De Kleine Mote

Hazebroek [25 km]

Office du tourisme, Stadhuis, Place du Général de Gaulle, +33 (0)3 28 43 44 37.

Hazebroek ligt bijna altijd ergens op de weg van of naar een of andere plaats in Frans-Vlaanderen. Ondanks een rijk verleden, valt er weinig te zien voor de doorsnee-toerist. Eigenlijk rest er enkel de laatgotische Sint-Eligiuskerk en het Augustijnenklooster.

Het is, buiten de agglomeratie van Duinkerke, de grootste stad in de Franse Westhoek en de hoofdplaats van het Houtland met een belangrijke centrumfunctie voor het omliggende gebied. Dit weerspiegelt zich vooral in een groot aantal scholen en een jaarlijkse landbouwbeurs.

Wat mossel noch vis: niet de beslotenheid van een oud Vlaamse stadje, niet het aanbod van een grote Franse stad zoals Rijsel of Duinkerke; enkel wat verstedelijking met de nieuwe wijkjes en wijken en hier en daar sporen van hoogbouw.

Geschiedenis

Het dorp werd in 1122 al genoemd als Hasbruc. Graaf Filips van de Elzas (1142-1191) schonk Hazebroek gemeenterechten, en in 1336 verkreeg het een keure.

Die keure is van toepassing op de ‘Maerct van Hasebrouc’ en bevat 150 artikelen – helemaal zonder orde en kennelijk gegroeid uit de praktijk – met diverse voorschriften over verkoop van wijn, bakken van brood, slachten, het afleggen van de eed, de avondklok, de regeling van de prijzen en noem maar op.

De stad maakte eeuwenlang deel uit van het graafschap Vlaanderen en was Vlaamssprekend tot in de 20ste eeuw.

Door zijn ligging tussen Frankrijk en Vlaanderen was het lang betwist gebied. Het werd in 1347 afgebrand door de Franse troepen, in 1436 geplunderd door de Gentenaars, in 1492 opnieuw platgebrand door de Fransen.

De onveilige situatie leidde tot veel emigratie. Veel Belgen, en ook enkele Nederlanders, dragen nog de naam “Van Haesebroeck”.

In 1678 (Vrede van Nijmegen) werd het definitief veroverd door de Franse koning op de Zuidelijke Nederlanden, die toen in Spaanse handen waren.

Op het oude stadhuis (dat afbrandde in 1801) stond een leeuw die een haas tussen zijn poten houdt, met opschrift “Parva sub ingenti” (de sterke beschermt de zwakke), het stelt het Graafschap Vlaanderen voor dat de stad Hazebroek beschermt. Het beeld staat nu op de gevel van het Musée de l’Abbé Lemire. Op het wapenschild van de stad prijkt een gelijkaardige symboliek.

Hazebroek Gemeentewapen

In de 16e eeuw werden de kanalen van Hazebrouck aangelegd om Hazebroek met de Leie te verbinden. Deze kanalen hebben tegenwoordig voor de scheepvaart geen betekenis meer. De kades zijn verdwenen.

In 1790 won de plaats definitief aan belangrijkheid toen het arrondissementshoofdplaats werd bij de nieuwe verdeling van het territorium door de eerste republikeinse regeringen.

In de 19e eeuw ontwikkelde het stadje zich tot een spoorwegknooppunt, te beginnen in 1848 met de lijn van Rijsel naar Duinkerke en de opening van Station Hazebrouck. Dit stimuleerde de textielindustrie en omstreeks 1900 telde Hazebroek vier weverijen die werk verschaften aan 1000 personen.

In 1926 verloor Hazebroek haar titel van onderprefektuur ten voordele van Duinkerke (dat het overigens al was voor zijn gebied) maar Hazebroek behield als hoofdplaats van het kanton, het kantongerecht

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het spoorwegknooppunt vanaf 1941 aangevallen door geallieerde bommenwerpers, waardoor een deel van de stad zwaar beschadigd werd. Nabij de St-Elooiskerk staat een monument (door Félix-Alexandre Desruelles) ‘Overwinning biedt de vrede aan’, ter nagedachtenis van de doden.

Wat verder staat ook een zonnewijzer ter nagedachtenis van de doden die vielen tijdens het Duits bombardement van 13 en 14 december 1917, toen vielen 18 doden en 26 gewonden. De zonnewijzer zou op de exacte plaats staan waar enkele priesters gedood werden. Dit monument werd op 11 november 1925 ingewijd, door Abbé Lemire en Maréchal Foch.

