De Kleine Mote

Belle (Bailleul) [13 km]

Office de Tourisme, 3 Place Charles de Gaulle, 59270 Bailleul, Frankrijk +33 (0)3 28 49 23 79

contact@coeurdeflandre.fr

www.coeurdeflandre.fr

Belle

Geschiedenis

Op de Ravelsberg werden gesneden vuurstenen gevonden, wat getuigt van de aanwezigheid van prehistorische mensen.

In de Romeinse tijd werd de streek bewoond door de Morinen, een Belgische bevolkingsgroep (de naam is van oorsprong Keltisch en verwijst naar de zee) en door de Cattes, een Germaanse stam (wat de namen Mont des Cats en Mont Cassel zou verklaren; een strijd van Godoald, kapitein van de Cattes, vond plaats op een plaats die nu Godewaersvelde heet).

Belle bestond waarschijnlijk al in die Romeinse tijd: het is gelegen langs de heirweg van Cassel naar Wervik en opgravingen op de Mont de Lille (1820) brachten sporen van vestingwerken en medailles met de beeltenis van de keizers Nerva, Trajanus en Domitianus aan het licht.

Eén versie is dat de stad zou gesticht zijn door een kolonie Belgen die verdreven werd uit Bavay toen Julius Caesar oorlog voerde met de Nerviërs. Een andere versie wil dat de stichter een kapitein van de Cattes was, Bellem genaamd en dat hij de stad zijn naam gaf.

De stad werd verwoest door de Franken in 420 en bleef twee eeuwen onbewoond, tot Lyderic er een nieuwe vestiging sticht.

In de negende eeuw liet Karel II de Kale de steden van Vlaanderen versterken door graaf Boudewijn met de IJzeren arm (eerste graaf van Vlaanderen) en die bouwt het kasteel van Bailleul. De Noormannen werden aanvankelijk afgeslagen maar keerden talrijker terug en verwoestten het kasteel in 882.

In 1177 krijgen de burgers van Belle het recht om een belfort bouwen en in 1249 volgt de keure –de groeiende macht van de burgerij is het logische gevolg van de economische bloei die, zoals in zovele steden in Vlaanderen, te danken is aan de productie van laken uit Engelse wol. Men herkende laken uit Belle aan zijn kleur (rood) en aan zijn merk: een zon of een lelie.

De stad werd doorheen haar geschiedenis meerdere keren verwoest: in 420 door de Franken, in 882 door de vikings, in 14e en 15e eeuw door de Fransen en de Engelsen, in de 16e eeuw door de Spanjaarden, enkele keren door een ongelukkige brand, en voorlopig de laatste keer door de Eerste Wereldoorlog.

De Belle-brant (8 mei 1681) werd beschreven door een ooggetuige: Frans De Springer (1623 – 1688), fabrikant van twijngaren en gemeenteraadslid uit Belle, auteur van “Den Belle-brand Of Het Kort Begrip Van De Voorvallen Der Stad Belle (van Haeren Oorsprong Af Tot Heden)”. Die brand ontstond in een brouwerij in de Ieperstraat en vernietigde de stad bijna volledig: het stadhuis, het belfort, de St Vaast kerk, de Jezuïetenkerk, de kloosters van de Zwarte zusters, Grauwzusters, Capucijnen en Jezuïeten, 488 huizen, 14 brouwerijen,… Er waren 23 slachtoffers.

Eeuwen politieke onrust zorgden voor het economisch verval: de lakenproducenten zochten andere oorden op, samen met talrijke Calvinisten trokken ze naar het noorden (Holland en Zeeland) en tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568 tot 1648) ontvolkte de gehele Westhoek.

In de 17e eeuw verving het kantklossen de lakennijverheid. In 1664 werd in Belle een kantklosschool opgericht en in de 18e eeuw volgde de aardewerkindustrie. In het begin van de 20e eeuw stond Bailleul bekend om de spinnerijen en textielfabrieken, het met de hand gefabriceerde kant, en de fruit- en bloementeelt in kassen.

Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, op 8 oktober 1914, wordt Belle ingenomen door de Duitsers maar op 15 oktober heroveren de Britten het. Gedurende 3 jaar is Belle een van de frontsteden, een achterhoedebasis voor de geallieerde legers die in de buurt van Ieper vechten. In maart – april 1918, tijdens de Slag aan de Leie, nemen de Duitsers Belle een tweede keer in. In een paar dagen tijd wordt de stad volledig platgebombardeerd door de artillerie van beide kampen.

