De Kleine Mote

Oorlogsgeschiedenis

De Frontlijn

In de westhoek: IJzerfront & Ieperboog

In België liep het front vier jaar lang door West-Vlaanderen: het liep van de duinen en stranden in Nieuwpoort langs de IJzer over Diksmuide, via het kanaal Ieper-IJzer richting Ieper  waar het oostelijk in een boog omheen liep (de Ieperboog of de Ypres Salient). Het passeerde Wijtschate en Ploegsteert (de Wijtschateboog of de Messines Ridge). Vandaar liep het verder door het Noord-Franse heuvelland.

De onderwaterzetting van de IJzervlakte in 1914 hield in die noordelijke Westhoek (vanaf Driegrachten tot Nieuwpoort) de Duitse opmars tegen.

De heuvelrug is voor de Duitsers de enige weg naar de kanaalhavens Duinkerke en Calais en de strijd is bikkelhard en meedogenloos. De geallieerden verdedigen de heuvels kost wat kost, Britse en Franse troepen slagen erin de Duitsers tot stilstand te brengen. Uitgeput van de zware gevechten en met de winter voor de deur, graven de vijandelijke legers zich in en de bewegingsoorlog wordt een loopgravenoorlog.

oorlogsgeschiedenis
Ieperboog (Salient)

Het kaartje van de Ieperboog (Salient) toont in de volle lijn de frontlijn tijdens de Eerste Slag bij Ieper in 1914 en in de onderbroken lijn het verplaatste front in de richting van Ieper tijdens de Gasaanval van 1915

Herinneringsbomen

Er was nood aan een duidelijke wijze om het frontgebied en met name de eerste ingegraven frontlijnen of gevechtslinies, in het huidige landschap leesbaar te maken voor de bezoeker.

Op die wijze krijgt ook het begrip ‘Niemandsland’ vorm en inhoud, zeker wanneer blijkt dat de beide frontlijnen jarenlang op minder dan 30 meter van elkaar verwijderd bleven.

Als merkteken voor de eerste frontlijnen werd gekozen voor 130 hoogstammige bomen, steeds voorzien van een boomkorf, aangeplant op plaatsen waar de belangrijkste, meest langdurige eerste frontlijnen geschikte terreinen dwarsen of doorsnijden.

Geïnspireerd door het kleurgebruik op de geallieerde frontlijnkaarten, zijn de boomkorven op de Geallieerde frontlijn voorzien van een blauwe bovenrand, de boomkorven op de Duitse frontlijn van een rode bovenrand.

Er werd gekozen voor de olm, ‘Ulmus lutece’. Olmen waren immers de meest algemene boomsoort in het begin van de 20ste eeuw, die ook in het frontlandschap alom tegenwoordig was. Door de aanplanting van (dit nieuwe, resistente ras van) de olm, wordt op symbolische wijze deze belangrijke soort in ere hersteld.

In de Apple App Store en Google Play Store kan je gratis de mobiele applicatie Ypres salient 1914-1918 Trees downloaden .

Westelijk front

Het westfront in de Eerste Wereldoorlog was 750 km lang, van de Belgische kust (Nieuwpoort), door Frankrijk tot aan de Zwitserse grens (Belfort). Tussen 1914 en 1918 veranderde het verloop van het westfront nauwelijks, het bestond aan beide zijden voornamelijk uit loopgraven. Aan de ene kant ‘de geallieerden’: de triple entente Frankrijk, Rusland, Verenigd Koninkrijk aangevuld met ondermeer Servië, Montenegro, Japan, Italië, Portugal, Roemenië, Griekenland, Verenigde Staten, China, Brazilië, Panama.  Aan de andere kant het Duitse Keizerrijk.

Oostelijk front

Het oostfront in de Eerste Wereldoorlog was het toneel van oorlogshandelingen tussen de Centralen (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Ottomaanse Rijk, Bulgarije) en Rusland. In tegenstelling tot het westfront, dat in een patstelling stond, was het oostfront relatief beweeglijk.

