De Kleine Mote

Inhoud / Content / Contenu

Oorlogsmonumenten

Algemeen

Door monumenten en gedenkplaten op te richten wil men iets overleveren of herdenken: informatie over personen of gebeurtenissen maar ook normen en waarden. De redenen waarom we dingen gedenken zijn altijd emotioneel van aard.

Na de Eerste Wereldoorlog richtte België monumenten op voor oud-strijders en burgers, helden en martelaren die aan het front vochten, gefusilleerd of gedeporteerd werden. Door hun roemrijke dood verheerlijken de strijders de vrede en/of de overwinning.

Monumenten moesten helpen bij het rouwproces, zin geven aan zovele doden en toekomstige generaties vertellen over degebrachte offers.

Gaat het in zo’n geval om vredes- of oorlogsmonumenten? Dragen ze bij tot het in stand houden van gevoelens van haat en wraak of getuigen ze integendeel van het feit dat oorlog geen abstract iets is en bieden ze hoop op een betere wereld waarin dergelijke gruwel niet langer mogelijk is?

Opvallend dat er weinig nieuwe monumenten opgericht werden voor de gesneuvelden van de Tweede Wereldoorlog. Hun namen werden meestal toegevoegd op monumenten ter nagedachtenis van de Eerste Wereldoorlog. Als er al gedenktekens voor de Tweede Oorlog zijn, dan werden die in de meeste gevallen opgericht voor de slachtoffers van misdaden tegen de menselijkheid: gefusilleerden, gedeporteerden en slachtoffers van concentratiekampen.

https://www.klm-mra.be/D7t/sites/default/files/alsstenenkondenspreken.pdf

In Flanders Fields (J. McCrae)

Het gedicht ‘In Flanders Fields’ van John McCrae is een van de meest beklijvende herinneringen aan WO I. De ’Poppies’ of klaprozen zijn het symbool van de oorlog geworden. Ze groeien waar al het andere dood is en bij voorkeur waar alles is omgewoeld.

In Flanders fields

In Flanders fields the poppies blow

Between the crosses, row on row

That mark our place; and in the sky

The larks, still bravely singing, fly

Scarce heard amid the guns below.

We are the Dead. Short days ago

We lived, felt dawn, saw sunset glow,

Loved, and were loved, and now we lie

In Flanders fields.

Take up our quarrel with the foe:

To you from failing hands we throw

The torch; be yours to hold it high.

If ye break faith with us who die

We shall not sleep, though poppies grow

In Flanders fields.

Vertaling Rachel Schaballie (1919)

Vlaanderens hart bloedt in zijn kollebloemen open, tussen de kruisjes door, die, rij naast rij geplant, het simpel teeken zijn, waaronder wij steeds hoopen, dat onze milde dood de vree werd voor dit land.

Bij rooden dageraad volgden wij in het blauwe den zoeten leeuwerik, wiens jubel werd gestoord door schroot en vloek en klacht. Tot men ons kwam houwen en op dit Vlaamsche veld ons streven werd gesmoord.

Vertaling Tom Lanoye (2000)

In Vlaamse velden klappen rozen open
Tussen witte kruisjes, rij op rij,
Die onze plaats hier merken, wijl in ’t zwerk
De leeuweriken fluitend werken, onverhoord
Verstomd door het gebulder op de grond
Wij zijn de doden. Zo-even leefden wij.
Wij dronken dauw. De zon zagen wij zakken.
Wij kusten en werden gekust. Nu rusten wij
In Vlaamse velden voor de Vlaamse kust.
Toe: trekt gij ons krakeel aan met de vijand.
Aan u passeren wij, met zwakke hand, de fakkel.
Houd hem hoog. Weest gíj de helden. Laat de doden
Die wij zijn niet stikken of wij vinden slaap noch
Vrede – ook al klappen zoveel rozen open
In zovele Vlaamse velden.

John McCrae

Geboren in Canada in 1872. Hij neemt vrijwillig dienst als arts voor de Boerenoorlog (1899-1902). In 1901 neemt hij ontslag uit het leger maar begin augustus 1914 meldt hij zich opnieuw als vrijwilliger.