Bezienswaardigheden

Voordat de stad Bailleul (Belle) in 1918 volledig verwoest werd, vormde de rechthoekige Grand’Place (Grote Markt) het centrum van de stad. Het plein was omgeven door talloze winkeltjes: klokkenmaker, juwelier, kruideniers, schoenlappers, graan- en zaadverkoper, bakkers, kleermakers, kapper, fotograaf, drogist, ijzerwaren, speelgoedzaak…

Voor de wederopbouw kiest de stad het project van Louis-Marie Cordonnier: dit project staat het behoud van de oorspronkelijke indeling voor, met een wederopbouw van de belangrijkste monumenten en verbrede straten die leiden naar de Grand’Place.

Wat de architectuur betreft, valt de keuze op de neo-Vlaamse stijl, geïnspireerd op een aantal panden in Brugge. De belangrijkste kenmerken van deze Vlaamse architectuur zijn de gotische spitsbogenstijl, de sterke aanwezigheid van trapgevels en het intensieve gebruik van het plaatselijke bouwmateriaal bij uitstek: de baksteen. De stijl zal toegepast worden op openbare gebouwen, privépanden, en zelfs op sommige gevels van fabrieken, waardoor de stad een geheel nieuw aangezicht krijgt.

Grote Markt en Belfort

De Grote Markt, in typisch Vlaamse architectuur, is charmant: mooie huizen, het stadhuis in neo-Vlaamse stijl, een imposant belfort met een klokkentoren van 62 meter met 35 klokken. Het belfort kan bezocht worden.

Belle

Het belfort van laag naar hoog: op de begane grond de gotische zaal, ter hoogte van het balkon het kantoor van de burgemeester, hierboven de archiefzaal die voorheen de beroemde ‘oorkondes’ bevatte, en ten slotte onder de omloop de klokken. Het carillon met 35 klokken is gehuisvest in de top. Elk kwartier galmt er een Vlaams deuntje door de stad.

Bovenop het belfort staat Melusine, bewaakster van Bailleul. De meermin Melusine is  belast met het waarschuwen van de stad voor gevaar. Volgens een legende uit de Poitevin viel Melusine als jong meisje ten prooi aan hekserij: op zaterdag veranderde ze in een wezen dat half vrouw en half slang was. Toen haar echtgenoot haar geheim ontdekte, gilde ze en verdween. Later keerde ze terug als geest en dwaalde door de gracht van haar mans kasteel als kwaad haar gezin bedreigde, en krijste om hem te waarschuwen voor gevaar.

Het meest opmerkelijke element van het stadhuis is het bordes met de loggia. Hier kondigden de vertegenwoordigers van de magistraat verordeningen of belangrijke evenementen aan. In een iets hogere nis staat een beeld van Notre-Dame de Foy, beschermheilige van huis en haard.

Notre-Dame de Foy

De zesde juli 1609 gaat Gilles de Wanlin, houthakker uit Sorinnes, een oude eik met een omtrek van 6 voet vellen in het bos van Foy (in de buurt van Dinant, Prinsbisdom Luik). Hij doet dat in opdracht van Innocent de Limoir, een binnenschipper uit Dinant. Die had de eik gekocht van Baron de Celles om te gebruiken voor zijn boten.

Toen de boom was geveld, bleek deze wormstekig en dus onbruikbaar te zijn. Er werd besloten om er brandhout van te maken.

Bij het hakwerk ontdekt Gilles de Wanlin, tot zijn verbazing, in het hart van de boom, een ​​klein beeldje van de Maagd Maria met het Kindje Jezus op haar rechterarm, drie roestige ijzeren staven, kleine kristallijne steentjes en een haarvlecht. Helaas had hij het hoofd van de Maagd en de linkerhand van haar Zoon afgehakt.

De dienstmeid van de nabij gelegen hoeve waste het beeldje en plakte de stukken aan elkaar. Het beeldje werd teruggeplaatst in een nabijgelegen eikenboom.

In 1616 vond de eerste wonderbaarlijke genezing plaats. Beetje bij beetje kwamen de pelgrims massaal samen en gebeurden er veel wonderen.

In 1618 liet Baron de Celles in Foy een kapel bouwen. Op 21 november 1618 (het feest van Maria Presentatie) werd de kapel feestelijk ingezegend door pater abt van Leffe.