Oostelijk Front – situatie 1917

Demarcatiepalen

Over de hele lengte van het westelijk front, van de Noordzee tot aan de Zwitserse grens, werd “de verste Duitse opmars” in de jaren 1922-1925 op de belangrijkste punten aangeduid met ‘demarcatiepalen’:

Inauguration de la première borne Vauthier Chateau-Thierry

Het idee en het ontwerp komt van de Franse beeldhouwer en oud-strijder Paul Moreau-Vauthier (vandaar: borne Vauthier). Het zijn granieten zuiltjes van ongeveer een meter hoog met bovenaan een (een Franse, Belgische of Britse) helm  op een lauwerkrans. Op de zijden komt de naam van de frontsector; de tekst “Ici fut arrêté l’envahisseur” en ” Here the invader was brought to a standstill” en verschillende soldatenattributen zoals veldfles, gasmasker,  Britse munitiezak aan gekruiste koppelriemen; op de hoeken staat een handgranaat met palmtak. In België staan de drie types: die met Belgische adrianhelm met een leeuwenkop, die met Franse adrianhelm en het opschrift RF en die met de Britse brodiehelm.

Oorspronkelijk was het de bedoeling om 240 demarcatiepalen te plaatsen (een lijst opgesteld door Maarschalk Pétain) maar de financiering door de Touring Club slaagt maar gedeeltelijk en er komen er slechts 118, 22 in België en 96 in Frankrijk. Vandaag resten er nog 19 in België en 78 in Frankrijk.

De Duitsers richtten, tijdens WW2, een speciale Trophäenbrigade op die alle monumenten of herinneringen aan de Duitsers uit Wereldoorlog I moest vernietigen of weghalen. Enkele demarcatiepalen werden vernietigd, op andere werd de tekst “Ici fut arrêté l’envahisseur” weggebeiteld (enkele palen ontsnapten, zoals die van Ramskapelle en Oud-Stuivekenskerke). Na de oorlog werd de verdwenen tekst terug op de beschadigde gedenkstenen gebeiteld, ditmaal in het Nederlands “Hier werd de overweldiger tot staan gebracht”.

De noordelijkste demarcatiepaal van het westfront is te vinden in Nieuwpoort-bad nabij de linkeroever van de havengeul. De zuidelijkste demarcatiepaal van de Westhoek bevindt zich in Loker.

Op ROUTEYOU staat een fietstocht (74 km) die de 19 nog overgebleven demarcatiepalen in België verbindt. De route start in Nieuwpoort en eindigt in Loker, vlak bij de Franse grens. Bij benadering rijdt men dus langs het front van de eerste Wereldoorlog.

https://www.routeyou.com/nl-be/route/view/1007605/fietsroute/the19demarcationstones
Er is ook een “Large” versie van deze route (129 km), die voor een mooie terugrit zorgt, die zo gekozen is dat men flink kan doorrijden om zo de totale afstand op één dag te kunnen afleggen.

https://www.routeyou.com/nl-be/route/view/1022241/racefietsroute/the19demarcationstoneslarge

Gasaanvallen

In de Eerste Wereldoorlog werd gas chemisch wapen gebruikt. Voornamelijk mosterdgas, ook yperiet, genoemd naar de Belgische stad Ieper (in het Frans Ypres), waar in de nabijheid het gas op grote schaal werd ingezet door de Duitsers en de geallieerden en talloze slachtoffers maakte.

Het Franse leger zette, als eerste, gifgas in en wel op 23 augustus 1914 bij Mülhausen (Mulhouse) in de Duitse Elzas. Dit gebeurde op bescheiden schaal, het gas was te snel vervlogen en de Duitse soldaten merkten er niets van.

Het Duitse leger voerde op 31 januari 1915 de eerste grote gifgasaanval uit, aan het Oostelijk Front, bij het plaatsje Bolimow. Toen vuurden de Duitsers 18.000 gifgasgranaten af op het Russische leger. Dit was geen succes: het ging slechts om traangas en, omdat het te koud was, verdampte het gas niet maar viel simpelweg als vloeistof op de grond valt. Op 20 april 1915, twee dagen voor de Slag om Gravenstafel, werd bij Nieuwpoort voor het eerst mosterdgas ingezet.

Op 22 april 1915, in de buurt van Steenstrate (nabij Houthulst) lieten de Duitsers in de namiddag, bij gunstige wind, 150 ton dodelijk mosterdgas ontsnappen uit 5730 gascilinders. Een enorme geelgroene gifwolk dreef vervolgens over de Franse loopgraven. De Franse troepen, territoriale zoeaven, werden meteen bevangen door het gas. Dit was de eerste en enige tactisch succesvolle gasaanval uit de Eerste Wereldoorlog, het verrassingseffect was weg.

