnappen naar het Verenigd Koninkrijk om terug te keren naar het Belgische leger.

De gevluchte soldaten mochten niet vrij rondlopen. De Nederlandse minister van Oorlog liet vijf speciale interneringskampen bouwen (Alkmaar, Amersfoort, Harderwijk, Groningen en Oldebroek). Daar moesten de soldaten het einde van de oorlog afwachten. Bij Amersfoort werd ook een kamp voor de families van de militairen gebouwd, namelijk Elisabethdorp. Belgische officieren werden in pensions en dergelijke ondergebracht; ze genoten een zekere bewegingsvrijheid en konden vaak hun familie laten overkomen.

40.000 militairen brachten zo de oorlogsjaren door in opvangkampen. Die geïnterneerde soldaten brachten trouwens een tweede stroom van burgervluchtelingen op gang op het einde van 1914: vrouwen en kinderen van geïnterneerde soldaten, die bij hun echtgenoot en vader wilden zijn. In 1918 werden 6.640 van zulke families geteld.

De militaire kampen werden zwaar bewaakt en eromheen was een versperring van prikkeldraad aangelegd. De leefomstandigheden waren er slecht, de barakken werden niet verwarmd. Om de ratten te bestrijden werd door de kampleiding voor elke dode rat een beloning uitgeloofd van tweeënhalve cent.

In het militaire kamp van Harderwijk werden de bewoners daardoor zelfs ziek. Longontstekingen, mazelen, cholera en de Spaanse griep tierden er welig.

vluchtelingen, kamp hardrwijk

Op 2 december 1914 brak onder de geïnterneerden te Zeist (Amersfoort) een opstand uit. Bij het neerslaan hiervan vielen acht doden en achttien gewonden. Toen het nieuws hierover bekend werd ging er een golf van verontwaardiging door Nederland en werd de verantwoordelijke minister van Oorlog gedwongen de kampen te reorganiseren en het regime te humaniseren.

Zo mochten, vanaf april 1915, de bewoners van kamp Zeist de arbeidsplaatsen innemen die vrijgekomen waren ten gevolge van de langdurige mobilisatie.

In 1916 werd, naast kamp Zeist voor de militairen en Elisabethdorp voor hun gezinnen, een derde vluchtoord gebouwd. Daar konden de Belgische militairen die buiten kamp Zeist werk vonden, wonen met hun gezin. Ze moesten zich een maal per dag aanmelden in kamp Zeist, maar stonden niet meer onder het strenge regime. Wanneer ze echter hun werk verloren, moesten ze zonder gezin terugkeren naar kamp Zeist.

Er werd ook een werkschool opgericht voor de militaire bewoners. De leerlingen van de werkscholen werden aan het werk gezet om een gedenkteken op te richten als blijk van waardering ‘voor hetgeen gedaan werd voor de geïnterneerden militairen en hun gezinnen’. In mei 1917 werd gestart met de werkzaamheden.

Het zou tot het voorjaar van 1919 duren voordat het monument geheel gereed was. Het initiatief kwam van de  Centrale Commissie der Werkscholen van de geïnterneerde Belgen in Nederland en werd goedgekeurd door burgemeester en wethouders van Amersfoort. De Belgische architect Huib Hoste maakte een ontwerp voor de beoogde plek op de Amersfoortse Berg, met ruim drieënveertig meter een van de hoogste toppen van de Utrechtse Heuvelrug.

Amersfoort
Burgers

De eerste Belgische vluchtelingen, uit het noorden van het land, kwamen vlak na de Duitse inval in Nederland aan, uit angst voor het wangedrag van de Duitse soldaten.

De grote vluchtelingenstroom kwam op gang tijdens het Beleg van Antwerpen, tussen 28 september en 10 oktober 1914. Inwoners van Antwerpen en duizenden gezinnen die in Antwerpen veiligheid hadden gezocht, vluchtten in allerijl naar onze Noorderburen. Velen onder hen deden dit via de Schelde. In enkele dagen tijd vluchtte ongeveer een miljoen Belgen naar Nederland.

