De Kleine Mote

GULDENSPORENSLAG (Kortrijk, 11 juli 1302)

De Guldensporenslag was één veldslag in de Vlaamse Opstand (1297-1305). Die oorlog werd gewonnen door Frankrijk en eindigde met het verdrag van Athis-sur-Orge. Die opstand was een sociale revolutie, een burgeroorlog met feodale, sociale en economische motieven in een kluwen van conflicten.

De slag had niks te maken met nationalisme of taalstrijd maar in de 19de eeuw werd de veldslag gerecupereerd, eerst voor de Belgische bewustwording en later door de Vlaamse Beweging.

Nochtans verschilt het Vlaanderen van vandaag grondig van dat van 1302. Het was toen een graafschap dat ruwweg bestond uit Frans-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en Zeeuws-Vlaanderen. … niet Antwerpen, Brabant, of Limburg.

Bovendien was het niet het ‘graafschap Vlaanderen’ dat streed tegen de Franse koning: Gent hield zich afzijdig, troepen uit ­Namen vochten aan Vlaamse kant terwijl Mechelse soldaten aan Franse kant streden.

Naam

Tijdgenoten hadden het over de slag bij Kortrijk of de slag van Groeninge.

Later kwam het verhaal dat de Franse ridders sporen van goud droegen en dat de sporen van de gesneuvelde ridders (wel 500 paar) werden opgehangen in het koor van de Onze­-Lieve-Vrouwekerk, als dank aan O.L.V. van Groeninge. De sporen zouden later gestolen zijn door plunderde Bretoense huursoldaten, na de Slag bij Westrozebeke (1382). Vandaar de naam ‘Guldensporenslag’.

Voor het verhaal bestaat geen enkel bewijs. Ook niet op de enige ietwat directe visuele bron voor de slag: een paneel op de zogeheten ‘kist van Oxford’. 

In 1952 werden ter gelegenheid van de festiviteiten n.a.v. 650 jaar Guldensporenslag nieuwe exemplaren gemaakt, die nog altijd in de kerk aanwezig zijn.

Kist van Oxford

Er zijn van de slag vrijwel geen materiële restanten overgebleven. Er is enkel de Kist van Oxford (ook wel Courtrai Chest): een eikenhouten kist met op de voorzijde (107 x 71 cm) taferelen van de Guldensporenslag en de Brugse Metten.

De kist werd omstreeks 1909 ontdekt in het New College, een van de onderwijsinstellingen van de Universiteit van Oxford. De authenticiteit werd wetenschappelijk vastgesteld.

De maker van de kist is onbekend, al wordt er op grond van de vele details van uitgegaan dat het een Vlaming was die in de slag zelf heeft meegevochten.

Maatschappelijke context

Begin 1300 accumuleren vele conflicten: leenman vs leenheer; adel vs poorters; kapitaal vs arbeid; stad vs platteland.

Koning versus graaf

Het graafschap Vlaanderen maakte sinds het Verdrag van Verdun in 843 officieel deel uit van het koninkrijk Frankrijk maar was eigenlijk altijd grotendeels, zij het niet volledig, onafhankelijk geweest van de Franse kroon.

Hetzelfde gold voor het hertogdom Normandië. Dat leenverband werd een eerste maal echt in vraag gesteld toen Willem van Normandië (Slag bij Hastings, 1066) Engeland veroverde en tot koning van Engeland werd gekroond. Het “Anglo-Normandische Rijk” was zo groot dat het volledig aan de greep van de Franse koning dreigde te ontglippen. Toen Hendrik II van Anjou (het Huis Plantagenet) midden 12de eeuw het Anglo-Normandische Rijk overnam en er het hertogdom Aquitanië aan toevoegde (door zijn huwelijk met Eleonora van Aquitanië -nota bene de ex-vrouw van de Franse koning) werd die bedreiging nog groter.

De Franse koning Filips II August (1165 – 1223) was er wel in geslaagd (Slag bij Bouvines, 1214) om het Franse koningschap tot enige wetgevende en uitvoerende macht in zijn koninkrijk uitbouwen door de macht van zijn sterkste vazallen (Vlaanderen en Normandië) te breken.

