De Kleine Mote

Je winkelwagen

Diksmuide

Dienst Toerisme Stadhuis, Grote Markt 6, 8600 Diksmuide +32 (0)51 79 30 50

https://www.bezoekdiksmuide.be/

Diksmuide

Diksmuide staat bekend als de Boterstad, wat verwijst naar de bloeiende zuivelhandel, die eeuwenlang een van de belangrijkste welvaartspijlers van de stad was. De stad is echter het bekendst vanwege de Eerste Wereldoorlog, waarbij ze het hard te verduren had aan het IJzerfront.

Geschiedenis Diksmuide

Stadswandeling

Wandelcircuit ‘De Stadslink’. Klinknagels op de grond duiden het parcours van 3.2 kilometer aan. Op zestien locaties tonen eigentijdse panelen je de nodige informatie en beelden uit het rijke Diksmuidse verleden.

Bezienswaardigheden

Westhoek jaren 50 VRT (Diksmuide – Nieuwpoort)

https://ytcropper.com/cropped/hV5e7fd4282b6d5

Het stadhuis met belfort aan de Grote Markt

Tijdens de wederopbouw (1923) na de Eerste Wereldoorlog grepen de architecten terug naar de bouwkundige elementen ontleend aan de regionale Vlaamse renaissancestijl.

Standbeeld van Generaal Jacques, Markt

Generaal Baron Jacques de Dixmude, afgebeeld met legerjas, een helm en een sabel en een verrekijker in de hand tuurt naar het front;  op de hoeken staat telkens een figuur: een soldaat in uniform met sabel en vlag; een soldaat in uniform met het geweer in rust; een negerslaaf met ontbloot bovenlijf, met gebalde vuist en de handboeien nog rond de pols geklemd en onder de andere arm een tak met vruchten; een soldaat met het geweer in rust, gekleed in tropenkostuum.

Jules Jacques (1858 – 1928) werd geboren in Stavelot, volgde Koninklijke Militaire School en maakte een militaire carrière.

De tekst op het beeld en de hoekbeelden refereren zowel naar de verdediging van Diksmuide in 1914 als naar de exploten in Afrika:

JE TIENDRAI  –  1914-1918 OVER DE VAART DIXMUDE-MERCKEM-STADEN  –  M’ PALA-1892.

Geëerd voor zijn rol tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Tijdens de Slag om de IJzer (18 tot 31 oktober 1914) stond kolonel Jacques aan het hoofd van het 12de Linieregiment. Hij raakte zelf gewond bij de zware beschietingen en wist tot 10 november 1914 het bruggenhoofd Diksmuide uit Duitse handen te houden. Daarvoor kreeg hij het grootlint in de Leopoldsorde, de hoogste onderscheiding in België en werd hij in de adel verheven met de titel van baron met de toelating om “de Dixmude” aan zijn naam toe te voegen.

Verguisd voor zijn rol in Kongo-Vrijstaat.

Na zijn studies en een korte periode in het Belgisch leger, wordt Jacques in 1887 gedetacheerd naar het Institut cartographique militaire en trekt hij naar Kongo-vrijstaat.

Aanvankelijk werkte Jacques er als eenvoudige klerk. Later speelde hij een rol in de Belgo-Arabische oorlog (1892-94): hij stichtte Albertville als militaire post tegen de Arabo-Swahilische machthebbers. Dit conflict werd voorgesteld als een strijd tegen de ‘mensonwaardige slavenhandel’ van de Arabieren maar was een concurrentiestrijd voor economische dominantie en gezag over het gebied.

In 1895 werd hij districtscommissaris van het rubberwingebied aan het Leopold II-meer. Dat hij geen probleem had met de slavenarbeid blijkt onder meer uit dit schrijven aan een ondergeschikte: “Deze mensen van [Inongo] deugen beslist niet. Ze hebben net enkele rubberlianen gekapt… We moeten tegen ze vechten totdat hun absolute onderwerping is verkregen, of hun volledige uitroeiing… Informeer de inboorlingen dat als ze nog een enkele liaan kappen, ik ze zal uitroeien tot de laatste man.”