Franse veteranen richtten in 1929 een gedenkteken op in Steenstrate, ter herdenking van de eerste grootschalige aanval met chloorgas. Op het monument stond gebeiteld “Aux morts du 418e Reg. d’Infanterie et aux premières victimes des gaz asphixiants”. Het monument werd op 8 mei 1941 door de Duitse bezetter opgeblazen.

Geschiedenis Ypres Salient

Van oktober 1914 tot oktober 1918 bevond het slagveld van de Eerste Wereldoorlog zich op luttele kilometers van het Ieperse centrum. De loopgraven lagen van noord naar zuid in een boog rond Ieper. In die fameuze Ieperboog of Ypres Salient werden maar liefst vier bloedige veldslagen uitgevochten.

Eerste Slag om Ieper (19 oktober – 22 november 1914)

  • Slag om Langemark – 21 oktober 1914

Het 26e Duitse reservekorps bestaat voornamelijk uit vrijwillige studenten, zonder enige militaire opleiding. Het Britse korps bestaat uit doorgewinterde beroepssoldaten. De Duitse soldaten vallen aan en worden afgemaakt door de Britten. De Duitsers houden dit vier dagen vol, winnen geen meter grond, en verliezen bijna al hun manschappen.

Op het ‘Deutscher Soldatenfriedhof’ in Langemark liggen ruim 44.000 Duitsers begraven, van wie bijna 25.000 in een massagraf.  Meer dan 3.000 studenten-vrijwilligers vonden hier hun laatste rustplaats, de begraafplaats kreeg daarom de naam ‘Studentenfriedhof’.

  • Geluveld – 29 oktober 1914

Het Duitse 13e Beierse reserve-infanterieregiment, waarbij Adolf Hitler dient, doet een tweede poging door te breken nabij Geluveld. Op 31 oktober 1914 veroveren ze Geluveld maar verliezen daarbij meer dan de helft van hun manschappen. De volgende dag nemen ze Mesen en Wijtschate in. Na drie dagen moeten ze de gevechten staken, de Britten trekken zich terug ter hoogte van Zillebeke.

  • Ieper – 11 november 1914

De Duitsers vallen opnieuw Ieper aan via Menen. Ze zijn met hun 18.000 manschappen duidelijk in de meerderheid, maar kunnen de 8000 Britten die hun de toegang ontzeggen niet verslaan. De volgende dag valt de eerste sneeuw, de manschappen graven zich in en bereiden zich voor op de komende winter.

Het Duitse oppercommando besluit op 22 november 1914 het offensief te staken. Ze schieten de stad kapot, maar kunnen haar niet uit handen van de Britten krijgen.

Hill 60, een bebost heuveltje nabij Ieper, wordt op 10 december 1914 toch nog door de Duitsers ingenomen. Door deze uitkijkpost kunnen ze de Britse en Franse troepenbewegingen in de gaten houden.

Tweede Slag om Ieper (22 april – 15 mei 1915)

Sinds de Duitse inname van Hill 60 groef de British Expeditionary Force gangen , 24 à 30 m onder de heuvel, die ze vulden met zware mijnladingen en dieptebommen.

Op 17 april werden zware mijnladingen onder de Duitse stellingen op tot ontploffing gebracht en bestormden Britse en Franse troepen de Duitsers. Hill 60 werd heroverd. Begin mei moesten de Britten hun stellingen op Hill 60 terug vrijgeven na hevige gifgasaanvallen door de Duitsers. De Duitsers konden tot de oostelijke rand van Hill 62 doorbreken.

  • Slag om Gravenstafel  – 22 april 1915

In de buurt van Steenstrate (nabij Houthulst) werden op 22 april Frans-Algerijnse troepen bestookt met granaten. In de namiddag, bij gunstige wind, lieten de Duitsers 150 ton dodelijk chloorgas (mosterdgas, Yperit) ontsnappen uit 5730 gascilinders. Een enorme geelgroene gifwolk dreef vervolgens over de Franse loopgraven. De Franse troepen, territoriale zoeaven, werden meteen bevangen door het gas, zodat er een groot gat van 6 km ontstond in het front.