Merkwaardigheden

Stadhuis

In 1801 brandde het in Vlaamse Renaissance-stijl opgerichte stadhuis met belfort van 1589, dat midden op de markt stond, uit.

In de plaats werd, van 1807 tot 1820, het huidige protserige gebouw in Empirestijl opgericht. een ‘uniek gebouw’: met zijn twaalf zuilen en zijn fronton detoneert het sterk in stad en streek.

Hazebroek stadhuis

Abbé Lemire, een merkwaardig persoon.

Jules Lemire (1853-1928) was pastoor, burgemeester en volksvertegenwoordiger. In zijn woning (naast de St Elooikerk) is na zijn dood het Musée de l’Abbé-Lemire ondergebracht.

Hazebroek, woning Lemire

Lemire groeide op in een boerengezin in Oud-Berkijn, een dorpje bij Hazebroek. Hij volgde onderwijs aan het klein seminarie “Franciscus van Assisi” in Hazebroek. Een van zijn leermeesters was hier de politiek geëngageerde priester Jacques Dehaene, die het klein seminarie in 1865 was gestart en tot 1881 leidde.

Na beëindiging van het seminarie wordt Jules Auguste Lemire werkzaam in hetzelfde seminarie, aanvankelijk als begeleider, later als hulponderwijzer. In 1878 ontving Lemire de priesterwijding en kreeg een aanstelling als onderwijzer aan het klein seminarie van Hazebroek; hij onderwees de eerste jaren filosofie. Na de pensionering van Jacques Dehaene in 1881 gaf hij onderwijs in retorica.

In 1893 onderbrak Lemire zijn werk als onderwijzer. Hij stelde zich kandidaat voor de Franse parlementsverkiezingen namens de christen-socialisten. Hij werd gekozen en overwon daarbij een conservatieve generaal. In de verkiezingsjaren 1898, 1902, 1906, 1910 en 1914 werd Lemire steeds herkozen.

Kern van Lemires denken was de verzoening van volk en Kerk. Hij was een overtuigd democraat die als een der eerste katholieken voor de scheiding van Kerk en Staat stemde en zodoende pleitten vóór de toen nog in conservatieve kringen omstreden Republiek. Hij accepteerde de republiek onvoorwaardelijk als staatsvorm.

Lemire beschouwde de scheiding van Kerk en staat als een voorwaarde om de verantwoordelijkheid van Kerk en gelovigen gestalte te geven. Hij was van mening dat het kerkelijk leven zich niet uitsluitend binnen de muren van de kerkgebouwen zou moeten afspelen, maar ook en vooral daarbuiten. Hij vond daarbij grote inspiratie in de encycliek Rerum Novarum (1891).

Lemire was één van de “abbés démocrates” die pleitten voor een sociaal bewogen clerus, een clerus die zich zou inzetten voor verbetering van de vaak in bittere armoede levende bevolking. Hij was een vriend van priester Daens.

Tussen 1875 en 1914 raakten de Franss steden overbevolkt, door de plattelandsvlucht steeg de populatie er van 12 naar 18 miljoen. De huisvesting van de arbeiders was erbarmelijk, de volksgezondheid was in gevaar, onder meer door uitbraak van TBC.

In die periode ontstaat het idee van sociale huisvesting. Niet noodzakelijk uit menslievendheid, maar om de geboortecijfers weer op te krikken (de familie als hoeksteen van de maatschappij stond onder druk) en om het socialisme te bestrijden (zoals Jules Sigfried, stichter van de Société française des Habitations à Bon Marché zei: “Celui qui possède ne veut pas abattre l’ordre existant“.)

Zo ijverde Lemire voor de ‘hoven der werklieden’, een leer die hij ‘terrianisme’ noemde en die vooropstelde dat de overheid aan ieder gezin een eigen stukje te bewerken grond moest verschaffen. Om dit doel te bereiken stichtte hij de “Ligue Française du Coin de Terre et du Foyer” (1897) en was hij de animator van het ‘Congrès des jardins ouvriers’ (1903).

Hij voerde ook campagne voor de wet-Ribot (1908) die het verwerven van een ‘kleine eigendom’ zou mogelijk maken door de oprichting van de ‘sociétés régionales de Crédit’, deze verstrekten goedkope leningen, tot 80% van de aankoopprijs, voor het verwerven van een gezonde woning of een lap grond om zelf te bewerken.