Het conflict tussen de koning van Frankrijk (het huis Capet) en de koning van Engeland (het huis Plantagenet) en het conflict tussen de Franse koning en de graaf van Vlaanderen waren feodale conflicten die onvermijdelijk bleven spelen: de Franse koning wilde de monarchie sterker maken en de leenmannen verzetten zich tegen de expansiepolitiek van hun leenheer.

Graaf versus steden

In de vroege middeleeuwen was het volk ‘horig’, lijfeigenen geketend aan de grond en onderworpen aan de wil van de landvorst.

Vanaf einde 11de eeuw verleenden landvorsten in alle regio’s – om de economische ontwikkeling te bevorderen – aan steden een ‘keure’ of  ‘vrihede’.

In de “core” schonk de landvorst aan de stad enige rechterlijke, wetgevende, fiscale en militaire autonomie op voorwaarde dat de stad haar verplichtingen aan de vorst zou nakomen. Dit betekende onder meer dat stedelingen belastingvrijstellingen kregen en berecht werden door hun gelijken. De  stad was een afzonderlijk rechtsgebied waarin de oude ‘heerlijke rechten’ niet langer golden. Stadslucht maakte vrij.

Tussen 1050 en 1200 hadden de steden een zekere autonomie (stadsrechten) tegenover de adel, bisschoppen en abten verworven maar het oppergezag van de landvorst bleef van kracht, het nakomen van de verplichtingen tegenover de vorst bleef wel altijd de basisvoorwaarde voor de privileges.

De stadskeure – waarborg van de stedelijke vrijheid –  werd in het stadhuis of belfort bewaard. Dat belfort was de architectonische manifestatie van een opkomende burgerlijke onafhankelijkheid van feodale en religieuze invloeden, hét teken van de de macht der burgerij.

Belangrijk was de Grote Keure van Filips van de Elzas (rond 1170) waarbij de zeven grote Vlaamse steden (Atrecht, Brugge, Dowaai, Gent, Ieper, Rijsel en Sint-Omaars) een uniform stadsrecht kregen gebaseerd op dat van Atrecht. Die rechten werden nadien ook aan kleinere Vlaamse steden verleend.

Een ‘poorter’ bezat het poortrecht, het recht om in de stad te wonen en te genieten van de stadsrechten. Poorters hadden ook plichten: ze moesten belastingen betalen en bijdragen aan het onderhoud van de stad en de stadsverdediging. Die stadsverdediging werd toevertrouwd aan de schutterij of het schuttersgilde: een lokale burgermilitie met als opdracht de stad te beschermen bij een externe aanval (rondzwervende roversbenden, vreemde legers) en intern de orde te handhaven bij oproer, brand of prominent bezoek.

Bij toerbeurt liepen de schutters wacht onder leiding van een officier; aan het begin van hun dienst werden de sleutels van de poorten afgehaald bij de burgemeester en in de ochtend weer teruggebracht. Schutterijen waren gegroepeerd volgens het wapen dat ze gebruikten: de handboog, de voetboog (kruisboog) of het geweer.

Steden werden welvarend. In Vlaanderen lagen enkele van de rijkste steden uit de middeleeuwen, zoals Brugge, Gent, Ieper, Rijsel en Dowaai; rijk geworden met de lakenindustrie. Telkens de landvorst centen en soldaten nodig had voor een kruistocht of oorlog, richtte hij een ‘bede’ aan de steden. In ruil vroegen en kregen die steden meer privileges. Elke nieuwe graaf moest nu zweren die vrijheden te respecteren. Tegen de 14de eeuw was het privilege een recht geworden.

De steden streefden steeds naar grotere onafhankelijkheid, de graaf van Vlaanderen probeerde meer grip te krijgen op de stadsbesturen.

Stad versus stad

Tussen de Vlaamse steden heerste een scherpe economische concurrentie die geregeld uitmondde in heftige conflicten en strijd. Zo domineerde Brugge de steden in zijn gewest, het Brugse Vrije. Voor veel producten gold dat deze eerst naar Brugge moesten om daar als eerste verhandeld te worden. Pas daarna mochten ze naar de kleinere stadjes.

Patriciërs versus het volk

De steden waren verdeeld tussen de patriciërs en de ambachtslui, verenigd in gilden.