De Canadezen probeerden het gat te dichten, maar ook zij kwamen in de gaswolken terecht en verloren meer dan 2000 manschappen.

Dit was de eerste en enige tactisch succesvolle gasaanval uit de Eerste Wereldoorlog, het verrassingseffect was weg.

  • Slag bij Sint-Juliaan – 22 april 1915

Om 18.00 uur was Langemark veroverd en de Duitsers rukten op naar “Kitcheners’ Wood”, het bos ten zuidwesten van Sint-Juliaan, dat bezet werd door de Canadese 1e divisie. Deze improviseerden gasmaskers, met zakdoeken natgemaakt met water of urine, tegen het gifgas.

De Duitsers hadden echter het succes van hun acties onderschat en hadden te weinig ondersteuning voorzien voor een verdere doorbraak. De Duitse aanvallen werden dus tijdelijk gestaakt.

Generaal Sir Horace Smith-Dorrien, de bevelhebber van het Britse 2e leger, werd op 6 mei 1915 ontslagen en vervangen door generaal Herbert Plumer omdat hij wilde een tactische terugtrekking wilde invoeren om de druk op de Ieperboog te verminderen. Dit was geheel tegen de wil van veldmaarschalk John French, die beval meteen verdere tegenaanvallen.

  • De slag om de Frezenberg – 8 mei 1915

De Duitsers veroverden op 8 mei de Frezenberg en hielden daar stand.

  • De slag bij Bellewaerde – 24 mei 1915

Op 24 mei deden de Duitsers een gasaanval die de Britten één kilometer noordwaarts terugdrong. De Duitse uitval naar de heuvelrug van Bellewaerde was geen groot succes door de Britse tegenaanvallen.

Uiteindelijk viel het offensief op 25 mei stil. De verliezen waren groot: de Britten verloren 58.000 manschappen, de Fransen zo’n 10.000. Meer dan 100.000 Duitse soldaten sneuvelden of raakten gewond en uiteindelijk trokken de Britten zich toch terug, zoals Sir Horace Smith-Dorrien voorgesteld had.

Derde Slag om Ieper (31 juli – 10 november 1917), ook bekend als Slag bij Passendale

De Slag bij Passendale staat geboekstaafd als een van de bloedigste uit de Eerste Wereldoorlog en geldt tegenwoordig, meer nog dan de Slag om de Somme, als hét voorbeeld van een zinloze aanval.

De Britse veldmaarschalk sir Douglas Haig wilde het Duitse vierde leger verschalken, doorstoten naar de kust en vervolgens noordwaarts trekken om de havens van Oostende en Zeebrugge te heroveren. De Britse premier David Lloyd George zag dat plan niet zitten, maar Haig kreeg toch zijn zin.

Nochtans was het voorjaarsoffensief van de Franse generaal Robert Nivelle mislukt, waardoor de Fransen niet in staat waren de Britten daadwerkelijk te helpen aan het numerieke overwicht dat nodig was voor een doorbraak.

De veldslag verliep dramatisch: de Duitsers waren op de hoogte van de plannen en hadden een grote hoeveelheid artillerie en reserves bij de frontsector samen getrokken, ze legden zes hoofdweerstandslijnen aan met een totale diepte van tien kilometer. Bovendien veranderde  de onophoudelijk regen (in combinatie met de door Britse artilleriebombardementen verstoorde waterhuishouding) het front binnen de kortste keren in een gigantische modderpoel.

De omstandigheden waaronder gevochten werd, behoren tot de slechtste uit de wereldgeschiedenis. Generaals aan beide zijden beschreven het terrein als een hel op aarde. De offensieven werden echter niet afgelast. De helft van het terrein bestond nu uit modder waar men slechts kon lopen door er plankieren aan te leggen; de andere helft was water waarin duizenden halfvergane lijken rond dreven. Gewonden waren reddeloos verloren en zakten in het slijk weg.

De Slag om Passendale heeft aan geallieerde en Duitse kant samen zo’n 700.000 slachtoffers geëist voor 8 km terreinwinst. Voor het eerst werd een groot aantal tanks ingezet (216 Mark IV-tanks). Veldmaarschalk Haig ging de geschiedenis in als De Slachter maar erg zwaar werd daar voorts niet aan getild. Hij had tenslotte de boog om Ieper (Ypres Salient) veroverd en het hoofddoel was bereikt: een belangrijk deel van het Duitse leger werd door de Britse artillerie uitgeschakeld.