Er volgde een canoniek onderzoek en in 1619 werden de wonderen erkend: het beeldje werd wonderbaarlijk verklaard. Op 27 juli van dit jaar gingen aartshertogen Albert en Isabelle op pelgrimstocht naar Foy.

In 1627 werden er meer dan tweehonderd wonderen toegeschreven aan de kleine Madonna.

Een vlugschrift van een Jezuïet uit Dinant verhaalde de ontdekking van het beeldje. De Sociëteit van Jezus verspreidde deze tekst in de hele wereld, met in bijlage een stuk hout van de boom waarin het beeld van de Maagd was verborgen.

Dit paste helemaal in de geest van de contrareformatie: de jezuïeten moedigden de verering van heiligen door beelden aan, als antwoord op de strenge protestantse leer en de beeldenstorm van eind 16de eeuw.

Sindsdien werden uit het hout van de twee eiken waarin het beeld was gehuisvest, vele Maria beeldjes gesneden en de cultus van Notre Dame de Foy verspreidde zich wereldwijd.

Er werden steden naar de madonna genoemd (zoals Santa Fe in Uruguay en de stad Sainte-Foy in Québec). Er kwamen op vele plaatsen vereerde beelden van Notre-Dame de Foy: in België (Kortenbos, Poperinge, Kortrijk, Diksmuide, Gilly, Graty, Jemeppe-sur-Sambre, Lombise, Marcinelle, Loupoigne, Martouzin, Oisy, Pondrôme); in Luxemburg (Kelhen) en in Frankrijk (Etaples, Bailleul, Coutiches, Gravelines, Merville, Vaudricourt, Picpus van Parijs en Amiens, Notre-Dame de la Treille van Lille).

Het beeldje van de Madonna van Foy is gotische van vorm. Het moet rond 1400 in Utrecht zijn gemaakt. Vermoedelijk kwam het via een Nederlandse koopman naar de regio Dinant waar een vrome katholiek het in een holte van de eik geplaatst moet hebben, beschermd door drie tralies. Naarmate de boom groeide, raakte het beeldje ingekapseld.

Het originele beeldje kan nog steeds bewonderd worden in de prachtige barokke kerk van het Heiligdom Notre-Dame de Foy bij Dinant.

Fontein

De openbare fontein werd in 1844 aangelegd om het chronische watertekort van de stad te verlichten. Het water werd gewonnen vanaf de Zwarteberg en werd zonder mechanische tussenkomst, door gebruik te maken van het principe van de communicerende vaten, naar het centrum van Bailleul te gebracht. Acht zuilen voorzagen de bedrijven en inwoners van voldoende water.

Oorspronkelijk stond de fontein voor de jongensschool, dichtbij waar nu de watertorens staan, tegenover de St Vaastkerk. Maar school en fontein werden in 1919 vernietigd. In 1932 werd de fontein identiek opgebouwd maar heeft nu enkel een symbolische functie.

Watertoren

Belle, watertorens

Twee watertorens van beton met kantelen doen middeleeuws aan, als stadspoort en donjon.

De eerste watertoren werd gebouwd in 1882 tegen de gevel van de St. Vaastkerk en valt onder de bombardementen van 1918.

In 1921 wordt op het hoogste punt van de stad een nieuwe watertoren opgetrokken die ook huizen met meerdere verdiepingen van water kan voorzien. De tweede toren wordt in 1961 toegevoegd. Het water komt uit de heuvels van de Artois, op 40 kilometer afstand van Bailleul.

Het Présidial

Place Plichon, Bailleul, France

Het enige openbare gebouw in Bailleul dat de verwoesting van de Eerste Wereldoorlog overleefde.

Het is de de vroegere rechtbank van de baljuw. Die werd opgetrokken in 1776 (Frans klassieke stijl). Een gevolg van de Vrede van Utrecht (1713) die annexatie van Ieper en zijn burggraafschap aan het Huis van Oostenrijk bekrachtigt, zodat de Présidial (de door de baljuw voorgezeten rechtbank, bevoegd voor heel ‘Frans-Vlaanderen langs de kust’ ) moet verplaatst worden.

Sint-Vaastkerk

Place du Cardinal Achille Liénart, Bailleul

In de 17e eeuw stond hier een driebeukige hallenkerk met achter de kerk, een openbare tuin, ontmoetingsplaats van de plaatselijke bevolking. De kerk werd tijdens de bombardementen van 1918 verwoest.