Standbeeld met controverse

Het standbeeld kwam er op nationaal initiatief. Het werd onthuld in 1930, naar aanleiding van het Nationaal eeuwfeest. Het heeft altijd controverse opgeroepen. Omdat de inwoners van Diksmuide het te veel eer vonden voor een man die helemaal niet van Diksmuide was, omwille van zijn houding tegenover de Afrikaanse bevolking, omwille van zijn francofone houding tegenover de Vlaamse soldaat. Midden de jaren vijftig werden de hoekbeelden van het standbeeld vernield, maar later gerestaureerd. Recent werd het standbeeld beklad met rode verf.

Het standbeeld van de hand van Albert Courtens werd vanwege de artistieke waarde voorgedragen voor bescherming door Monumentenzorg, niet omwille van de historische betekenis.

De Sint-Niklaaskerk, achter het stadhuis

Een gotische kerk die verwoest werd in de Eerste én de Tweede Wereldoorlog maar naar een plan van de 14e-eeuwse vroeggotische versie werd heropgebouwd. Ook aan de 18de-eeuwse torenspits werd de oorspronkelijke vorm teruggegeven.

Het Begijnhof

Merkwaardige wederopbouw. Een begijnhof-achtig complex van zogeheten burgerlijke godshuizen, bestemd voor oorlogsweduwen en gebouwd door het Nederlandse hulpfonds Steun aan België, wat blijkt uit de tegeltjes welke op de huisjes werden aangebracht en vervaardigd werden door De Porceleyne Fles.

Oorlogsmonumenten

De IJzertoren, Diksmuide (Kaaskerke)

In augustus 1916 werd aan het Belgische front het Comité voor Heldenhulde opgericht, om op het graf van de Vlaamse gesneuvelden een eenvoudige maar betekenisvolle grafsteen te kunnen plaatsen. De Brugse kunstenaar Joe English tekende een Keltisch geïnspireerd kruis met de beginletters AVV-VVK (de leuze van de katholieke Vlaamse studenten: Alles Voor Vlaanderen – Vlaanderen voor Kristus) en de opwiekende blauwvoet, het symbool van de Vlaamse studentenbeweging. Ongeveer 800 dergelijke grafstenen werden opgericht.

Tijdens de oorlog worden er in Oeren honderden Belgische soldaten begraven. Er staan ook tientallen heldenkruisjes. In de nacht van 9 op 10 februari 1918 werden er 38 geschonden: de letters AVV VVK werden met cement dichtgesmeerd. De nacht erop overschilderden frontsoldaten de gedichte letters met zwarte verf. Later werd afgesproken elk jaar samen te komen “waar Vlaamse soldaten begraven lagen”.

En dat gebeurt. In 1920 heeft de eerste IJzerbedevaart plaats, in Steenkerke, met hulde aan Joe English. In 1921 in Steenstrate met hulde aan de Gebroeders Van Raemdonck. In 1922 in Westvleteren met hulde aan Renaat De Rudder.

In 1923 besloot de regering op alle Belgische graven een officiële steen te zetten. De vierde IJzerbedevaart vond plaats in Oeren onder het thema “Eerherstel aan de geschonden graven”.

Het comité der Jaarlijkse Bedevaart naar de Graven van de IJzer vatte het plan op bij de IJzer een terrein aan te kopen waarop een reusachtig kruis zou komen met daarrond de heldenhuldezerkjes. In 1924 kocht het comité een stuk grond waar in 1914-1918 een Belgische stelling lag tegenover de beruchte Duitse post in de minoterie (bloemmolen). Vanaf dat jaar zou daar de jaarlijkse bedevaart plaatshebben.

De plannen om op alle Belgische graven een officiële steen te zetten werden uitgevoerd. Op 26 mei 1925 werden door de Dienst der Militaire Grafstenen meer dan 500 heldenzerkjes verbrijzeld om er grintwegen mee te funderen. Nu besloot het comité een hoog IJzerkruis op te richten om daarin de overgebleven zerkjes in te metselen. Die toren zou een huldemonument zijn voor de Vlaamse frontsoldaat en een eerherstel voor de Vlaamse gesneuvelden.

