De Kleine Mote

Lo-Reninge

Diesnt toerisme Lo-Reninge

Markt 17 a, 8647 Lo-Reninge; +32 (0)58 28 91 66

www.lauka.be

Wie Diksmuide of Veurne bezoekt, moet zeker een omweg langs Lo-Reninge overwegen, een stadje in de uiterste westhoek van België.

Het bestaat uit 4 deelgemeenten: Lo, Reninge, Pollinkhove en Noordschote.

Lo-Reninge

Lo

Geschiedenis Lo

Sporen van Romeinse verkavelingen bewijzen de belangrijke landbouwactiviteiten in de IJzervallei, in de buurt van Lo. De namen ‘Lo’ en ‘Reninge’ verschijnen echter pas eeuwen later. ‘Reninge’ wordt voor het eerst vermeld in documenten van Karel de Kale (blijkt dat de inwoners van Lo kerkbelasting moesten betalen aan de abdij van Marchiennes, het Frans klooster dat eigenaar was van hun parochiekerk) en ‘Lo’ komt voor het eerst voor in een akte van het jaar 1089 (inventaris van de eigendommen in de westhoek van het Brugse Sint-Donaaskapittel).

Verder het klassieke verhaal: in de 13de en 14de eeuw bloei (lakenindustrie), bekomen van stadsrechten, versterking van de stedelijke infrastructuur (gracht met een wal en houten poorten); in de 15de en 16de eeuw verval door politieke conflicten, plunderingen en pestepidemie. Eind 16de eeuw afbraak van de omwalling; de economische activiteit en het bevolkingsaantal zit op een dieptepunt.

In de achttiende eeuw verloor Lo haar stadsrechten. Pas in 1985 werden die opnieuw toegekend. Nu is Lo met 52 inwoners per vierkante kilometer de dunstbevolkte stad (en gemeente) van Vlaanderen.

Merkwaardigheden in Lo

Merkwaardig figuur, Willem van Loo (of Ieper)

De Westpoort

De omwalling van Lo werd in 1581-1582 gesloopt. Zij telde vier toegangspoorten, enkel de Westpoort werd bewaard.

Het is een gotische poort, die van rond 1250 dateert en in de 14de eeuw grondig werd verbouwd. Ze stond voor de omwalling, aan de binnenzijde van de stadsgracht. Ervoor lag een houten ophaalbrug.

De Caesarboom

Vlak bij de Westpoort bevindt zich de Caesarsboom, een eeuwenoude taxus. Volgens de legende heeft Julius Caesar aan deze boom zijn paard vastgebonden en onder de boom uitgerust.

Het stadhuis en belfort

Het stadhuis werd in 1565-1566 gebouwd in renaissancestijl.

Op de hoek staat een belforttorentje, dat op twee Toscaanse zuilen steunt. Bovenaan eindigt de toren in vier trapgevels, met galmgaten voor de klokken. De onderkant van de toren, met rondbogen boven de zuilen, is opengewerkt tot een pui, waarvan vroeger officiële mededelingen werden voorgelezen. Op de eerste verdieping van het gebouw is een oude Vlaamse eetzaal bewaard gebleven, met een sierlijke schoorsteenmantel, eiken zoldering en oude glasramen van Kamiel Wybo, waarop de wapenschilden van de toenmalige wereldlijke en kerkelijke heersers zijn afgebeeld.

Sint-Pietersabdij

Een proosdij (in 1621 tot abdij verheven) van de augustijnen die hier actief waren vanaf het einde van de 11e eeuw tot 1797.

Van de abdij resten nu nog de Sint-Pieters(abdij)kerk, de duiventoren, de pastorie (voormalige abtswoning) en de kapelanij.

De abdij heeft 1093 als stichtingsdatum en was oorspronkelijk een kapel met een kapittel van seculiere kanunniken, gesticht door Filips van Loo, zoon van Robrecht de Fries, graaf van Vlaanderen. De kapel maakte deel uit van een versterking.