Doordat de meeste reserves verbruikt waren, kon Haig het succes niet uitbuiten. De politici waren van walging over de slachting vervuld en weigerden versterkingen naar het front in Vlaanderen te sturen. Daardoor werd het Britse leger erg kwetsbaar bij het Duitse voorjaarsoffensief.

De Ieperboog werd in handen gegeven van de Canadezen. De nu gevormde saillant bij Passendale was eigenlijk onverdedigbaar en de Canadezen leden aanzienlijke verliezen door Duits vuur. In april 1918 ging alle terreinwinst weer in korte tijd verloren in de Vierde Slag om Ieper.

Vierde Slag om Ieper (9 – 29 april 1918) ook bekend als de Leieslag

  • Op 18 maart begon de raid op Diksmuide.

Het probleem voor Duitsers was om de IJzer over te steken die op dat punt zo’n 12 meter breed is, met een kleine vloot pramen en loopbruggen van planken en vlotters, geholpen door patrouilleboten. Ze staken de IJzer over onder constante beschietingen van de geallieerden.

  • op 21 maart brak de hel los over het gehele westfront. De Duitse generaal ErichLudendorff voerde overal bliksemaanvallen om door de geallieerde linies te breken.
  • Op 12 april sloegen de Duitsers een bres in de Britse linie van ongeveer 48 km, ten zuidwesten van Ieper, nabij Hazebroek. Veldmaarschalk Haig gaf de de opdracht zich niet terug te trekken en het Britse verzet verdedigde zich uit alle macht. Onder leiding van generaal Plumer lukte het hen op 17 april de Duitsers tot staan te brengen langs de Leie en de Duitse poging de Noord-Franse havens te bereiken was mislukt.
  • De slachting bij de Kemelberg begon in de ochtend van 25 april. De hele nacht hadden de Duitsers gasgranaten afgevuurd op de geallieerden, terwijl de Fransen hun stellingen met bombardementen vanuit vliegtuigen verdedigden. Om 06:00 uur bestormden de Duitse Alpenjagers de heuvel en de Fransen moesten zich terugtrekken op de Rodeberg en de Scherpenberg.
  • De Duitse generaal Ludendorff gaf op 29 april het bevel het offensief op het westfront te staken.

Geschiedenis mijnenoorlog – De Slag om Mesen (juni 1917)

Het verloop van de eerste wereldoorlog in de sector Vlaanderen wordt bepaald door het heuvelachtige landschap.

Wijtschate is voor de Duitsers een belangrijke observatiepost. Ze kunnen vanop de hoogte alle troepenbewegingen ten zuiden van Ieper, in vogelvlucht op 7 km afstand, waarnemen. De Britse linies liggen heel wat lager en volledig in het bereik van de Duitse kanonnen. De Duitsers bouwen Wijtschate dan ook om tot een niet in te nemen fort. Diverse aanvallen lopen te pletter op de versterkte heuvelrug van Wijtschate en Mesen.

Omdat het bovengronds niet lukt, gooien beide legers het over een andere boeg. Reeds in 1915 gaat de oorlog in de gehele Ypres Salient heeft stilletjes ondergronds. Britse (Tunnelers of Sappers) en Duitse (Mineure) mijnwerkers graven een netwerk van gangen en tunnels naar en onder elkaars posities. Regelmatig laten ze die ontploffen en in de ontstane kraters bouwen zij nieuwe versterkte posities uit. In 1916 alleen al blazen de Britten 750 mijnen op en de Duitsers 696. Begin 1917 zijn er in het niemandsland tussen Hill 60 en Ploegsteert meer dan 40 Duitse en meer dan 20 Britse mijnkraters zichtbaar.

Zero Hour.

7 juni 1917 om 4:10 (Zero Hour) brengen de Britten tussen Hill 60 (Zillebeke) en The Birdcage (ten zuidwesten van Waasten) 19 dieptemijnen tegelijk tot ontploffing.

De gigantische explosies vernielen de vijandige stellingen en slaan enorme kraters in het landschap. Een bunker wordt zelfs ondersteboven gekeerd. De ontploffingen zouden tot in Londen te horen zijn geweest.