De patriciërs, grote handelaren en grondeigenaren, hadden het kapitaal en de macht: zij leverden de schepenen. De rijke patriciërs stonden ook in goede relatie met de Vlaamse graaf. In ruil voor privilegies aan de stad, verleenden de schepenen hun financiële diensten aan de graaf. Ze werden een soort bankiers van de graaf, die hem geschenken gaven of borg stonden voor zijn leningen.

De ambachtslieden waren verenigd in welvarende gilden die meestal het alleenrecht hadden op het uitoefenen van hun vak en instonden voor de kwaliteit van het werk met een keurmerk. Dankzij dit monopolie konden de gilden de productiehoeveelheid en verkoopprijs voor hun werk bepalen.

In de dertiende eeuw ontwikkelde er zich echter een stedelijk proletariaat: arme ambachtslieden, ongeschoolde arbeidskrachten, bedelaars, ook veel alleenstaande vrouwen.

Aan de basis lag de verbeterde productiviteit in de landbouw; boeren produceerden nu voldoende om een grote stedelijke bevolking te voeden. Bovendien kenden de steden een sterke economische groei. Het gevolg was een stormachtige bevolkingsgroei met een snelle verstedelijking: in 1300 leefde liefst dertig procent van de Vlaamse bevolking in steden.

In die steden ontstond zo een groeiend spanningsveld door enerzijds de toenemende kapitaalvorming ten gevolge van de bloeiende lakenhandel en anderzijds de dalende lonen ten gevolge van de sterke instroom van arbeidskrachten.

Vanaf de dertiende eeuw werd in de steden ook een onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten inwoners: de gewone ingezetenen en de poorters. Enkel de poorters kwamen in aanmerking voor bestuurlijke functies en konden lid worden van een gilde.

Men was poorter door geboorte of door te trouwen met een poorter. Wie van buiten de stad kwam, kon het poorterschap wel kopen maar de prijs was aanzienlijk (men bewees daarmee niet armlastig te zijn en in eigen onderhoud te voorzien). In tal van steden golden ook religieuze restricties (Joden waren niet overal welkom) en moest men een eed afleggen.

De kloof tussen arm en rijk groeide en leidde tot grote opstandige golven in steden als Gent, Ieper, Mechelen, Luik, Brabant, Utrecht, Duitsland, Noord-Frankrijk…

In de periode 1280-1282 werd Vlaanderen geteisterd door een
eerste revolte van het gemeen in de grote Vlaamse steden, met de Moerlemaaie in Brugge en de Cokerulle in Ieper. De wevers en volders stonden in de voorhoede.

De oudste teruggevonden politieke tekst in het Nederlands, werd trouwens opgesteld tijdens die eerste golf; in 1280 in Damme. Het is een eisenbundel van de Dammenaren aan de lokale schepenen. Die misbruikten hun macht: ze lieten kasseien leggen op de weg waar zij woonden of staken geld van openbare werken in eigen zak. De bevolking sprak zich uit tegen de consumptiebelasting op bier en wijn. Ze vonden die niet eerlijk, want dat was een regressieve belasting, die arme mensen meer treft dan tallia’s (taksen op vermogen).

Nochtans moet men die zogenaamde “democratische” opstanden van 1280 in de voornaamste Vlaamse steden enigszins relativeren. In Brugge en Gent ging het
om de rivaliteit tussen facties binnen de gegoede burgerij. Het gemeen werd gebruikt als stoottroepen van het patriciaat, zonder dat deze laatsten ook maar er aan dachten om institutionele en sociale hervormingen door te voeren.

In 1302 komt een tweede golf opstanden.

Vlaams-Franse oorlog

Verloren strijd van de graaf tegen de koning

In 1285 wordt Filips IV (bijgenaamd De Schone) koning van Frankrijk en hij was vastbesloten de Franse monarchie weer sterk te maken. Daartoe moest hij afrekenen met koning Eduard I van Engeland, met het graafschap Vlaanderen en met de macht van de Kerk en de hoge edelen.

Frankrijk en Engeland (eigenlijk het huis Capet en het huis Plantagenet) zijn in oorlog nadat Filips (na een banaal maritiem incident) in 1294 Franse eigendommen van de Engelse koning Eduard (Guyenne in het hertogdom Aquitanië) confisqueerde.

Vervelend voor Vlaanderen: het heeft een feodale band met Frankrijk maar is economisch sterk afhankelijk van Engeland (invoer van Engelse wol voor de lakenhandel) en de Engelse koning aarzelde niet om de wolexport als wapen te
gebruiken.