Hij hielp ook andere wetten erdoor te krijgen die mijlpalen waren in de sociale vooruitgang, zoals die welke de kinderarbeid beperkten of het aantal werkuren voor vrouwen verminderden en hulp voorzagen voor zwangere vrouwen. Hij ageerde voor de invoering van kindergeld, voor het landbouwpensioen, voor volkstuintjes en tegen de doodstraf.

Lemire was een overtuigd Vlaming die menige redevoering in het Vlaams hield en zich inzette voor de taal en cultuur van de Westhoek, In het parlement kwam hij herhaaldelijk op voor onderwijs van het Nederlands in Frans-Vlaanderen. Hij kwam ook verschillende keren persoonlijk in kontakt met Gezelle.

Ondertussen stond Lemire steeds meer bloot aan kritiek uit zijn eigen aartsbisdom Kamerijk.  Lemire gaf zijn eigen tijdschrift “Cri des Flandres” uit, dat in 1910 door bisschop Delamaire wegens modernisme werd gekritiseerd. In 1914 kwam het tot een open conflict met bisschop Charost van Rijsel: omdat Lemire weigerde het kerkelijk bevel op te volgen om te kiezen tussen zijn priesterschap en de volksvertegenwoordiging, werd hem verboden de Mis op te dragen en de sacramenten toe te dienen; de lezers van “Cri des Flandres” werden gedreigd met onthouding van de absolutieverlening.

Ondanks de druk vanuit zijn diocees, kandideerde Lemire opnieuw voor een parlementszetel. Hij werd ook deze keer herkozen. Enkele weken later werd Lemire bovendien burgemeester van Hazebroek. In 1916 werd dit verbod opgeheven door Paus Benedictus XV.

Lemire bleef burgemeester  tot zijn overlijden in 1928. In 1917 werd hij opgenomen in het Legioen van Eer voor zijn houding tijdens de Eerste Wereldoorlog. In 1918 organiseerde hij de evacuatie van de stad. Hij maakte zich zeer verdienstelijk tijdens de naoorlogse wederopbouw, mede door de oprichting van een hypotheekbank, een ziekenhuis en de elektrificatie van Hazebroek. Onder zijn impuls opende in 1927 het Musée des Augustins.

In zijn woning is na zijn dood het Musée de l’Abbé-Lemire ondergebracht.

Stadspark

Rue de l’Eglise, Hazebrouck

Het park werd einde jaren ’20 van de 20e eeuw ingericht op initiatief van Jules Lemire, teneinde de mensen die geen tuin bezaten toch de gelegenheid te geven zich in het groen te ontspannen. Hij stierf echter in 1928, toen het park nog niet voltooid was.

Op 14 april 1929 werd het park geopend en toen werd ook een gedenkteken onthuld voor Lemire, gebeeldhouwd door Felix Desruelles.

hazebroek monument Lemire stadspark

In 1969 kwam er ook een beeld van Pomona uit 1892 naar het park. Oorspronkelijk stond ze bij de Hallen als ornament van een fontein maar toen de hallen gesloopt werden, werd het beeld -zonder fontein- overgeplaatst naar het park.

Volgens Ovidius (in zijn  Metamorphosen) was Pomona een Boomnimf die in Latium woonde, op de Palatijnse heuvel. Geen andere Nimf was zo bedreven in de omgang met planten, of toonde meer zorg voor de groei en bloei van bomen. Met haar kapmes snoeide ze takken, of kerfde in de bast om een ent op vast te zetten, en sproeide de wortels met levenschenkend water. Planten en bomen waren haar lust en leven. Om mannen gaf ze niet en ze weerde elk contact met hen af.

Vele Satyrs probeerde uit wellust de mooie Nimf te verleiden maar allen werden afgeweerd en dropen met de staart tussen hun benen af.

Vertumnus was een god van de herfst, die vooral de boomgaarden bewaakte en een rijke overvloed van vruchten schonk. Hij bezat de gave om de meest verschillende gedaanten aan te nemen, en wist een meisje of een knaap, een krijgsman of een jager, een visser of een herder, een dienaar van Bacchus of een door Apollo met geestdrift bezielde zanger op de meest natuurlijke wijze voor te stellen.

Die Vertumnus werd echt verliefd op Pomona, en gebruikte vele vermommingen om haar hart te veroveren. Zo vermomde hij zich eens als een stoere landman, dan weer wond hij vers hooi tussen zijn haren, of droeg een zweep in handen waardoor het leek of hij juist zijn land had geploegd.