In 1932 werd een nieuwe kerk ingewijd, een eclectische bakstenen basilicale kruiskerk met elementen uit de neoromaanse en neobyzantijnse stijl, en ook kenmerken van art deco in de orgelkast, Egyptische kunst in de kapitelen en biechtstoelen, en kunst uit Ravenna in het gebruik van mozaïeken.

Sint-Amanduskerk

Rue de la Gare, Bailleul

De oorspronkelijke Sint-Amanduskerk, een jezuïetenkapel uit de 17e eeuw, stond achter de Sint-Vedastuskerk maar werd door oorlogsgeweld verwoest in 1918.

De huidige bakstenen kerk in expressionistische baksteenstijl werd gebouwd in 1931. Elementen uit de Vlaamse renaissance zoals trapgevels.

Mediatheek

22 bis Rue d’Ypres, 59270 Bailleul, Frankrijk

Waar vóór 1914 de meisjesschool en de kostschool Les Dames de Saint Maur stonden, wordt met de wederopbouw een jongensschool gebouwd.  Al bij de voltooiing in 1926 wordt dit gezien als een van de grootste successen van de Wederopbouw, vier aparte gebouwen rond een tuin: het schoolgebouw, het badhuis en twee woonhuizen.

Het schoolgebouw met de monumentale gevel van 45 meter ligt van de straat af. Door een schaduw- en lichtspel komt de gele baksteen goed naar voren. Het vooruitgeschoven centrale stuk staat in verbinding met het badhuis, waarin nu de mediatheek van de stad gevestigd is. Het badhuis was zowel toegankelijk voor de leerlingen als voor de wijkbewoners die zelf geen badkamer hadden, een modernistisch streven van de gemeenteraad van die dagen om van de Wederopbouw te profiteren om de volkshygiëne te verbeteren.

EPSM

790 Route de Locre, 59270 Bailleul, Frankrijk

Het gesticht van Bailleul, gebouwd in 1863 in een park van 45 hectaren, ontving oorspronkelijk ‘waanzinnige’ vrouwen. In het begin van de 20e eeuw huisvest het gesticht zo’n 1.600 vrouwen en wordt beschouwd als een van de mooiste instellingen in Europa.

Tijdens de oorlog worden de patiënten verzorgd door 70 nonnen en ander vrouwelijk personeel. De Engelse legers die het gebouw vorderen, profiteren van de badinstallaties: zwembad, badkuipen, douches… in ruil voor steenkolen en zeep. De was van de troepen wordt gewassen en gestreken in het gesticht. De vergoeding voor deze diensten bestaat uit chocolade, sinaasappels, koekjes, boter en eieren.

In april 1918 wordt het geëvacueerde hospitaal volledig verwoest. De wederopbouw begint in 1922 en voorziet in meerdere paviljoens, geschaard rond een centraal gebouw. De eerste patiënten keren terug naar het gesticht tussen 1926 en 1932. Pas in de jaren 70 wordt de instelling opengesteld voor mannelijke patiënten.

Het psychiatrisch ziekenhuis bestaat voort onder de huidige naam Etablissement Public de Santé Mentale des Flandres (openbaar instituut voor geestelijke gezondheidszorg).

Ecole dentellière

Rue du Collège, Bailleul, France +33 (0)3 28 41 25 72

Kantklossen is een oude traditie in Bailleul die haar oorsprong vindt in 1664. In Bailleul werd voornamelijk Valenciennes kant gemaakt, met linnenslagen en doorlopende draden, een zeer bestendige kantsoort.

Na de Eerste Wereldoorlog pikt de vereniging ‘Le Retour au Foyer’ het onderwijs in het klossen van Valenciennes kant opnieuw op en laat een school bouwen. Er worden wedstrijden georganiseerd en jonge kantwerksters uit Bailleul behoren tot de beste leerlingen van Frankrijk. Tegenwoordig geeft men alleen nog maar les in het maken van Torchon kantwerk, een mooi kant met eenvoudige geometrische motieven.

De school werd in 1925 gebouwd, een van de sponsors van de bouw was de Amerikaanse advocaat en filantroop William Nelson Cromwell. Het gebouw heeft een opmerkelijk neo-Vlaams karakter: gele baksteen, trapgevels, ruitvormige ramen, muurijzers, uitspringend dak en kozijnen. Een wapenschild van natuursteen op de gevel toont een jonge kantwerkster aan het werk en een spinnewiel. Het opschrift ‘Le Retour au Foyer’ refereert aan de vereniging die het kantklosonderwijs nieuw leven inblies.