In 1915 werkt Lieutenant Colonel John McCrae of the Canadian Army Medical Corps als militaire arts  in een verpleegpost te Boezinge. De 2de Slag bij Ieper woedt en op 22 april 1915 wordt voor het eerst een Duitse aanval met chloorgas gelanceerd. Als zijn goede vriend en landgenoot luitenant Alexis Helmer sneuvelt (op 2 mei 1915, na de ontploffing van een granaat tijdens de tweede Duitse gasaanval) verzorgt McCrae zelf de uitvaart van zijn vriend omdat er geen aalmoezenier aanwezig is. Daar spreekt hij het gedicht ‘In Flanders Fields’ uit, rouw en oorlogstrauma zijn de inspiratie. McCrae gooit het papier weg waarop hij het gedicht schrijft. Een collega-officier vindt McCrae’s notities en stuurt ze naar verschillende Londense tijdschriften. Het gedicht verschijnt voor het eerst in het magazine Punch en ontroert de Britse bevolking meteen.

Kort nadat hij het gedicht schrijft, krijgt hij een andere opdracht: hij wordt hoofd van de medische diensten in het Canadese veldhospitaal in Frankrijk. Men behandelt er de gewonden van de veldslagen bij de Somme, Vimy Ridge, Arras en Passendale.

In de zomer van 1917 heeft John McCrae last van astma-aanvallen en bronchitis. Zijn ziekte is hoogstwaarschijnlijk het gevolg van het chloorgas dat hij inademt tijdens de Tweede Slag bij Ieper.

Op 23 januari 1918 wordt McCrae in het ziekenhuis opgenomen. Hij sterft op 28 januari 1918 aan de gevolgen van een longontsteking waarbij een hersenvliesontsteking hem uiteindelijk fataal wordt. Hij ligt begraven op de gemeentelijke begraafplaats van het Franse Wimereux. Zijn paard “Bonfire”, leidde de begrafenisstoet, volgens militaire traditie zijn meesters laarzen omgekeerd in de stijgbeugels. De grafsteen van McCrae is liggend geplaatst.

Canadese herdenkingstekens.

Kemmel [2 km]

Wijtschate [8 km]

Mesen [8 km]

Ploegsteert [10 km]

Bailleul [12 km]

Ieper [15 km]

Boezinge [20 km]

Zillebeke [15 km]

Zonnebeke [20 km]

Langemark (Sint-Juliaan) [25 km]

Houthust (Klerken) [35 km]

Diksmuide [45 km]

Nieuwpoort [50 km]

Vimy (Lens) [60 km]

Canadian National Vimy Memorial

Route des Canadiens, Neuville-Saint-Vaast France

Het monument staat op het hoogste punt van de heuvelrug, in de oorlog Hill 145 genoemd op het slagveld van de Slag om Vimy Ridge.

In 1924 begonnen de voorbereidende plannen en in 1925 begon de bouw van het monument, wat 11 jaar zou duren. De architect, Allward, was op zoek gegaan naar een geschikte steen voor zijn ontwerp, die hij uiteindelijk vond in het Paleis van Diocletianus. Die kalksteen was afkomstig van een steengroeve nabij Seget in Kroatië. Door moeilijkheden bij het houwen en de transport duurde het tot 1927 eer de eerste lading steen aankwam en pas vanaf 1931 kwamen de grotere stenen voor de menselijke beelden toe.

Het monument zelf rust op een fundering van 11.000 ton beton, versterkt met honderden ton staal. De voet van het monument en de twee kolommen bevatten bijna 6.000 ton kalksteen. De 20 beelden werden ter plaatse gehouwen.

Het monument bestaat uit een voetstuk met daarop twee hoge pylonen.

De voorste muur is ruim 7 meter hoog en stelt een ondoordringbare verdedigingsmuur voor. Aan beide uiteinden van de muur bevindt zich aan de voet van de trappen een figuur, zuidelijk de ‘Breaking of the Sword’ en noordelijk de ‘Sympathy of the Canadians for the Helpless’. Centraal staat boven op de muur een beeld van een vrouw gehuld in een mantel, neerkijkend met gebogen hoofd. Beneden haar staat op de grond een sarcofaag met een brodiehelm en een zwaard. Deze vrouw is ‘Canada Bereft’ of ‘Mother Canada’, een verpersoonlijking van de jonge Canadese natie die treurt om haar doden.