In 1928 begon de bouw van de toren. Hij werd op 24 augustus 1930 ingewijd bij de incidentrijke elfde IJzerbedevaart. Tijdens de plechtigheid vloog een vliegtuig, bestuurd door piloot Georges Labrique, laag over het bedevaartsterrein. Uit het toestel dwarrelden duizenden tricolore vlaggetjes en strooibriefjes neer over de massa. In de pamfletten werd te keer gegaan ‘tegen de boze herders die onder voorwendsel ener godsdienstige bedevaart, haat en verdeling zaaien en een open strijd aangaan tegen de burgerlijke en geestelijke overheden’. Verder repten zij van ‘verraders en deserteurs’ die in de rug hadden geschoten en bijgevolg het recht niet hadden te spreken in naam van het Vlaamse volk. Het strooibiljet riep de bedevaarders op zich loyaal achter het Belgische vaderland en koning Albert te scharen. De massa reageerde woedend. Belgische vlaggen werden afgerukt en in brand gestoken.

De volgende jaren werden de vier beelden van Karel Aubroeck onthuld. Als vredesmonument werd op de IJzertoren in vier talen de tekst “Nooit meer oorlog” aangebracht. In de kruiskop hing Klokke Nele, “Het hart van Vlaanderen”, 1200 kg.

Na de inhuldiging in 1930 werd het idee geopperd om in de toren een crypte als mausoleum in te richten. In 1930 en 1937 werden de stoffelijke resten van volgende Vlaamse frontsoldaten (‘‘de IJzersymbolen’ ‘) in de crypte bijgezet : Renaat De Rudder, Joe English, de gebroeders Van Raemdonck, Frans Van der Linden, Firmin Deprez, Frans Kusters, Bert Willems en Juul De Winde. Ook de Waalse soldaat Amé Fiévez ligt hier samen met de gebroeders Van Raemdonck in één kist begraven. Een grafsteen eert “al wie viel voor Vlaanderen”.

In de crypte hangt het doorschoten kruis van Nieuwpoort en staat ook de steen van Merkem. De crypte is nu Unesco werelderfgoed.

Die steen van Merkem werd, tijdens een nachtelijke actie in 1917, beschilderd door enkele Vlaamse militairen die opkwamen voor de toepassing van de taalwetten. De boodschap “Hier ons bloed wanneer ons recht” kwam op de sokkel van een standbeeld en dorpspomp bij de kerk van Merkem. Doordat de steen na de bevrijding plat lag, bleef hij zestien jaar onopgemerkt liggen. Maar het IJzerbedevaartcomité beschikte over een foto van de steen en bleef zoeken. De ‘Steen van Merkem’ werd eind februari 1934 naar de crypte van de IJzertoren overgebracht.

Na de Tweede Wereldoorlog, in de sfeer van de repressie (de vervolging van de collaboratie waaraan een niet onaanzienlijk deel van de Vlaamse Beweging zich had schuldig gemaakt), werd de IJzertoren in 1945 bij een eerste (amateuristische) aanslag beschadigd en in de nacht van 15 op 16 maart 1946 door ‘onbekenden’ vakkundig gedynamiteerd. De klok Nele barstte maar de crypte met de graven en de Steen van Merkem bleef zo goed als ongeschonden. Na het ruimen van het puin werd een voorlopige afdekking gegoten. Op de crypte van de verwoeste toren kwam in 1948 een bescheiden huldekruis met de beginletters AVV-VVK en de blauwvoet.

Omwille van voortdurende waterinfiltratie, barsten, scheuren, verzakte muren … werd in 1996 beslist de crypte grondig te restaureren. De restauratie was vrij ingrijpend maar hield terzelfder tijd rekening met de traditie: de restanten van de oude Toren bleven volledig zichtbaar en de steen van Merkem, de klok Nele, de eerste steen van de eerste Toren, de naamstenen en de oorspronkelijke ingangsdeuren werden verwerkt in de nieuwe Crypte.