De kantklosschool is toegankelijk voor bezoekers die de geschiedenis van kant in Bailleul en de verschillende technieken willen ontdekken of willen profiteren van een initiatie.

Gratis bezoek van dinsdag tot en met zaterdag van 13.30 uur tot 17.00 uur en donderdag tot 19.30 uur (behalve op feestdagen).

https://www.ville-bailleul.fr/index.php/Ecole-de-dentelle?idpage=261

Museum van Benoit Puydt

24 Rue du Musée, 59270 Bailleul, Frankrijk + 33 (0)3 28 49 12 70

Kunstvoorwerpen uit de Vlaamse cultuur van de 15e tot de 19e eeuw in de elegante setting van een woonhuis.

Het museum werd in 1861 samengesteld uit een legaat, geschonken door de rijke verzamelaar Benoît De Puydt aan zijn geboortestad. Latere schenkingen van kunstenaars en -liefhebbers zetten de bijzondere charme van dit museum kracht bij.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog blijft het museum open voor militairen en speciale gasten, die het de bijnaam ‘Le Petit Cluny’ geven, naar het Musée de Cluny (middeleeuwse kunst) in Parijs.

In maart 1918 verhuizen twee militaire trucks een klein deel van de collectie naar Normandië maar naar schatting 70% van de collectie gaat verloren als het gebouw verwoest wordt door de bombardementen tijdens de Leie slag. Dankzij de oorlogsschadevergoeding is de verzameling gereconstrueerd.

Om verloren gegane schilderijen leven: er hangen panelen, met de afmetingen van de oorspronkelijke werken en de nauwgezette beschrijvingen door de conservator dd 1881. Zo kan iedereen zich een beeld vormen van deze ‘spookschilderijen’.

Oorlogsmonument

Rue Saint-Amand, Bailleul, France

Dit monument herdenkt de inwoners van Bailleul die zijn omgekomen in de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871) en de Eerste en Tweede Wereldoorlog en de oorlogen in Indochina (1946-1954) en Algerije (1954-1962).

Het staat op de plaats van de vroegere Sint-Amanduskerk. Architect Barbotin bouwde het monument van bouwmaterialen uit de ruïnes van de belangrijkste monumenten van de stad (belfort, kerken St. Vaast en St. Armand). Een levenskrachtige, gevleugelde Victorie stijgt op uit de verwoesting (beeldhouwer Camille Debert) met stenen van de in de oorlog verwoeste kerken en belfort.

Brits monument

Rue de Cassel, Bailleul, France

Het Britse monument werd gebouwd op verzoek van de Londense War Office, in nagedachtenis aan de Britse 25e Divisie die ten koste van zware verliezen bijdroeg aan het standhouden van het front van het Heuvelland tussen 1915 en 1918.

Op de zijden van het monument staan de namen van de eenheden van de divisie, de veldslagen waaraan zij deelnam, in nagedachtenis van de 13.290 mannen die er sneuvelden. De blazoenen van Groot-Brittannië en Bailleul, met het Oorlogskruis dat de stad op 7 juni 1921 tijdens de onthulling van het monument ontving, staan er ook op.

Bailleul Communal Cemetery Extension

Bailleul Communal Cemetery Extension werd in oktober 1914 in de buurt van de gemeentelijke begraafplaats aangelegd om Britse, Franse en Duitse militaire slachtoffers een laatste rustplaats te geven.

De hospitaalstad Bailleul ontvangt tijdens de opeenvolgende slagen bij Ieper veel gewonden van de slagvelden. Eind 1915 wordt deze militaire begraafplaats uitgebreid met plaats voor meer dan 4.500 slachtoffers, voornamelijk Britten en soldaten uit landen van het Britse imperium, zoals Australië, Nieuw-Zeeland, Canada en India.

Na de wapenstilstand in 1918 worden de graven van kleine militaire begraafplaatsen rond Bailleul overgeplaatst naar het Communal Cemetery Extension en de houten kruisen worden vervangen door witte grafstenen. Aan de zuidoostkant van de begraafplaats omgeven twee indrukwekkende kapellen, die op Griekse tempels lijken, de Herdenkingssteen met het opschrift: Their name liveth for ever more.