Het was onmogelijk voor Nederland om zoveel Belgen op te vangen. Al op 12 oktober 1914 roept de Nederlandse overheid de hulp in van het Antwerpse stadsbestuur. Dankzij onderhandelingen tussen de Belgische overheid en de Duitse bezetter konden tienduizenden Belgen eind 1914 terug naar huis keren. Andere vluchtelingen kregen de kans om in Groot-Brittannië aan het werk te gaan: een dertigduizend geschoolde werkkrachten staken de Noordzee over, voornamelijk dokwerkers, spoorwegarbeiders, metaalbewerkers en mijnwerkers.

En zo nam het aantal Belgische vluchtelingen in Nederland vrij snel terug af: om te ontsnappen aan de slechte omstandigheden in de vluchtoorden keerden vluchtelingen terug naar huis of vertrokken naar Engeland.

Halverwege 1915 droogde de vluchtelingenstroom naar Nederland helemaal op. In 1915 liet het Duitse leger een circa 200 kilometer lang stroomhek aanleggen langs de grens van België met Nederland. Die zogenaamde Dodendraad legde het grensverkeer grotendeels stil. Wie na de voltooiing van de draad nog wilde oversteken, werd geëlektrocuteerd of neergeschoten. Geschat wordt dat er tussen de 500 en 3000 mensen zijn omgekomen.

Ongeveer 105.000 vluchtelingen zouden doorheen de hele oorlog in Nederland blijven.

Om de vele vluchtelingen te onthalen, werden vanaf augustus 1914, verschillende hulpcomités opgericht door particulieren. Het bekendste was het Nederlandsch Comité tot steun aan Belgische en andere slachtoffers (later het Amsterdam Comité). Uiteindelijk zou het Nederlandsch Comité onder leiding van een Centrale Commissie van de overheid komen te staan.

Er kwam ook hulp uit het buitenland. In maart 1915 schonk Denemarken een geldbedrag van 325.000 gulden, waarmee eenvoudige, verplaatsbare woningen konden worden gebouwd voor de vluchtelingen. Ook uit Engeland kwam er hulp. De Engelse Society of Friends (Quakers) doneerden grote bedragen voor de aanschaf van hout voor de bouw van de woningen en andere voorzieningen. Vanuit Amerika kwam er hulp van de Rockefeller Foundation.

De burgervluchtelingen werden eerst opgevangen in het grensgebied. Maar vanwege het grote aantal moesten de vluchtelingen over Nederland verdeeld worden. Uit angst voor anti-Duitse rellen en betogingen onder de vluchtelingen werden ze niet onder gebracht bij particulieren maar in bewaakte opvangkampen die bestonden uit tenten of barakken met woon- en slaapvertrekken. De burgers kwamen zo terecht in vluchtoorden in Nunspeet, Ede, Amersfoort, Bergen op Zoom, Roosendaal, Tilburg, Hontenisse, Baarle-Nassau, Amsterdam, Scheveningen, Oldebroek en Veenhuizen.

Belgische vluchtelingen in Rotterdam

Een apart kamp vormde Vluchtoord Gouda. Daar werden de vluchtelingen eind oktober 1914 geconcentreerd in leegstaande kassen van kwekerij Steensma. Aangezien de kassen onvoldoende comfort boden aan zo veel mensen werd er op het voorterrein een voorzieningendorp gebouwd met onder andere een kerk, een school en een ziekenhuis. Achter de kassen verrees een dorpje van 64 houten huisjes waarin ongeveer 350 mensen waren ondergebracht.

Naar welk kamp een vluchteling ging, was afhankelijk van zijn sociale achtergrond. De overheid verdeelde hen in drie categorieën: de “ongewenste elementen” zoals asocialen, kleine delinquenten en prostituees; de “minder gewenste elementen”, namelijk de arbeiders; en de “fatsoenlijke elementen” ofwel de burgerij. De fatsoenlijke elementen mochten vaak buiten het vluchtoord wonen en bleven gespaard van overheidsbemoeienissen. Vanaf halverwege 1915 kende de Nederlandse overheid ook een bijzonder statuut toe aan vluchtelingen uit hogere klassen die door de oorlog niet meer voor zichzelf konden zorgen, de zogenaamde “pauvres honteux”. Dankzij dit statuut kregen zij een toelage en mochten ook zij buiten het kamp wonen.

