De Kleine Mote

Je winkelwagen

WO 1 en de Vlaamse Beweging

Vlaamse Beweging tot 1914.

In de Belgische staat die in 1830 is opgericht, verloopt het publieke leven helemaal in het Frans. Het is de taal van het onderwijs, het bestuur, de politiek, het leger en het gros van de rechtspleging.

En zo ontstaat, voor het eerst, een Vlaamse Beweging, een culturele, folkloristische beweging die erkenning eist van het Nederlands – de taal van de demografische meerderheid – als staatstaal, in een door een Franse elite gedomineerde nieuwe staat. Om hun doelstellingen te verwezenlijken zochten ze onderdak in de bestaande partijen: het grootste deel van de Vlaamsgezinden situeerde zich bij de Katholieken.

Ontstaan Vlaams-nationalisme tijdens WO I.

Het Vlaams-nationalisme ontstond toen een gedeelte van de Vlaamse Beweging tijdens de Eerste Wereldoorlog anti-Belgisch werd.

Vlaamsgezindheid tijdens de Eerste Wereldoorlog uitte zich in drie vormen: de frontbeweging (aan het IJzerfront), het activisme (in het bezette land) en het passivisme. De laatste twee zouden na de oorlog bijdragen tot de oprichting van de Frontpartij.

Activisme

Tijdens de oorlog wordt binnen de Vlaamse Beweging een radicale stroming geboren, die niet langer culturele ontvoogding, maar meteen het recht op zelfbestuur als doel heeft.

Frontbeweging

In de laatste jaren van de Eerste Wereldoorlog groeide onder de Vlaamse troepen het ongenoegen over de Belgische legerleiding. Ongenoegen over het gebrek aan empathie, ongenoegen over het openlijke dédain van Franstalige officieren voor de Nederlandse taal en ongenoegen over het gebrek aan dagelijkse vrijheid om de eigen identiteit, nauw verbonden met godsdienst en de katholieke moraal, te beleven.

Frontpartij

In 1919 wordt de Frontpartij opgericht: de Vlaamse Beweging krijgt haar eigen politieke partij, naast de bestaande partijen. Voor de katholieke partij betekent dit het verlies van een belangrijk potentieel voor haar partijkaders in Vlaanderen.

De mythes van Vlaamse achterstelling in het Belgische leger.

Weliswaar was in 1913 beslist dat het “Vlaams” ook in het leger moest worden ingevoerd, maar die hervorming was nog niet van start gegaan toen de oorlog begon.

Het Frans was dus dominant in het Belgisch leger; qua taal waren de Vlamingen zwaar benadeeld. Maar de verhalen over systematische kwaadwilligheid tegenover het Nederlands is onjuist, men deed eerder systematische inspanningen om er iets aan te verhelpen. Zelfs bij Franstalige officieren was er niet altijd onbegrip voor de klachten van de Vlamingen.

Eerste mythe: Vlaamse soldaten sneuvelden omdat officieren geen Nederlands spraken.

Tweede mythe: het hoge aandeel Vlaamse soldaten aan het IJzerfront én het veel hogere aandeel gesneuvelden.

Conclusie.

Er waren relatief meer gesneuvelden Vlamingen omdat de meerderheid van het leger uit Vlamingen bestond en omdat er verhoudingsgewijs meer Vlamingen gewone piot waren –en daar waren objectieve redenen voor.

[/bg_collapse_level2]