Hij sloeg uiteindelijk een gekleurde doek om zijn hoofd terwijl hij steunde op een stok, en deed zo een oude vrouw na om in contact met Pomona te komen. Zo uitgedost riep hij tegen haar: ‘Jij bent de mooiste appel’. Na dit compliment kuste hij Pomona, zoals een oude vrouw nooit zou kussen, en ging in het gras zitten.

Hierbij viel zijn oog op een oude olm waar een wijnrank steun tegen zocht, en zei hij tegen de Pomona: ‘Kijk, als die boomstam niet gehuwd was met de wijnstok zou hij hooguit nog aandacht trekken door zijn groene loof. En die wijnstok die nu op hem steunt zou zijn geknakt, als hij niet gehuwd was. En toch wil jij niet leren van het voorbeeld van die boom! Je wilt je niet aan iemand binden, je ontvlucht de liefde! Toe, wees verstandig en kies een goede man.’

Als je naar deze oude vrouw wilt luisteren kies dan voor een bruidegom die niet als iedereen is, neem Vertumnus. Hij zwerft niet op goed geluk door de wereld, maar koestert deze rijke grond. Hij is niet als de meeste vrijers, en jij zult zijn eerste en laatste liefde zijn. Begrijp zijn hartstocht, doe alsof hij hier mijn mond gebruikt om jou te smeken wat hij wil, en hoed je voor de wraak der Goden. Aphrodite is afkerig van kille harten, terwijl Nemesis haar wraakzucht nooit vergeet! En om je extra bang te maken zal ik je iets vertellen wat heel Cyprus weet, en wat ook jou wat minder wreed zal stemmen.’

Vervolgens vertelt de ‘oude vrouw’ het verhaal van Anaxarette, hoe ook zij de liefde buiten de deur hield, en door de Goden werd gestraft die haar in een rotsblok veranderden.

Zodra Vertumnus was uitgesproken zegt hij tegen de aandachtig luisterende Nimf: ‘Dus lieve Pomona, toon geen starre trots, smeek ik je! Kies de man die jou bemint, dan zal geen nachtvorst ooit je vruchtenknoppen bederven, en geen snelle wind je bloemen teisteren.’ Hierna wierp Vertumnus zijn vermomming af en toonde zijn ware gedaante aan Pomona. Pomona had hierna geen verdere dwang meer nodig en werd net als Vertumnus door liefde geslagen.

De laatgotische Sint-Eligiuskerk (St Elooi)

Square St Eloi et, Rue de l’Église, Hazebrouck

Het oudste overblijfsel uit het verleden dat Hazebroek te bieden heeft.

In 1432 werd een kerk gebouwd die echter in 1492 afbrandde. Op de restanten van deze kerk werd (1520-1555) een nieuwe kerk gebouwd. In 1532 werd deze voorzien van een 77 meter hoge toren. De opengewerkte spits van deze toren, 32 meter hoog, werd zwaar beschadigd in 1940 door Duitse granaten. Pas in 1994 werd deze hersteld. Het koor heeft een oud houten gewelf met een Vlaamse tekst van 1497.

Een driebeukige hallenkerk met voorgebouwde toren en enkele zijkapellen: de Sint-Sebastiaankapel, een 16e eeuwse kapel in flamboyante gotiek, gewijd aan de patroon van de schutterij; en de Sint-Annakapel (17e eeuw), gewijd aan de patrones van de rederijkers.

Bij de zijdeur aan de noordkant is een fraaie collektie metserstekens, er is o.m. een dubbele adelaar en, schetsmatig, een meer dan levensgrote Vlaamse leeuw; die tekens werden pas in 1928 ontdekt bij restauratiewerken.

St elooikerk Hazebroek (voor de oorlog)

Binnen is het uitermate donker, te wijten is aan de glasramen die na de tweede wereldoorlog geplaatst werden en waarvan de donkere tinten niet afgestemd zijn op het al niet zo heldere interieur.

Het kerkmeubilair omvat een beeld van O.L.V.-van-Zeven-Weeën uit 1680, een 17e eeuws koorgestoelte, een 17e eeuws tabernakel, een 18e eeuwse preekstoel, een lambrisering in rococostijl, verguld smeedijzeren doophek (18e eeuw), een 18e eeuws doopvont in barokstijl, een doksaal en orgelkast van 1697, een 16e eeuwse Heilig Grafgroep, kruiswegstaties van 1920 door Lucien Jonas. Van de schilderijen kan een Kruisafneming worden genoemd, geschilderd in 1809 door Nicolaas Ruyssen, naar een werk van Caravaggio.