In 1119 verzocht de bisschop van Terwaan het kapittel om de regel van Augustinus aan te nemen. In 1220 kreeg de augustijnerabdij van paus Honorius III het recht om tienden te heffen op het grondgebied van Lo.

Na de beeldenstorm, onder het prelaatschap van Remi de Zaman (1604-1637), bloeide de gemeenschap opnieuw.

In 1797 verkochten de Franse revolutionairen de abdij en werd ze grotendeels afgebroken. De Sint-Pietersabdijkerk werd vanaf dan volledig ingenomen door de parochiegemeenschap.

De Sint-Pieterskerk

Een hallenkerk in neogotische stijl, vroeger een deel van de Sint-Pietersabdij.

In 1119 wordt reeds melding gemaakt van de kerk maar die wordt verschillende keren verbouwd.

Het oudste gedeelte, het gotische priesterkoor stamt uit de 13e eeuw. Tussen 1435 en 1496 werden de zijbeuken en het zuidertransept verder opgetrokken. Plundering in 1478, beeldenstorm in 1566 en een brand in 1580 maakten heropbouw noodzakelijk. Die gebeurde in dezelfde stijl.

In 1847 werd de abdiekamer die de parochiekerk afsloot van de abtskapel afgebroken.

Een neogotische toren verving de oude, romaanse vieringtoren (1866-1869).

De volgende heropbouw volgde na de verwoesting van de kerk in 1915 tijdens de Eerste Wereldoorlog.

De kerk bevat kerkmeubilair van hoge kwaliteit omwille van het houtsnijwerk. De sacristie wordt tot een van de mooiste van het land gerekend. De broodbank in renaissancestijl (na plechtigheden werd hier brood uitgedeeld aan de armen) ligt aan de noordzijde van het doksaal. Tussen de schilderijtjes, met de zeven werken van barmhartigheid, zijn musicerende engeltjes aangebracht.

In de kerk bevindt zich een achthoekige preekstoel (rococo) uit 1628 versierd met zes gebeeldhouwde bas-reliëfs die het leven van Petrus voorstellen.

Op het altaar in de linkerzijbeuk zijn in eikenhout de vijftien mysteries van Onze-Lieve-Vrouw uitgebeeld. Allen zijn van de hand van Urbain Taillebert.

De houten panelen van de doksaalwand zijn in rococostijl uitgevoerd.

De orgelkast is een barokke exemplaar.

Het houten hoofdaltaar (barok) is beschilderd om het op marmer te doen lijken. 

De duiventoren

Deze duiventoren werd in 1710 gebouwd op het domein van de Sint-Pietersabdij. De toren telt bovenaan 1132 hokjes waar duiven werden gehouden. Onder in de toren hield men andere dieren, zoals varkens.

Volgens de legende trok de toen pas gekozen abt Patricius Fraeys naar Rome. Zijn monniken vroegen hem of ze voor een verrassing mochten zorgen bij zijn terugkomst, wat deze toren bleek te zijn.

Een duiventoren kan duizenden duiven herbergen. Men vond ze vroeger bij kastelen, abdijen en herenhoeven. Het houden van duiven was middels het duivenrecht streng gereglementeerd, de aanwezigheid van een duiventoren was een teken van rijkdom. Heren mochten 1 koppel duiven houden per hectare grond die ze bezaten. Na de Franse revolutie werd het duivenrecht afgeschaft.

Het klooster van de grauwzusters

In 2007 kocht de stad het klooster. Sinds 2012 dient het als gemeentehuis.

Ook hier waren de grauwzusters aanvankelijk aanwezig om de pest te bestrijden. De grote pandemie dateerde van 1346 tot 1351 maar de pest bleef nog honderden jaren later hier en daar opduiken, eerder als een endemische ziekte in verschillende gebieden in Europa. En er waren nog bijzonder zware epidemieën.

In 1492 werd het klooster gesticht. Men kocht een huis en erf aan in de Zuidstraat te Lo in 1493, keizer Maximiliaan I gaf toestemming om er een kleine kapel, eetzaal, slaapplaats en toren met klok op te trekken.