De leefomstandigheden van de Belgen in de vluchtoorden waren over het algemeen niet al te best. Zelfs in vluchtoord Ede, dat bekend stond als het beste vluchtoord, werd er geklaagd over het eten en de verwarming. Het militaire regime, het verlies van vrijheid en het besef dat je sociale achtergrond bepaalde in welk kamp je terecht kwam, zorgden ervoor dat de Belgen afkerig stonden tegenover zo’n verblijfsplaats. Dat de levenskwaliteit er dan ook slecht was, maakte hen alleen nog meer ontevreden. Er werd geklaagd over tocht en lekken, slechte sanitaire voorzieningen, het eten …

Toch waren er ook veel voorzieningen die de situatie van de Belgische vluchtelingen aangenamer maakten. Zo waren er in veel vluchtoorden een kerk en een ziekenzaal. Er werd gedacht aan barakken met praktische voorzieningen zoals een keuken en waszaal, maar ook post- en wisselkantoren. De Belgen konden meestal hun inkopen doen in winkels in het kamp, en ook ontspanningsmogelijkheden waren in enkele vluchtoorden aanwezig. In Harderwijk konden de bewoners bijvoorbeeld naar de bibliotheek, de schouwburg of zelfs de bioscoop, en richtten ze hun eigen verenigingen op. Tenslotte werden ook eigen kranten uitgegeven, waaronder het Belgisch Dagblad.

Veel kampen hadden hun eigen schooltje. In Gouda was er zelfs leerplicht voor jongens en meisjes. Kleuters mochten er naar de kleuterschool, en wie wilde kon er zelfs een vakopleiding volgen. In Harderwijk leerden 5.968 mensen lezen en schrijven tijdens een grote alfabetiseringscampagne.

Om het probleem van de hoge werkloosheidsgraad onder de Belgische vluchtelingen te verhelpen, richtten verschillende liefdadigheidsinstellingen de Rockefeller Foundation op. Die organisatie opende in een dertigtal steden confectieateliers, waar werkgelegenheid was voor meer dan 5.000 Belgische arbeiders.

Ondanks dat de Belgen vaak afgescheiden van de lokale bevolking leefden, verliep het samenleven niet altijd even vlot. De andere gewoonten stootten in Nederland vaak op weerstand. Zeker in strenge calvinistische dorpen werd met argusogen naar de vluchtelingen gekeken. In Gouda wilde men in 1915 de kermis niet laten doorgaan uit vrees voor problemen met de vluchtelingen, die naar Nederlandse normen niet al te zedelijk leefden. Burgervluchtelingen konden bij ongewenst gedrag tevens het land uit worden gezet.

Na de Wapenstilstand keerden bijna alle vluchtelingen terug naar huis. Zij kregen een vrijgeleide of laissez-passer: een document dat hen de toestemming gaf om de grens over te steken.

Les Enfants de l’Yser

Onder de vluchtelingen waren ook de zogenaamde Enfants de l’Yser: kinderen die in de gevarenzone bij het front woonden en door het Belgian Front Relief Fund naar het buitenland (Frankrijk en het neutrale Zwitserland) gebracht werden.

Door het terugtrekken van het Belgische leger tot achter de IJzer werden de meeste scholen en weeshuizen in de Westhoek opgeëist voor het inrichten van kantonnementen voor de soldaten, hulpposten en ambulancediensten.

De overheid wil de scholen heropenen, niet zozeer om kinderen te onderwijzen maar vooral om het contact met de straat en legerkampen zoveel mogelijk te vermijden. Geestelijken en leerkrachten verklaren dat de situatie ernstige gevolgen zal hebben voor deze generatie jongeren. In de kranten had men het over de ‘verwildering’: kinderen die tussen de soldaten ‘tjolen’, ‘stratelopers’. Ook fysiek waren de kinderen in gevaar. Op onverwachte momenten braken gevechten uit, en schrapnels maakten regelmatig slachtoffers, ook onder de kinderen.

De overheid werkt daarom een onderwijsplan uit, waarbij in ieder dorp in minstens één school de lessen hervat worden in het halvedagstelsel. Er worden houten barakken ingericht als schoolgebouw, buiten de dorpskom en ver weg van de legerkampen.