Vlaamse teksten zijn in overvloed te vinden: onder twee heiligenbeelden (Cornelius en Rochus), op een balk uit 1497, onder twee schilderijen en verder op mooie grafstenen van Ludovicus Cleenewerck en Henry De Broere.

De kerkschat van de Sint-Elooiskerk werd ondergebracht in het Musée de Augustins. Naast religieuze smeed- en beeldhouwkunst gaat het om schilderijen: een boschiaanse Bekoring van Sint-Antonius toegeschreven aan Marcellus Coffermans en een Sint-Augustinus van Alonso López de Herrera.

De beiaard, bestaande uit 35 klokken, werd in 1955 geschonken door een Nederlander, Jacques Marie Corneille Mijnlieff van Haesebroeck.

Van zijn Hazebroekse voorouders vocht een zekere graaf Roland op kruistocht in 1189 tegen de Bulgaren; burggraaf Johan zou zich in 1302 rond Wassenaar bij Den Haag vestigen en daar het nog bestaande gehucht ‘Groot Haesebroeck’ stichten.

Op de 15 grootste klokken staan de namen van zijn voorvaderen, afkomstig uit Hazebroek. Op de basklok de naam van zijn zoon.

Aan de hoofdingang staat – in steen gebeiteld – een Franse en Nederlandse inscriptie die herinnert dat de Jacques Mynlieff van Haesebroeck de stad een karillon schonk ter nagedachtenis aan zijn zoon Johannes Gerardus, overleden in een concentratiekamp bij Bremen in 1944, alsook aan alle mensen die – ongeacht de nationaliteit – in de tweede wereldoorlog de dood vonden.

In het stadhuis ligt de tekst van de overeenkomst die gesloten werd tussen de burgemeester en de schenker. Zo moet iedere 23 oktober, sterfdag van Johannes Gerardus, een beiaardkoncert gehouden worden, alsook op iedere 31 augustus, geboortedag van prinses Wilhelmina.

Augustijnenklooster

5 Rue des Augustins, Hazebrouck

Kloostergebouw (1616) in Vlaamse renaissance met reeds overgangselementen naar de barok. U-vormig, met het binnenplein geopend naar de Place Georges Degroote. De westelijke vleugel heeft een trapgevel, de oostelijke een volutengevel.

Bij een trapgevel wordt de versmalling van de gevel opgevuld door treden. Bij de rolwerkgevel (of volutengevel) wordt deze versmalling opgevuld met klauwstukken, rolwerken, gebeeldhouwde beelden en soms met treden maar dan inmengeling met de eerder genoemde aspecten.

Het gebouw biedt onderdak aan het Musée des Augustins en aan de bibliotheek van het Comité flamand de France. Dit Comité werd opgericht op 10 april 1853 door Edmond de Coussemaker. Deze sociëteit van wijzen heeft tot doel de Vlaamse cultuur (geschiedenis, literatuur, musicologie, architectuur, taal…) in Frans-Vlaanderen (wijken Duinkerken, Lille en Douai) te bestuderen en te verspreiden. Het Comité is nog steeds actief.

Kapucijnenklooster

Een voormalig klooster. In de gebouwen werd in 1865 een kleinseminarie, gewijd aan Sint-Franciscus, gevestigd dat bestaan heeft tot 1973. Vervolgens kwam het Collège Saint-Jacques in het gebouw. De kapel werd gerestaureerd van 2000-2003, maar in 2008 werd een groot deel van het gebouw verwoest door brand. Het altaarstuk, voorstellende het Mirakel van de muilezel naar een schilderij van Van Dyck, werd gered. Tussen 2009 en 2010 werd de kapel weer naar oorspronkelijke staat gerestaureeerd.

Le cimetière Saint Eloi

Rue de la Paix, Hazebrouck

Ten zuiden van de stad ligt het Sint Eligius (of Sint Elooi) Kerkhof.

Op 15 augustus 1566 werd deze plek getroffen door het begin van de beeldenstorm:  vijf- tot zeshonderd Walen en Vlamingen kwamen er samen om alle kruisen omver te werpen, na de prediking door Jacques de Buzere .