Die toren was aanleiding voor een conflict tussen de proosdij (later Sint-Pietersabdij) en de grauwzusters: de proost vond de toren te hoog. Het kwam tot een rechtszaak waarbij de rechters beslisten dat de zusters hun toren ongewijzigd mochten behouden als ze ieder jaar met Pasen twee kippen schonken aan de proost. De toren werd in 1560 verbouwd, in 1579 verwoest en kleiner heropgebouwd.

Naast uitbreidingen in de 16e en 17e eeuw kreeg het klooster ook af te rekenen met schade en vernielingen tijdens godsdiensttroebelen in dezelfde periode.

In 1798 werd het klooster geconfisqueerd en verkocht door de Franse revolutionairen maar een vertrouweling van de zusters, oud-burgemeester J.B. Ryon, kocht de zwarte goederen zodat de zusters, na het concordaat (verdrag van 15 juli 1801, afgesloten tussen paus Pius VII en Napoleon Bonaparte) de gebouwen konden terugkopen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden het klooster en het 17e-eeuwse hospitaal beschadigd. Het hospitaal werd niet herbouwd, het klooster wel: de toren werd hoger opgetrokken naar het model van de stadhuistoren en de westvleugel werd historiserend gerestaureerd en aangepast.

Tijdens de honderden jaren dat de grauwzusters aanwezig waren in Lo verzorgden zij zieken aan huis en in het hospitaal en leerden zij meisjes kantklossen. Zij stichtten in 1763 een meisjesschool en in 1836 een jongensschool, als reactie op de inplanting van een gemeenteschool.

De Vatevijver

De Vatevijver van Lo werd voor het eerst op papier vermeld in 1404.

Een vate werd aangelegd om regenwater op te vangen, meestal in de onmiddellijke omgeving van de kerk. Dit was cruciaal bij de aanleg van een polderdorp, een omgeving waar veel brak, onbruikbaar water aanwezig is. De vate was tegelijkertijd een drinkwaterput, drenkplaats, watervoorraad om te wassen en bij brand.

Vrouwen zouden vroeger naar de Vatevijver trekken om de was te bleken. Het was er verboden om wol te wassen of zeepsop of andere vuiligheid er in te gieten.

Oldtimer Automuseum

Tempelare 12 (baan Ieper – Veurne), 8647 Reninge.

Een collectie van 95 oldtimers vanaf 1899 tot in de jaren ’70 plus een twintigtal een oude moto’s. Alles is mooi gedecoreerd met enkele oude publiciteiten alsook mannequinpoppen in de klederdracht van vroeger.

http://www.oldtimermuseum.be/

Militaire veldkeuken op de Gapaard

Romanestraat (hoek met N8 Veurne-Ieper), Lo-Reninge

Dit beschermd monument is een restant van de Belgische militaire oorlogsinfrastructuur achter de Belgische frontlinie. Een merkwaardig gebouwtje, de enige nog bewaarde bakstenen militaire keuken.

De militaire veldkeuken, die een keuken, een eetzaal en een voorraadkamer bevatte, is het laatste restant van het “Camp des Américains”, een kamp dat in 1917 gebouwd werd. Het bood onderdak aan één Belgisch infanteriebataljon (ca. 650 à 750 man). Het bestond uit 14 bakstenen slaapbarakken voor soldaten en onderofficieren. De officieren hadden een meer comfortabel verblijf in de omliggende boerderijen op de Gapaard.

Het weilandje waarop de veldkeuken staat en de bijbehorende waterput werden aangekocht door de Vlaamse Landmaatschappij. Zo kon de VLM het gebouw restaureren. In het gebouwtje zijn nu historische foto’s uit de “Groote Oorlog” opgehangen. Drie ijzeren kuipen waarin werd gekookt, worden nog opgesteld in de keuken. Naast de keuken geeft een stalen raamwerk het verdwenen deel van het gebouw weer.