Maar er is een tekort aan leerkrachten en aan materiaal. De bombardementen en evacuaties bemoeilijken het onderwijs en veel ouders houden hun kinderen liever thuis waar ze helpen in het huishouden of op het veld om hun vader of oudere broer die soldaat was te vervangen. De leerplicht was trouwens nog niet ingeburgerd (de wet-Poullet dateert van 19 mei 1914 en introduceert de leerplicht voor alle kinderen tussen 6 en 12 jaar en stipuleerde dat de bovenste leeftijdsgrens zou verhoogd worden tot 13 en vervolgens 14 jaar).

Met de eerste gifgasaanval van Duitsland, op 22 april 1915, is het leven in het frontgebied helemaal onmogelijk geworden en het is duidelijk dat maatregelen voor de kinderen niet langer op zich kunnen laten wachten. Bovendien heerste nu tyfus in de Westhoekse vluchtelingenkampen.

Er wordt eindelijk doorgewerkt aan een plan van schoolkolonies. De Belgische overheid besluit begin mei 1915 om zoveel mogelijk kinderen uit de gevarenzone van de frontstreek te evacueren naar het buitenland: ongeveer 10.000 jongens en meisjes tussen drie en zestien jaar werden naar schoolkolonies in Frankrijk en Zwitserland overgebracht. Deze kinderen zijn de geschiedenis ingegaan als Les Enfants de l’Yser.

In eerste instantie kregen kinderen van landbouwers van wie de hoeve dicht bij het front lag en kinderen van wie de ouders onvoldoende bestaansmiddelen hadden, voorrang bij de evacuaties. Het had veel voeten in de aarde om de ouders zo ver te krijgen dat ze hun kinderen aan de Belgische overheid afstonden. De dorpspastoor speelde een belangrijke rol bij het ronselen van kinderen; aan de ouders wordt geen enkele financiële bijdrage gevraagd, zelfs voor kleren zal in de kolonie worden gezorgd.

En zo vertrok in mei 1915 een eerste treinkonvooi met 152 meisjes en 148 jongens. Allemaal kinderen zonder hun ouders, die er geen idee van hebben waar ze naartoe gaan. Aan hun ouders is gezegd dat ze maar een paar maanden wegblijven, ‘tot de oorlog gedaan is’… het zouden uiteindelijk jaren worden.

De kinderen werden naar opstapplaatsen langs de tramlijn Poperinge -Veurne  gebracht om in Adinkerke de trein te nemen. Op het perron krijgt elk kind een stuk chocolade van koningin Elisabeth. Op 18 mei 1915 komt de groep, begeleid door 5 onderwijzers en 14 religieuzen, aan in het station ‘Gard du Nord’ in Parijs. Voordat ze uit het station vertrokken kregen ze in de zaal van de douane een maaltijd.

Na een verblijf van enkele dagen bij de hulporganisatie l’Oeuvre du Secours de Guerre in het oude seminarie van Saint-Sulpice, worden de jongens en de meisjes van elkaar gescheiden, ook al hebben hun ouders hen op het hart gedrukt om voor elkaar te zorgen. De jongens nemen hun intrek in de schoolkolonies van Garches en Champlan terwijl de meisjes naar een voormalig meisjespensionaat in de Rue de la Santé in Parijs trekken.

Enfants de l'Yser

Eens het eerste transport goed verlopen was, kwamen massaal aanvragen van ouders. Ook enkele hulporganisaties die in de regio actief waren zoals Aide Civile Belge en het Schotse Rode Kruis zorgden voor het ophalen van kinderen in afgelegen dorpen om ze in een “refuge” op te vangen in afwachting van een nieuw treinkonvooi dat richting Parijs of Normandië vertrok.

Onder de door de oorlog erg verzwakte kinderen heersten in het pensionaat in Rue de la Santé in de zomer van 1915 rodehond, mazelen en roodvonk. De dokters wisten niet hoe de kinderen in kamertjes en zaaltjes apart te leggen om kruis­besmettingen te voorkomen en er stierven kinderen. De directie was bang dat de ouders hun kinderen zouden terugeisen, en weer naar de gevaarlijke frontzone zouden brengen. Daarom werd de doodsoorzaak niet gecommuniceerd aan de ouders, er werd gesproken over een zwak hart, door de specialisten opgespoord na haar aankomst, een mankement veroorzaakt door een bombardement of een andere ingrijpende ervaring, die sowieso fataal zou zijn geworden.