Vanaf 1952 verrees honderd meter verder de nieuwe IJzertoren, nu 85 meter hoog in plaats van vijftig. De crypte werd in 1958 ingewijd, de toren in 1965.

Paxpoort, Diksmuide (Kaaskerke)

In 1950 bouwde men met de brokstukken van de opgeblazen IJzertoren, de Paxpoort. Aan de hoeken ervan staan de herstelde beelden van Edward en Frans Van Raemdonck, Renaat De Rudder, Joe English en Frans Van Der Linden met Lode De Boninge.

Museum aan de IJzer

Diksmuide (Kaaskerke), op de vredessite ‘Aan de IJzer’  (met Paxpoort, IJzercrypte en IJzertoren.).

Museum is ingericht om de bezoekers interactief en belevingsgericht een inkijk te bieden in de Groote Oorlog, met de klemtoon op de Belgisch-Duitse confrontatie. Uniek zicht over de hele frontstreek, 84 meter hoog boven de ‘Vlaamse Velden’, vanuit de panoramazaal.

http://www.museumaandeijzer.be/

Villa Marietta

IJzerdijk 18, Diksmuide (Nieuwkapelle)

Villa Marietta is het bakstenen landhuis van Marie Tack.

Deze weduwe van een adellijke heer is 78 jaar oud als de Eerste wereldoorlog uitbreekt. De IJzerdijk wordt de eerste Belgische verdedigingslinie, uitgebouwd met loopgraven en militaire versterkingen. Haar woning, een kilometer van de Duitse frontlinie verwijderd, fungeert als hoofdkwartier en commandopost, door de lagere ligging achter de dijk is het enigszins beschut.

Ondanks de vijandelijke beschietingen blijft mevrouw Tack koppig in haar huis. Ze ontvangt er soldaten, officieren en veel hooggeplaatste personen zoals Koning Albert, Koningin Elisabeth, de Franse President Poincaré. Die gasten laten hun naam achter in haar Gulden Boek, nu tentoongesteld in het Museum aan de IJzer.

In april 1916 wordt de woning deels vernield door vijandelijke beschietingen. Militairen doen de nodige herstellingen en Madame Tack kan na twee dagen terugkeren.

Op 20 juni 1916 ontvangt ze het Ridderkruis van de Orde van Leopold II en pas wanneer de vijandelijke beschietingen in 1917 intensiever worden, trekt ze naar De Panne.

Tot dan deelde ze, met haar ezel, voedsel en sigaretten uit aan de militairen in de loopgraven, wat haar de bijnaam ‘Maman des soldats’ oplevert. Op het schilderij ‘Portrait de Mme Tack’ van de Belgische kunstenaar Allard l’Olivier uit 1917 wordt ze waarheidsgetrouw afgebeeld in amazonezit op haar ezel. Het werk (olie op doek van 165 x 200 cm) is in het bezit van het Musée des Beaux-Arts in Doornik.

Oorlogssite

De Dodengang langs de IJzer, Diksmuide (Kaaskerke).

Het laatst bewaarde stuk van het Belgische front uit de Eerste Wereldoorlog, een verdedigingscomplex van loopgraven en bunkers.

De plaats heeft een bijzondere emotionele waarde en wordt onmiddellijk bewaard als herdenkingsoord. Maar loopgraven zijn grotendeels opgebouwd uit natuurlijke materialen. De erosie doet zijn werk. Het hout rot weg. Zandzakken vergaan en wanden storten in. In 1924 laat het Ministerie van Openbare Werken de Dodengang opnieuw aanleggen. De jutezandzakken worden vervangen door zakken gevuld met cement.

Vanaf 1995 voert het 11de Bataljon Genie onder leiding van het 5de Regionaal Centrum voor Infrastructuur van Defensie belangrijke restauratiewerken uit in de loopgraven langs de IJzer. In 2002 wordt een nieuw gebouw opgericht, dit gebouw laat toe de loopgravenoorlog en het lijden van de soldaten op een boeiende manier voor de jonge generaties te evoceren.

http://www.wo1.be/nl/db-items/dodengang

Oorlogskerkhoven

Deutscher Soldatenfriedhof in Diksmuide, Vladslo [45km, 50 minuten]

Unesco werelderfgoed.