Fintele

Fintele of De Fintele is een gehuchtje in Pollinkhove, anderhalve kilometer ten zuiden van het centrum van Pollinkhove, bij de samenvloeiing van de Lovaart en de IJzer, waar zich een schutsluis en overlaat bevinden. Ook de Grote Beverdijkvaart mondt hier uit.

Het gehucht ligt op de linkeroever van de IJzer, achter de Veurne-Ambachtsdijk, ten oosten van de Lovaart. De Fintele werd in 1994 beschermd als dorpsgezicht.

Geschiedenis Fintele

Op de linkeroever van IJzer werd in de loop van de 12de eeuw de Veurne-Ambachtsdijk aangelegd, die bescherming bood tegen het IJzerwater. Er werd een overtoom (de voorloper van een sas: een installatie om een schip over land van het ene in het andere water te trekken, om een peilverschil te overwinnen). Vermeldingen uit de 13de eeuw hebben het over een windas ter hoogte van de samenvloeiing. Deze moest boten over een dam van de ene naar de andere rivier hijsen. De naam Fintele zou dan afkomstig zijn van “Wind-ele”, samengesteld uit “Winde” (windas) en “-ele” (plaatsaanduiding).

Op de Ferrariskaart van de jaren 1770 telt de Fintele zo’n 35 huizen, langs beide kanten van de Lovaart. De Lovaart maakt op deze kaarten nog een scherpe oostelijke bocht voor de monding in de IJzer. In de jaren 1820 werd de Lovaart uitgediept en in Fintele rechtgetrokken. Die oude arm zou pas later in de 20ste eeuw worden gedempt. De overtoom verdween en een schutsluis werd gebouw. Het aantal inwoners van het gehucht daalde en was tegen de helft van de 19de eeuw gehalveerd.

Na de tweede wereldoorlog viel scheepstransport op de IJzer en Lovaart weg, het economisch belang van Fintele nam af en de bewoning daalde verder.

Bezienswaardigheden Fintele

Beschermd dorpsgezicht

Fintele heeft zich ontwikkeld tot een aantrekkelijk knooppunt voor fiets- en wandelrecreatie en gastronomie. De centrale open ontmoetingsruimte werd verrijkt met fietsenstalling en banken. Langs de oever werden aanlegsteigers voor boten en een rustpunt voor wandelaars aangelegd.

Overlaat

Een overlaat is een waterbouwkundige constructie om hoogwater te reguleren en zo kritieke waterhoogten te voorkomen.

Schutsluis

Een schutsluis of sas is een installatie die het mogelijk maakt om schepen van het ene naar het andere waterpeil te brengen. Een schutsluis bestaat uit een schutkolk of sluiskolk met aan beide zijden een sluisdeur.

Ophaalbrug

Een beweegbare brug die open gaat door rotatie om een horizontale as evenwijdig aan het water, met tegengewichten zodat het openen weinig energie vereist.

De Hooipiete

Een draaibrug liet sinds het einde van de 17de eeuw de landbouwers toe ter hoogte van Fintele de IJzer over te steken om het hooi uit de IJzerbroeken te halen en het vee naar de broeken te brengen. Broeken: laaggelegen land dat regelmatig overstroomt en ’s winters vaak langere tijd onder water staat, ongeschikt voor agrarische doeleinden behalve als graasland of hooiland in de drogere perioden.

Halfweg de 19de eeuw maakte de draaibrug plaats voor een demonteerbare brug die elke zomer werd opgebouwd en afgebroken. Deze ‘Hooipiete’ (piete is West-Vlaams voor wegneembare houten brug) moest ook bij elke passage van een schip met de hand worden opgebroken en teruggelegd. De toename van de pleziervaart en de zwaarder wordende landbouwvoertuigen zorgden ervoor dat de brug na de zomer van 1990 niet meer werd heropgebouwd. De Hooipiete staat nu opgesteld over een slootje in de weide naast restaurant De Hooipiete. 

Oude metalen brug

Langs de IJzer ligt een oude metalen brug, die zou zijn gerecupereerd van de oude arm van Lovaart.