Nog vervelender is dat oorlogen geld kosten en om zijn oorlog te betalen, legde de Franse koning hoge belastingen op.

De Vlaamse steden verzetten zich tegen de Franse inmenging in de Vlaamse aangelegenheden en de graaf van Vlaanderen (Gwijde van Dampierre) schaart zich aan hun kant.

De spanningen tussen Gwijde van Dampierre en Filips IV lopen hoog op.

In 1294 vraagt Gwijde hulp aan koning Eduard I van Engeland. Er wordt een huwelijksovereenkomst gesloten tussen 7 jarige Filippa (dochter van de graaf) en de 10 jarige Eduard II (Engelse kroonprins).

De Franse koning nodigde Gwijde uit en zet hem (samen met diens 2 oudste zonen, Filippa en een groot gevolg) gevangen op 28 september 1294. Pas in 1295, na bemiddeling van paus Bonifatius VIII, komen Gwijde en de rest van zijn gevolg vrij: het huwelijk wordt afgeblazen (Filippa blijft trouwens gevangen aan het hof in Parijs waar ze in 1306 overlijdt); de belastingsdruk op onroerend goed verhoogd en de vijf grootste Vlaamse steden komen onder koninklijke hoede.

Dit maakt de graaf niet populair in Vlaanderen waar het grafelijk bestuur al niet hoog stond aangeschreven na het débacle (en langdurig Franse gevangenschap) van de graaf-gemaal Ferrand van Portugal en de jarenlange vete tussen het huis Dampierre en het huis Avesnes (de Vlaams-Henegouwse Successieoorlog van 1244-1253).

In 1297 zegt Gwijde de feodale band met Frankrijk op, nadat Engeland gedreigd had de wolstapel te verplaatsen van Brugge naar Dordrecht. Hij sluit een alliantie met Eduard I, op dat moment in staat van oorlog met Frankrijk.

Als reactie kondigde Filips in januari 1297 de confiscatie van het graafschap Vlaanderen aan dat vanaf nu deel uitmaakte van het kroondomein. Er volgt oorlog.

De eerste fase (1297) verloopt noodlottig voor Vlaanderen. Er komt heel weinig steun van de bondgenoten en Arras, Lens, Douai, Orchies, Seclin, Loos, Komen, Waasten, Kortrijk, Kassel, Sint-Winoksbergen, Veurne, Rijsel en Brugge vallen of geven zich over.

Een tussenkomst van Paus Bonifatius VIII leidde tot een wapenstilstand, van oktober 1297 tot 1300. Tijdens deze periode werd er aan het pauselijke hof onderhandeld door alle strijdende partijen..

Vanaf 1298 verbood Filips de circulatie van vreemde munten op zijn grondgebied (wat voornamelijk Vlaanderen trof in zijn handel) om daarna de waarde van de eigen munt te devalueren door het zilvergehalte te verminderen en de wisselkoers te manipuleren.

In 1299 sluiten Frankrijk en Engeland vrede (vrede van Montreuil). Nu is de Franse prinses Isabella van Frankrijk verloofd met de Engelse kroonprins Eduard II. [Ze huwen in 1308 (Eduard verwaarloosde zijn vrouw en prefereerde het gezelschap van mannen). Dit huwelijk geeft later trouwens aanleiding tot de honderdjarige oorlog (1337-1453) wanneer de Franse koning Karel IV kinderloos overlijdt en zowel Edward III van Engeland (huis Plantagenet) en Filips van Valois (huis Capet) de Franse troon opeisen: beide zijn kleinkinderen van Filips IV; Eduard via moeders kant, Filips via vaders kant; beide zijn rechtstreekse afstammeling van Hugo Capet. Filips VI van Frankrijk trekt aan het langste eind.]

Nadat de wapenstilstand in januari 1300 afgelopen was, vielen de Fransen Vlaanderen opnieuw binnen. Ook de tweede fase verloopt noodlottig. Vlaanderen heeft geen steun meer vanuit Engeland en staat nu helemaal geïsoleerd. Tegen midden mei waren graaf Gwijde, zijn zonen Robrecht en Willem en verschillende andere Vlaamse edellieden als gevangenen naar Frankrijk gestuurd; geheel Vlaanderen staat nu onder Franse controle.