In het Praatbos hadden de Duitsers een verbandpost. Daar ontstond het Soldatenfriedhof Vladslo. Na de Eerste Wereldoorlog werd het uitgebreid, bijna 22.000 graven werden naar hier overgebracht vanuit 61 Belgische plaatsen. Onder de eiken rusten 25.638 Duitse doden.

Een van de indringendste militaire begraafplaatsen.  Hier geen helden, geen roem; alleen een veelzeggende stilte, een stille aanklacht. De eenvoud van de eindeloze rijen platte, grijze grafstenen op het gras, de bomen errond, de natte bladeren in de herfst.

http://www.wo1.be/nl/db-items/duitse-militaire-begraafplaats-vladslo

Beeldengroep ‘Het treurende ouderpaar’ (K. Kollwitz)

Achteraan op de Duitse militaire begraafplaats in het Praetbos te Vladslo zitten twee geknielde figuren op een sokkel.

Zij stellen ‘Het treurende ouderpaar’ van de Duitse kunstenares Käthe Kollwitz voor en staan opgesteld vóór het graf van Musketier Peter Kollwitz, de tweede zoon van Karl en Käthe Kollwitz. Hij sneuvelde op 18-jarige leeftijd op 23 oktober 1914.

Op 23 juli 1931 werden de stenen beelden geplaatst op Het Roggeveld (tussen Zarren en Essen) waar Peter begraven was. In 1956 werd zijn graf, samen met 1538 kameraden, overgebracht naar het het Praetbos in Vladslo. Op hetzelfde moment verhuisde ook het beeldhouwwerk om bij zijn graf te worden opgesteld.

Links knielt de vader met al zijn opgekropt mannelijk leed : met ingevallen wangen en een verbeten trek om de mond, de armen krampachtig om het lichaam geslagen en het hoofd uit de opgetrokken schouders groeiend : neerblikkend op de duizenden graven, waaronder dat van zijn zoon Peter in het onmiddellijk bereik van zijn ogen.

Rechts knielt de moeder, Käthe Kollwitz zelf : voorovergebogen, de ogen geloken, met de rechterhand de wijde mantel dicht tegen haar wang aandrukkend : één en al innigheid, verdriet en liefde.

Tip: combineer dit met een bezoek aan het Käthe Kollwitz museum in Koekelare (8 km verder).

Käthe Kollwitz Museum

Brouwerijstraat, Koekelare.

Het museum brengt het verhaal van Käthe Kollwitz als moeder van een gesneuvelde soldaat en laat, aan de hand van een verzameling van originele kunstwerken, zien hoe de kunstenares in opstand kwam tegen oorlog en armoede. In het uitleidend deel toetst het museum haar werk aan de hedendaagse kunstwereld.

Käthe Kollwitz (1867-1945) was een Duitse expressionistische kunstenares wiens hele leven in het teken staat van de (vooral grafische) kunsten.

Haar man Carl was een armendokter en uitgesproken socialist uit Berlijn en ook Käthe was zeer sociaal bewogen. Gegrepen door de sociale noden en de verbondenheid tussen moeder en kind, maakte zij deze tot onderwerp van haar prenten. Ze wijdde zich geheel aan de grafische technieken (tekening, ets, litho, lino) die zich het best leenden voor het getuigend karakter van haar werk: gedetailleerde etsen, in historische cyclussen, zoals ‘De opstand der Wevers’ en ‘De Boerenoorlog’.

Onder de indruk van het werk van de Noorse kunstschilder Munch gaf ze haar aanklachten vorm in stille, uitdrukkingsloze figuren. Later zette ze echter het realisme om in een eigen expressionisme. Pas rond 1915 begon zij te beeldhouwen.

Ze had twee kinderen, Hans en Peter. Peter, 17 jaar, ging vrijwillig in dienst in 1914. Vader Kollwitz was faliekant tegen maar moeder Käthe deed een goed woordje voor Peters plan. Peter werd musketier en sneuvelde op de dag van zijn aankomst in Diksmuide. De jonge, onervaren en amper opgeleide Duitse vrijwilligers die in het begin van de oorlog werden ingezet, waren geen partij voor de Franse en Britse beroepslegers.