Moderne Onze-Lieve-Vrouwekerk

2 Rue du Contour de l’Église, Hazebrouck

Een rooms-katholiek kerkgebouw, gebouwd in 1897 als tweede kerk van Hazebroek, voor de wijk Nouveau-Monde; vernield tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Een nieuwe, moderne, kerk werd ingezegend in 1959, naar ontwerp van Philippe Joseph. Het is een gebouw in strakke baksteenarchitectuur met een losstaande kerktoren. De zaalkerk heeft een hoog interieur, overkluisd door een bakstenen tongewelf.

Heilig Hartkerk

28 Rue du Sacré Cœur, Hazebrouck

Een voormalig kerk, gebouwd in een wijk die werd bevolkt door textielarbeiders die werkten bij de weverij aan de Rue de Merville. De kerk werd ingezegend in 1912, maar in 2015 werd hij gesloten omdat een deel van het dak was ingestort en er geen geld was voor herstel. Het is een simpel kerkje voorzien van een deels houten dakruitertje.

Paleis van Justitie

Rue André Biebuyck, Hazebroeck (achter het stadhuis)

Hazebrouck palais de justice

Het justitiepaleis is gebouwd in 1894 naar ontwerp van Van Den Bulcke. De benedenverdieping is in zandsteen. Het ontwerp is sterk eclectisch met een neogotische ingangspartij en neorenaissance vensters van de zijvleugels, om het gebouw te laten harmoniëren met de naastgelegen burgerhuizen.

Het fronton werd vervaardigd door Georges Turck en symboliseert het recht en de wet. In het interieur is de grote gerechtszaal van belang, welke via een indrukwekkende trap betreden wordt.

Musée des Augustins

5 Rue des Augustins, 59190 Hazebrouck, +33 3 28 43 44 46

Het museum werd opgericht in 1927 onder impuls van pastoor, burgemeester en volksvertegenwoordiger Jules Lemire.

Een belangrijke focus van het museum zijn (de bescheiden collectie van) Vlaamse meesters uit de 16e en 17e eeuw, met werk uit de ateliers van Rubens, Van Dyck en Teniers. Er hangt een Martelaarschap van Sint-Sebastiaan uit het atelier van Antoon van Dyck en een Pan en Syrinx van Peter Paul Rubens en Jan Wildens. Frans Francken (II) is vertegenwoordigd met een markttafereel en een Sabijnse Maagdenroof.

Een andere sectie toont Franse schilders uit de 19e en 20e eeuw (het academisme van William-Adolphe Bouguereau, de School van Barbizon met Théodore Rousseau).

Ook lokale schilders komen aan bod. Lucien Jonas maakte een muurschildering over De val van de tiran. Aan César Pattein is een zaal gewijd. En van Nicolas-Jozef Ruyssen -een authentieke Hazebroekenaar die onder Georges III tekenleraar van de Engelse prinsessen was- worden doeken, tekeningen en koperdrukken (naar Rafaël) tentoongesteld.

Ruyssen is trouwens om een andere reden een interessant figuur: onrechtstreeks hebben wij het wereldvermaarde trappistenbier van Westvleteren aan hem te danken.

Een galerij van het museum is ingeruimd voor de kerkschat van de lokale Sint-Elooiskerk. Naast religieuze smeed- en beeldhouwkunst gaat het om schilderijen: een boschiaanse Bekoring van Sint-Antonius toegeschreven aan Marcellus Coffermans, en een Sint-Augustinus van Alonso López de Herrera.

De volkskundige afdeling toont de oude refter der paters en een gereconstrueerde Vlaamse keuken met koper-, aarde- en tinwerk. Ook de lokale reuzen zijn er te zien (Roland van Hazebroek van zijn familie: Tisje Tasje en Toria, Babe Tisje en Zoon Tisje).

https://www.ville-hazebrouck.fr/decouvrir-hazebrouck/patrimoine/le-musee-des-augustins/

De lanceersite voor V1-raketten

Een oververblijfsel uit de Tweede Wereldoorlog, gelegen in het Bois des Huit-Rues op de grens van de Noord-Franse gemeenten Moerbeke en Waalskappel.

De basis werd in 1943 aangelegd door de nazi-bezetter om van daar uit V1-projectielen af te vuren op Londen en Zuid-Engeland. De basis werd door de geallieerden zodanig gebombardeerd in het kader van de Operation Crossbow dat van daar uit geen enkel projectiel kon worden afgevuurd.

De V1-basis bevindt zich in een bos en is altijd publiek toegankelijk. Hier en daar staan informatieborden. De basis ligt langs de Route de Wallon Cappel, Morbecque, Frankrijk

GPS-informatie 50.7068850 2.4906830