Bij de gevechten en de gigantische artillerievuurzee die volgen op de mijnexplosies, kunnen Britse, Ierse, Australische en Nieuw-Zeelandse eenheden de heuvelkam Wijtschate-Mesen heroveren.

Er worden in totaal 15.913 doden geteld en 23.953 gewonden. 10.595 personen blijven vermist. In de ochtend van 7 juni 1917 stootten troepen bij Mesen door, wordt het compleet verwoeste dorp Wijtschate door de Ierse divisies ingenomen en bezetten Britse divisies de heuvelrug van Hollebeke.

Geschiedenis Slag om de Kemmelberg (25 april 1918)

Toen het Duitse offensief in 1914 vastliep, groef het Duitse leger zich in op strategische plaatsen (de heuvelruggen) in de overtuiging dat de geallieerden hen van hun grondgebied zou willen verdrijven. Dus zouden de Fransen aanvallen en vanuit hun loopgraven zouden de Duitsers vanuit relatieve veiligheid de vijand kunnen verzwakken.

Door de deelname van de Amerikanen aan de oorlog en de Russische revolutie moest deze strategie in 1917 herzien worden. Nu was het zaak om alsnog de kust te bereiken en de havens van Duinkerken en Calais in handen te krijgen om de slagkracht van de geallieerden aanzienlijk te verminderen.

Hiertoe was een slag gepland via de Westvlaamse heuvels, het Duitse Lente-offensief.

Met de vierde slag om Ieper (de Leie Slag – april 1918) boeken de Duitsers in de Salient een enorme vooruitgang. In Heuvelland veroverden ze Mesen, Hollebeke, Wulvergem, Ploegsteert en Nieuwkerke.

Op 16 april 1918 breken de Duitsers door de frontlijn bij Wijtschate – Mesen. Ze nemen Wijtschate, Dranouter en Kemmel in, tot aan de voet van de Kemmelberg, waar de Britten samen met de Fransen een uitkijkpost hebben.

De Slag om de berg zelf vormt een dramatisch hoogtepunt. De berg is het toneel van zeer gruwelijke gevechten. De hele nacht hebben de Duitsers gasgranaten afgevuurd op de geallieerden, terwijl de Fransen hun stellingen met bombardementen vanuit vliegtuigen verdedigden. Op 25 april 1918 om 06:00 uur bestormen de Duitse Alpenjagers de heuvel, het wordt een ware slachting. De Fransen moeten zich terugtrekken op de Rodeberg en de Scherpenberg.

Op de Ossuaire worden 5294 Franse doden herdacht; slechts 57 konden met naam worden vermeld.

Voor de Duitsers was de zogenoemde Slag om de Kemmelberg een geslaagde onderneming, die overigens niet tot de gehoopte doorbraak naar de kust leidde.


Geschiedenis Slag bij Vimy (april 1917)

The Battle of Vimy Ridge vond plaats van 9 tot 12 april 1917 tussen Canadese troepen, ondersteund door de Britten, en Duitse troepen aan het westfront tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Vimy ligt zo’n acht kilometer ten noorden van Arras en ‘n 5 km ten zuiden van Lens.

De heuvelrug van Vimy is zo’n zeven kilometer lang en gaat tot ongeveer 145 meter boven zeeniveau, zo’n 60 meter boven de omliggende vlakte, en biedt een vrij vergezicht in alle richtingen.

In oktober 1914 was de heuvelrug al in Duitse handen gevallen.

Het 10de Franse Leger probeerde in mei 1915 de Duitsers te verdrijven door hun posities op de heuvelrug van Vimy aan te vallen. De Franse 1ste Marokkaanse Divisie kon de hoogte even veroveren, maar kon deze niet vasthouden. In september 1915 deden de Fransen opnieuw een poging, maar zonder succes. Er vielen bij de Fransen zo’n 150.000 doden en gewonden.

In februari 1916 loste het Britse 17de legerkorps de Fransen in de sector af. Op 21 mei 1916 viel de Duitse infanterie de Britse linies over zo’n twee kilometer front aan om hen terug te dringen van hun posities aan de voet van de heuvelrug. De Duitsers namen verschillende Britse tunnels en mijnkraters in, voor ze hun opmars staakten en zich ingroeven. Een Britse tegenaanval op 22 mei bracht geen verandering.