Een kleinere Britse begraafplaats, Outtersteene Communal Cemetery Extension, ligt in een gehucht van Bailleul en bevat 1.397 graven.

Conservatoire Botanique Nationale de Bailleul

Aghtgemeteelst Drève, Hameau de Haendries, 59270 Bailleul, +33 3 28 49 00 83

Dit instituut (één van de elf dergelijke Franse instituten) werd opgericht in 1991 en dient voor de bescherming van de inheemse flora. Het is gevestigd in een oude Vlaamse boerderij en omvat een botanische tuin van 9000 m² waarin diverse biotopen aangelegd zijn, er is ook een herbarium, een zaadbank en een bibliotheek. De tuin is toegankelijk voor het publiek.

https://www.cbnbl.org/

Motteburcht in gehucht Outtersteene

Een motte is een geheel of gedeeltelijk kunstmatige heuvel met een regelmatige vorm en steile zijden, die gewoonlijk door een droge of natte gracht omgeven wordt.

De afmetingen van de motteheuvel varieerde gemiddeld tussen 20 en 100 meter diameter; de hoogte kon tussen 3 en 20 meter bedragen. De aarde voor de heuvel werd dikwijls verkregen door het uitgraven van een gracht rond het bouwwerk.

De constructie heeft tot doel de op zijn afgeplatte top staande versterkingen beter te verdedigen en de omgeving te beheersen.

De meest voorkomende verschijningsvorm van een mottekasteel bestond uit twee gedeelten, een hoofdburcht en een of meer voorburchten. Beide waren gebouwd op kunstmatige heuvels die meestal waren omgeven door een gracht en een houten omwalling die later vaak werd vervangen door een stenen muur.

Op de hoogste motteheuvel (de opperhof) werd een donjon, kasteel, burcht of een ander verdedigingswerk aangelegd. Deze motteheuvel met zijn toren vertegenwoordigde het residentiële (adellijke) en militaire karakter van de plaats.

Verder bestond het mottekasteel uit een of meer lager gelegen voorburchten (de neerhof). Hier stonden de nutsgebouwen met soms een kapel of het eigenlijke woonhuis van de heer in het geval dat de donjon alleen als noodverblijf werd gebruikt. De neerhof vertegenwoordigde dan het dagelijkse leven.

Deze versterkingsvorm wordt traditioneel een ontstaan toegedicht ergens aan het eind van de 10e eeuw, in de gebieden tussen de Rijn en de Loire.

Dit was de ijzeren eeuw: het Karolingische Rijk viel uiteen, men kreeg invallen van de Vikingen te verduren, het jaar 1000 werd gevreesd als het einde der tijden. De politieke versnippering werd dermate groot dat de inwoners onvoldoende bescherming werd geboden, vooral tegen invallen van Vikingen en Magyaren. Omdat het Karolingische leger te log was om te reageren op de snelle invallen van de Vikingen en de Saracenen werd de defensie lokaal georganiseerd rond motteburchten die snel en goedkoop te bouwen zijn.

Geleidelijk ontstaat zo een ‘krijgerselite’: de krijgsheer zorgt voor de bescherming van een commerciële of economische plaats (vaak een dorp), de plaatselijke bevolking vindt heil bij plaatselijke krijgsheren, met als gevolg dat het koninklijk gezag verder afkalft: de banale revolutie (het ontstaan van lokale banale heerschappijen die de vorstelijke macht verzwakten).

De motte wordt een dominant element in de ruimtelijke organisatie van het jaar 1000. Daar ontstonden de steden. De creatie van lokale banheerlijkheden of seigneuries banales had immers ook tot gevolg dat mensen veel efficiënter geëxploiteerd konden worden, het hele landschap werd door nu aangepast: venen en moerassen werden drooggelegd, bossen gerooid en woeste gronden ontgonnen, stukken van de zee werden ingepolderd.

Met het verdwijnen van het centrale gezag strijden feodale krijgsheren onder elkaar voor veer territorium en meer macht. De vele oorlogjes waren een oorzaak van aanhoudende onveiligheid voor boeren en handelaren, maar ook voor de talrijke geestelijkheid in abdijen en kloosters. De Godsvredebeweging die uitging van de Abdij van Cluny was een poging deze veiligheid te herstellen, door in verschillende geheiligde perioden van het jaar, zoals de Advent en de Vasten, maar ook op verschillende feestdagen van de vele heiligen gevechtshandelingen te verbieden.