Käthe Kollwitz ontwikkeld zich tot een pacifiste. ‘Nie Wieder Krieg’ klonk ‘t na de oorlog en Käthe Kollwitz tekende met deze woorden een vlammende affiche voor de Duitse Pacifisten.

Ze werkte 18 jaar -even lang als Peter leefde- aan de twee beelden van treurende ouders (‘Het Treurend Ouderpaar’) die bij het graf van Peter staan, op het kerkhof van Vladslo, een van de meest beklijvende oorlogsgedenktekens in de Westhoek.

Käthe Kollwitz wist zich nooit meer los te maken van de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog. Geknakt door het sneuvelen van haar zoon, bleef zij almaar tekeningen maken waarin dood en rouw de belangrijkste thema’s zijn.

In 1933 werd haar werk ‘entartet’ (ontaard) verklaard door de nationaalsocialisten en werd Käthe Kollwitz verdreven van de Berlijnse academie, waar zij sinds 1928 hoogleraar van de grafische afdeling was. Ze werd ook geschrapt uit de orde Pour le Mérite.

In 1936 kreeg zij een expositieverbod en daarna heeft zij alleen nog getekend en gebeeldhouwd. In haar late werk nam het afbeelden van moeder en kind een centrale plaats in.

Haar kleinzoon Peter (zoon van Hans en genoemd naar zijn gesneuvelde oom) sneuvelde tijdens de Tweede Wereldoorlog, in 1942 in Rusland.

Op het eind van haar leven vaak gebruikte Kollwitz vaak een zin van schrijver Goethe: “Saatfrüchte sollen nicht vermahlen werden”. Het zaad, haar zoon en kleinzoon die door de oorlog vermorzeld werden. Het is ook de titel van een litho uit 1941. Käthe stierf te Moritzburg op 22 april 1945.

Na de Duitse eenwording  werd het (vergrote) bronzen beeld ‘Moeder met haar dode zoon’ dat Kollwitz maakte naar aanleiding van het sneuvelen van haar zoon, geplaatst in de Neue Wache, sindsdien opgedragen als ‘Centrale gedenkplaats van de Bondsrepubliek Duitsland voor de slachtoffers van oorlog en tirannie’.

https://www.toerismekoekelare.be/kathe-kollwitz-museum

Natuurgebied

Bezoekerscentrum De Blankaart

Iepersteenweg 56  8600 Woumen +32 (0)51 54 52 44

Het Bezoekerscentrum (en Secretariaat Natuurpunt De Bron) is ondergebracht in het Blankaartkasteel  en paalt aan het natuurgebied De Blankaart. Het herbergt een boeiende tentoonstelling over de natuur in de IJzer- en Handzamevallei.

Het kasteelpark en een groot deel van het natuurgebied zijn vrij toegankelijk op de aangeduide paden. Het kasteelpark is toegankelijk voor kinderwagens en rolstoelgebruikers, het wandelpad en de vogelkijkhutten in het natuurgebied zelf niet.

Wandelaars komen in De Blankaart ogen tekort. Eenmaal het fotogenieke kasteel met bezoekerscentrum voorbij, vertelt een oude ijskelder links van het pad een eigen verhaal van overwinterende vleermuizen. Aan de andere kant van het pad geven gele plomp en bloeiende waterlelies kleur aan de charmante kasteelvijver. Even verderop krijg je vanop een idyllisch bruggetje een zicht op de grote Blankaartvijver. Langs het wandelpad vind je informatieborden, een vogelkijkhut en een forse uitkijktoren.

De Blankaart is zowel in herfsttooi, in winterkleed, als aan de vooravond van de lente of gedurende de zomerse maanden een natuurparel. Elk seizoen heeft zo zijn eigen kleuren en ook zijn typische vogels.

https://www.natuurpunt.be/bezoekerscentrum/provinciaal-bezoekerscentrum-de-blankaart