Centraal op het voetstuk van het monument staan twee pylonen, zo’n 30 meter hoog. De ene draag het esdoornblad van Canada, de ander de Fleur de lis van Frankrijk. Boven op de pylonen bevinden zich een aantal figuren. De voornaamste zijn ‘Justice’ en ‘Peace’, met daaronder ‘Hope’, ‘Charity’, ‘Honour’ en ‘Faith’ aan de oostzijde en ‘Truth’ en ‘Knowledge’ aan de westzijde. Beneden tussen de twee pylonen bevindt zich de ‘Spirit of Sacrifice’.

Naast de trappen aan de achterkant bevindt zich een beeld van een treurend ouderpaar, een vader en een moeder, elk aan een kant van trap. Op de buitenmuur van het monument zijn 11.285 namen ingeschreven van Canadezen die sneuvelden in Frankrijk, maar wiens graf onbekend is.

Voor de inhuldiging van het monument in 1936, de Vimy Pilgrimage, stelde de Canadese regering een speciaal gratis Vimypaspoort ter beschikking aan de pelgrims. Op 16 juli vertrokken van Montreal vijf lijnboten naar Frankrijk. Zo’n 6.400 mensen kwamen per schip uit Canada; ruim 1.300 Canadezen kwamen uit Engeland. Het monument werd officieel onthuld op 26 juli 1936 door Edward III, in zijn hoedanigheid van Koning van Canada, in aanwezigheid van de Franse president Albert Lebrun.

In 1939 groeide de Canadese bezorgdheid over het monument omwille van de groeiende dreiging van nazi-Duitsland en enige tijd na het uitbreken van de oorlog viel het dan ook in Duitse handen. In Canada en het Verenigd Koninkrijk gingen geruchten de ronde over de vernieling van het monument, wat uiteindelijk door de Duitsers werd ontkend. Pas in september 1944 werd het weer bevrijd en was men zeker dat het onbeschadigd was.

https://www.veterans.gc.ca/eng/remembrance/memorials/overseas/first-world-war/france/vimy

Monument voor de Frans-Marokkaanse Divisie bij Vimy

Op de heuvelkam is ook een bescheiden monument geplaatst ‘ter nagedachtenis aan (…) de officieren, onderofficieren en soldaten van de Marokkaanse divisie, eervol gesneuveld op deze plek op 9, 10 en 11 mei 1915’.

Voordat de Canadezen de heuvelrug van Vimy in april 1917 op de Duitsers heroveren, hebben andere soldaten er twee jaar eerder al voet gezet. Ze kunnen echter geen stand houden wegens onvoldoende steun van de artillerie en gebrek aan versterking. Deze ‘voorlopers’ zijn zoeaven en Marokkaanse tirailleurs met hun rode zoeavenmutsen en pofbroeken. Zij worden in de Marokkaanse divisie vergezeld door vrijwillige strijders uit 52 verschillende landen uit het Vreemdelingenlegioen.

Op de ochtend van 9 mei 1915 breekt de Marokkaanse divisie door de Duitse linies. De soldaten doorkruisen het bos en belanden aan de voet van de heuvelrug van Vimy. Om hun voortgang te volgen en het artilleriegeschut af te stellen, zijn vierkante lappen witte stof op de rug van hun jassen genaaid. Ideale doelwitten voor de Duitsers die hen van terzijde gadeslaan. Daarbij komt nog dat de artillerie munitie te kort komt en de versterking maar niet opdaagt. Het bevel tot terugtrekken valt tegen de avond. De Marokkanen moeten het overwonnen terrein afgeven met zware verliezen.

De tirailleurs van de Marokkaanse divisie behoren tot de bijna 820.000 tijdens de Eerste Wereldoorlog gemobiliseerde soldaten uit de Franse kolonies en protectoraten. 636.000 mannen worden naar Frankrijk gestuurd als soldaat of sjouwer. Van de 449.000 strijdende rekruten komt het merendeel uit Algerije (150.000), Tunesië (39.000) en Marokko (34.000). 70.000 slachtoffers rusten in Franse aarde.

De schilden aan de voet van het monument bewijzen de eer aan andere buitenlandse strijders uit het Franse leger, afkomstig uit Griekenland, Soedan en Tsjecho-Slowakije.