Het graafschap Vlaanderen wordt bij het Franse kroondomein gevoegd en Jacques de Châtillon wordt aangesteld als gouverneur.

In mei 1301 hield de Franse koning Filips IV een Blijde Intrede in de Vlaamse steden.

Gewonnen volksopstand tegen de koning

De verovering van Vlaanderen was redelijk gemakkelijk geweest: de graaf van Vlaanderen had geen bondgenoten en de Vlaamse steden waren neutraal gebleven.

Het volk hoopte op een nieuwe heerser die meer rechtvaardigheid en een betere verdeling van de rijkdommen zou brengen.

De patriciërs waren zelf in conflict met de graaf van Vlaanderen en hadden al een beroep gedaan op de Franse koning om hun autonomie te beschermen. De koning was daar dankbaar op ingegaan en had zo zijn invloed vergroot. Die Vlaamse aanhang van de Franse koning werden “leliaards” genoemd (aanhangers van de Franse lelie).

Maar de gouverneur, Jacques de Châtillon, is een soldaat en geen diplomaat. Hij stelt een erg onderdrukkend regime in. Een deel van de hoge belastingen wordt afgeschaft maar dit was vooral in het voordeel van de patriciërs en niet zozeer van de ambachten en volksklasse, tot woede van de ambachten. Die woede leidt tot een onwaarschijnlijk verbond tussen het volk en de adelijke aanhangers van graaf Gwijde. Zij werden de “liebaards” of “klauwaards” genoemd (naar de klauwen van de Vlaamse Leeuw).

Ook de boeren waren woedend, ze hadden zwaar geleden hadden onder de plundertochten van het Franse leger in 1297-1300.

Een populaire en welbespraakte wever, Pieter de Coninck, probeerde voor de zaak van de ambachtslieden op te komen. Als gevaarlijke oproerkraaier werd hij door het Brugse stadsbestuur in 1301 gevangengezet. Er breekt een volksopstand uit in Brugge, Pieter De Coninck wordt door het volk bevrijd en de Liebaards nemen het bestuur van de stad over van de Leliaards.

Landvoogd Jacob van Châtillon trekt met een kleine legermacht naar Brugge. De Coninck wordt verbannen en het gezag van de Leliaards wordt hersteld. De volksmilitie verstopt zich in de Zwinstreek en op het platteland rond Brugge.

In december 1301 herstelt De Coninck zijn gezag in Brugge, dankzij de militaire steun van Jan I van Namen, een telg van het grafelijk huis van Dampierre.

In maart 1302 komen ook de liebaards van Gent in opstand na het opnieuw verhogen van de belastingen; ze zetten de Fransgezinde leliaards de stad uit. Als Châtillon zijn leger in Kortrijk organiseert, geeft het Gentse stadsbestuur toe en zegt het toe zich verder afzijdig te houden.

Nadat De Coninck de Gentenaren niet aan zijn kant krijgt, is hij één van de leiders een bende opstandelingen die de kastelen van Sijsele en Male veroveren op 1 mei 1302.

In Male worden alle Franse garnizoenssoldaten vermoord. Châtillon trekt nu met een leger van 800 man naar Brugge om de daders van de moordpartij te straffen. De angstige Brugse burgerij jaagt De Coninck nog maar eens de stad uit en opent de poorten voor de Fransen. Op 17 mei 1302 trekt Châtillon met zijn leger in volle wapenuitrusting (tegen de afspraken in) de stad in, hij verklaart dat Brugge al zijn privileges verliest.

De Bruggelingen vrezen nu een bloedige afstraffing en zoeken contact met Pieter De Coninck; ze laten zijn militie bij het ochtendgloren (de Metten) van 18 mei 1302 de stad binnen. Er volgt een slachtpartij: een honderdtal Franse ridders, soldaten en Brugse koopmannen die met de bezettende troepen collaboreerden worden vermoord. Châtillon kan op het nippertje ontsnappen. Een gewapend optreden van Frankrijk was onvermijdelijk geworden. De Franse koning zend een strafexpeditie naar Vlaanderen onder leiding van de graaf Robrecht II van Artesië, die wordt gezien als de beste Franse ridder van zijn tijd.