In oktober 1916 loste het Canadese Korps het Britse 4de Korps af. De Duitsers hadden toen op de heuvelrug ongeveer 8.000 man die zich hadden ingegraven met bunkers, machinegeweerposten en meerdere linies prikkeldraad.

Vanaf 20 maart werden de Duitse stellingen gebombardeerd, 13 dagen aan een stuk, in voorbereiding van de grootschalige Canadese aanval, de “Battle of Vimy Ridge”.

De aanval (omwille van de omvang, ondersteund door Britse divisies) begon om 5.30 uur op paasmaandag 9 april 1917. De Duitsers werden teruggedrongen en de eerste objectieven werden de eerste dag al veroverd. De aanval werd voortgezet op 10 april en de meeste Duitse posities op de heuvelrug werden veroverd. Tegen de nacht van 12 april hadden de Canadezen de heuvelrug van Vimy stevig in handen. 4.000 Duitse soldaten werden krijgsgevangen genomen. Aan Canadese zijde waren 10.602 slachtoffers gevallen, meer bepaald 3.598 doden en 7.004 gewonden.

Historici schrijven het succes van het Canadese Corps toe aan de zorgvuldige planning en aan een innovaties in tactiek en materiaal.

Een superieure voorbereiding.

De troepen hadden maanden geoefend in een namaak-slagveld achter de linies, hadden getraind op nachtgevechten en hadden maandenlang nachtverkenningen uitgevoerd om informatie te verzamelen over de Duitse posities. De Royal Flying Corps deed luchtverkenningen en bracht foto’s van de Duitse artillerie-posities. Elke unit kende zijn specifiek doel en de doelen van de units in de buurt. Zelfs de onderofficieren kenden de plannen zodat zij de leiding konden overnemen als officieren uitvielen en er werden 40.000 kaarten van het slagveld uitgedeeld aan de troepen.

Een tactische innovatie: de ‘vuurwals’.

Aanvankelijk werd artillerie ingezet vóór de aanval, om vijandelijke stellingen of geschut uit te schakelen (‘standing barrage’). Maar tegen dat de artillerie ten aanval trok en de vijandelijke linies naderde, had die vijand zich opnieuw georganiseerd.

Vanaf 1916 experimenteerden de Britten met de vuurwals (‘rolling barrage’ of ‘kruipend spervuur’), die door een regen van granaten voor de infanterie uit, vijandelijk vuur en vijandelijke bewegingen onderdrukte. Dit vergemakkelijkte de opmars van de infanterie. Het was de eerste vorm van artillerie-optreden die niet gericht was op een concreet doel zoals een infanterieformatie of een fortificatie, maar die uitsluitend de opmars van de eigen infanterie moest ondersteunen. Bij de slag bij Vimy kroop de artillerie elke drie minuten 90 meter vooruit. De soldaten hadden dus telkens drie minuten om de vuurlijn in te halen en de overgebleven weerstand uit te schakelen.

Nieuw materiaal: de ontsteking 106.

Aanvankelijk hadden de Britten twee soorten granaten: anti-personnel (lichtere granaten die ontploften in scherven op manshoogte) en anti-fortification (zwaardere granaten die eerst insloegen en dan pas ontploften). Die zware granaten bleken weinig efficiënt in de loopgraven: nadat ze in de grond waren ingeslagen, volgde een zware ontploffing die diepe kraters maakte maar de prikkeldraad ongemoeid liet. Een nieuw ontstekingsmechanisme, de fuze 106, was een grote verbetering: dit gevoelige en geavanceerde mechanisme zorgde bij slechts een geringe aanraking, bijvoorbeeld van prikkeldraad, al voor een explosie. Het was een Franse vinding, die de Britten perfectioneerden. Dit loste het probleem van de prikkeldraad niet helemaal op, dat zou de tank ook niet doen maar alle beetjes hielpen.

Hoewel het niet de grootste militaire verwezenlijking van Canada was, heeft de veldslag bij Vimy een speciale betekenis voor Canada. Het was de eerste keer dat de vier Canadese divisies als een formatie samen deelnamen aan een veldslag wat het beeld van nationale eenheid versterkte. Even belangrijk was het feit dat het Canadian Corps, een kleine koloniale eenheid, slaagde waar koloniale grootmachten als Frankrijk en UK hadden gefaald “a milestone where Canada came of age and was recognised on the world stage”.