De hele oorlog lang zijn er treintransporten geweest, in het begin vooral naar Frankrijk en Engeland, later ook naar Zwitserland.

In Frankrijk werden schoolkolonies opgericht door de hulporganisaties Aide Civile Belge, l’Oeuvre des Enfants des Flandres, l’Oeuvre des Enfants de la Frontière, Le Foyer Ecossais en door de Belgische overheid (Les Enfants de l’Yser – Kinderen van de IJzer).

Een groot voordeel van de schoolkolonies in Frankrijk was de aanwezigheid van Belgische leerkrachten en religieuzen die onderwijs in de moedertaal van de kinderen konden waarborgen.

Meestal werden de schoolkolonies ingericht in kastelen, oude scholen, hotels, boerderijen of leegstaande kloosters en fabrieksgebouwen die men in bruikleen kreeg of huurde. Er stonden heel wat gebouwen van religieuze orden leeg in Frankrijk: de wet die geestelijken verbood onderricht te geven, was nog maar enkele jaren oud.

Wanneer de meeste vestigingen in de omgeving rond Parijs volzet waren werden vanaf juli 1915 begonnen met schoolkolonies in Normandië.

Op het einde van 1917 werd “l’école de La Reine” gestart in het Franse departement Corrèze, met voornamelijk kinderen uit het bezette gedeelte van België.

De “scholen” van de Belgische overheid werden gefinancierd met een toelage per kind door de Franse overheid plus giften van particulieren, hulporganisaties en het Belgian Relief Fund. Vooral de Amerikaanse schrijfster Edith Wharton speelt een belangrijke rol. In april 1915 richt ze op vraag van de Belgische overheid het Children of Flanders Rescue Committee op. Zij schrijft in kranten en tijdschriften over de hulpbehoevende kinderen uit Vlaanderen, en krijgt massale steun uit de VS en Frankrijk.

Ook Zwitserland, dat tijdens de oorlog strikt neutraal blijft, herbergt zo’n 9.000 Belgen, vooral kinderen uit de Westhoek. In Zwitserland werd het initiatief genomen door Mary Widmer-Curtat, een vooraanstaande arts uit Lausanne en een kennis van de Belgische koningin Elisabeth. Met de door haar opgerichte hulporganisatie  Comité Central de Secours aux Réfugiés Belges kon zij de opvang waarborgen.  De overbrenging wordt het werk van Georgie Fyfe, een verpleegster bij het Schotse Rode Kruis, die de hulporganisatie ‘Le Foyer Ecossais’ leidt. In juni en juli 1915 vertrekken de eerste konvooien met in totaal 154 kinderen uit de Westhoek naar Zwitserland. Na twee jaar bevinden zich al 2.000 kinderen onder de hoede van de Zwitserse hulpcomités.

Deze ‘kinderen van de Koningin’ vertrekken meestal uit de stations van Adinkerke en Haezebroeck. Van daaruit gaan ze eerst naar Parijs en verblijven ze kort in feestzaal ’Salle Wagram’ in afwachting van hun vertrek naar Zwitserland. Nadat in het begin periode kinderen werden ondergebracht bij gastgezinnen, werd later door de Rockefeller Foundation enkele schoolkolonies gefinancierd. De kinderen in Zwitserland treffen het vaak veel beter dan hun lotgenootjes in Frankrijk.

Nadat de wapenstilstand is afgekondigd, is er sprake van sociale onlusten en stakingen in Frankrijk. De overheden hebben moeite om treinen te vinden die de kinderen naar Vlaanderen terug kan brengen. Een aantal kinderen kon ook niet direct naar huis omdat hun ouders zelf ook nog op de vlucht waren. En zo keerden sommige kinderen pas eind juni 1919 uit de schoolkolonie in Parijs terug. Een volle vier jaar weg van thuis.