Kist van Oxford: De Brugse Metten

Na de Brugse Metten bevrijden de milities de kuststreek van de Franse bezetters. Nu komt heel Vlaanderen in opstand; Gent blijft evenwel neutraal en de opstand wordt vooral door het stadsbestuur van Brugge gefinancierd.

Gwijde van Namen (tweede zoon van Gwijde van Dampierre) besluit met een leger naar Brugge op te trekken om Vlaanderen te bevrijden. Op 23 juni bereikt hij Kortrijk, drie dagen later voegt het leger van Willem van Gulik (kleinzoon van Gwijde van Dampierre) zich bij dat van Gwijde.

Willem van Gulik wordt leider van de Vlaamse opstand, gesteund door zijn ooms Jan I van Namen en Gwijde van Namen. Vlaanderen komt onder hun controle; enkel Kassel (het kasteel wordt vruchteloos belegerd) en Kortrijk blijven in Franse handen.

Kist van Oxford: Aankomst van Gwijde van Namen en Willem van Gullik te Brugge

De Liebaards belegeren Kortrijk op 9 en 10 juli als het Frans leger aankomt om de opstand de kop in te drukken.

Strijden mee met de Fransen: 2500 man adellijke cavalerie (schildknapen inbegrepen), 1000 kruisboogschutters, 2000 piekeniers en 3000 andere soldaten. Onder de cavalerie bevonden zich 250 Brabantse ruiters; onder de kruisboogschutters en voetsoldaten vochten, naast de eenheden uit de hertogdommen Normandië, Picardië en de graafschappen Artesië, Henegouwen, Lorreinen, Champagne, ook honderden Italiaanse en Spaanse rekruten.

Strijden mee met de volksopstand: troepen uit Brugge (volgens de Brugse stadsrekeningen tussen 2600 en 3700 krijgers, waaronder 320 kruisboogschutters), uit het Brugse Vrije (zo’n 2500 man), uit Ieper (1000 man), uit Gent (700 uit Gent, geleid door Jan Borluut, een Gentse patriciër, alhoewel het stadsbestuur de kant van de Franse koning had gekozen), uit Rijks-Vlaanderen (Oudenaarde en Aalst, 2500 man). Er waren ook troepen uit graafschap Namen. Vermoedelijk telde dit leger 350 ridders te paard maar allen streden te voet. Agimont, graaf van Loon en hertog Jan II van Brabant stuurden hun kat.

Kist van Oxford: Aantreden van de Ambachten op het slagveld

Beide legers zijn ongeveer even groot maar het Franse leger was kwalitatief veel sterker door het aantal gepantserde ruiters.

De twee legers geraakten slaags op 11 juli. Deze slag zou bekend worden als de Slag bij Kortrijk of de Guldensporenslag. Het Zeeuwse reserveleger van Jan van Renesse werd achter de Vlaamse linies opgesteld om te voorkomen dat iemand week of wegvluchtte, en met de opdracht om hen desnoods te doden.

De Franse cavaleriecharge werd tegengehouden door het modderige terrein en de posities van de Vlaamse milities: ze stonden in gesloten gelederen met naast zich telkens een man met een lans of een piek. De piek werd in de grond geplant en schuin naar voor gericht om de aanstormende paarden ten val te brengen. De goedendags sloegen dan toe om de paarden en de ridders te doden.

guldensporenslag
Kist van Oxford: Vlaamse slagorde tijdens de Guldensporenslag

De milities weken dit keer niet. Ze moesten winnen en moesten de tegenstander uitschakelen, anders zouden zelf uitgeroeid worden. De wraak voor de Brugse Metten zou enorm geweest zijn.

De strijd werd in het voordeel van de Vlamingen beslecht nadat de Franse opperbevelhebber Robert II van Artois sneuvelde. Hij werd door Willem van Saeftinghe, een lekenbroeder uit de abdij Ter Doest in Lissewege, van zijn strijdros geslagen en daarna door de Vlamingen met een goedendag gedood. Waarschijnlijk kwam ook Châtillon om het leven, maar geen enkele kroniekschrijver vond het de moeite waard dit te vermelden.

De slag bij Kortrijk weergalmde door heel Europa. Omdat het de eerste keer was dat een ridderleger (en wat voor één, de kronieken beschrijven het als ‘de bloem van de adel, met de meest uitgelezen paarden en ruiters’) verslagen werd door een stedelijke militie bestaand uit piekeniers en boogschutters; vrijwel allemaal ambachtslieden en boeren. Maar vooral omwille van de terreurdaden; kroniekschrijvers, edelen en geestelijken, schrijvers uit de elite dus, spraken er schande over.

De gemeentenaren werden verafschuwd als terroristen.  Het uitmoorden van de Franse garnizoenssoldaten in Male; burgers die ridders afslachten in hun slaap tijdens de Brugse Metten… dat was revolutie; terreur.

De Guldensporenslag, het onvermijdelijk gevolg van de Brugse Metten, was een revolutionaire veldslag: een op papier kansloos maar wanhopig infanteristenleger tegen een ridderleger. En ook hier heerst de terreur: de gemeentenaren nemen geen gijzelaars, ze maken iedereen meedogenloos af, zelfs Robrecht van Artesië. Normaal werden ridders gegijzeld en tegen losgeld weer vrijgelaten.

Kist van Oxford: Het verzamelen van de oorlogsbuit

Herstel van de orde

Na de Guldensporenslag neemt de oudste vrije zoon van Gwijde, Filips van Chieti, het regentschap over van de jongere zoon Jan van Namen.

Vanuit Kortrijk trokken de overwinnaars over Deinze naar Gent waar ze op 15 juli aankwamen. Het nieuws van de Vlaamse overwinning had de stad reeds bereikt op 12 juli. Op die dag werden de vaandels van Gwijde van Namen en Willem van Gulik door de stad gedragen, terwijl de tekens van de koning overal werden neergehaald. De Leliaards werden gedood of gevangen genomen.

Ook het kasteel van Wijnendale, nochtans verdedigd door 700 Fransen, wordt ingenomen door de Bruggelingen, onder leiding van Jan I van Namen (de eigenaar van het kasteel en de heerlijkheid).

Kist van Oxford: Inname van het Kasteel van Wijnendale

De eerste pogingen van de Franse koning  om wraak te nemen worden nog afgeslagen (30 augustus 1302, confrontatie tussen Atrecht en Dowaai en de bloedige Slag bij Arke op 4 april 1303).

Op 18 augustus 1304 stond koning Filips tegen het Vlaamse hoofdleger in de Slag bij Pevelenberg. Deze zware slag eindigde onbeslist, maar de dood van Willem van Gulik en de zware materiële verliezen van de Vlamingen zorgde ervoor dat ze vrede verlangden. Na nog enkele kleinere veldslagen en na dood van Gwijde in gevangenschap, werd door de vrijgekomen Robrecht van Bethune uiteindelijk het Verdrag van Athis-sur-Orge getekend, op 23 juni 1305.

De aanhechting van het graafschap Vlaanderen aan het Franse kroondomein wordt ongedaan gemaakt; het grafelijk huis wordt hersteld in de persoon van Robrecht van Béthune maar Vlaanderen verliest territorium (kasselrijen Rijsel, Dowaai en Orchies) aan het kroondomein en moet herstelbetalingen en jaarlijkse boetes betalen.

Dat het graafschap Vlaanderen niet wordt ingelijfd bij de Franse kroon en dat het grafelijk huis wordt hersteld, is het belangrijkste voor de Dampierres die al in 1309 weer partij kiezen voor de patriciërs; het onnatuurlijke bondgenootschap van de Dampierres met de ambachtslieden eindigt. De graven van Vlaanderen waren tenslotte gewoon Frans(talig)e edellieden die enkel aan hun eigen belangen dachten.

De ambachtslieden zijn wel winnaars: de graaf verleende hen privileges, de grondcijns werd afgeschaft en vanaf nu zitten ze samen met de patriciërs in de schepenbanken: ze hadden in Brugge bijvoorbeeld negen van de dertien leden. Dat heeft een heel ander soort sociale constellatie geschapen, met een meer stedelijke cultuur, waar de adel en de Kerk minder alles in handen hebben. Er volgen wel honderden jaren strijd, waarbij men telkens probeerde de ambachten uit het stadsbestuur te weren, tot keizer Karel de macht van de ambachtslieden in 1540 definitief kortwiekte na de stroppendragersopstand.

En Pieter de Coninck? Die blijft een revolutionaire oproerkraaier: in 1309 leidde hij een oproer in Brugge, gericht tegen de nadelige gevolgen van het Verdrag van Athis-sur-Orge en in 1321 nam hij opnieuw deel aan een opstand in Brugge. Als straf werden zijn bezittingen geconfisqueerd en verkocht. Ook de volder Jan Heem, die tijdens de opstand in 1302 tot burgemeester van Brugge was benoemd, was telkens opnieuw van de partij. Pieter de Coninck overleed in 1332 of 1333.

Politieke recuperatie

In een sfeer van dreigende annexatiedrang van Frankrijk gebruikten belgicistische kunstenaars de Vlaamse veldslag om het bestaansrecht van de nog jonge Belgische staat historisch en politiek te rechtvaardigen.

Het is de tijd van de romantiek en het nationalisme.

De natie streeft naar een eenheidscultuur die zich uit in een nationale taal, in mythen, vieringen, liederen, vlaggen, symbolen en dergelijke meer. De natie zoekt haar legitimatie in zogenaamde nationale mythen. Over heel Europa vinden schrijvers een mythische geschiedenis uit.

Zo maakt Nicaise de Keyser het pathetische schilderij ‘Bataille des Eperons’ (een doek van 6 op 5 meter, in 1836 tentoongesteld op het Brusselse Salon van Beeldende Kunsten): graaf Robert II van Artesië, van zijn paard gesleurd door Willem van Saeftinghe, wil zich overgeven aan een Brugse beenhouwer door hem zijn zwaard aan te bieden maar wordt door Vlaamse strijders afgemaakt. Het theatrale doek ging in 1944 verloren bij een bombardement maar een voorstudie kan nog altijd bekeken worden in het Groeningemuseum in Kortrijk.

Nicaise de Keyser – voorstudie ‘Bataille des Eperons’

Dit doek zou Hendrik Conscience geïnspireerd hebben tot het schrijven in 1838 van zijn boek De leeuw van Vlaanderen. Conscience was een overtuigd belgicist (in 1830 nam hij zelfs dienst in het Belgische vrijwilligersleger) die vond dat een sterk België noodzakelijk was om de Vlamingen hun rechten te geven.

Conscience maakte van de Guldensporenslag een verhaal van de onafhankelijkheid van België tegenover Frankrijk. Van koning Leopold I en de staat kreeg Conscience uit dank subsidies en baantjes bij de overheid.

Vanaf 1860 ging ook de opkomende Vlaamse beweging de gebeurtenissen van 1302 instrumentaliseren ten bate van de Vlaamse ontvoogding. De roman van Conscience is nu Vlaams-nationalistisch geworden in plaats van Belgisch-nationalistisch.

Dat Pieter de Coninck niet vergeten raakte in de geschiedenis, heeft hij te danken aan Hendrik Conscience. Pieter de Coninck, de ‘volksheld die vocht tegen de Franse bezetter’, kreeg in 1887 een standbeeld op de Grote Markt van Brugge, met Jan Breydel wiens enigste verdienste was dat hij, op kosten van de stad Brugge, varkensvlees leverde aan de troepen vóór de Guldensporenslag.

In de 20ste eeuw werd trouwens ook de figuur van Willem van Saeftinghe, de ‘Vlaamse ridder in grijze pij’ politiek gerecupereerd: verscheurd tussen zijn liefde voor Vlaanderen en zijn obediëntie voor een francofiele abt, kiest hij uiteindelijk “eerst Vlaming en daarna lekenbroeder” te zijn (hij leidt in november 1308 een opstand van de lekenbroeders tegen abt Willem vande Cordewaeghen, verwondde hem dodelijk en slaat ook de bejaarde keldermeester van de abdij dood). Hij wordt in de Vlaamse populaire cultuur opgevoerd als een heroïsche hoofdpersonage in diverse historische romans, heldendichten, een stripverhaal en een opera. Zijn bronzen standbeeld, gemaakt door Jef Claerhout, staat sinds 1988 in Lissewege op het marktplein.

Willem van Saeftinghe door Jef Claerhout

Zelfs de socialisten deden recupereerden de Guldensporenslag: in 1902 was er een mars in Kortrijk waar volkshelden Jan Breydel en Pieter De Coninck als een soort vakbondsmannen werden voorgesteld.

Alleen de Vlaams-nationalistische recuperatie overleefde bij het grote publiek.