De Kleine Mote

Hongersnood in WO1

De Eerste Wereldoorlog was voor vele burgers een dagelijkse strijd op leven en dood om voedsel te vinden.

Afhankelijkheid van import

Begin 20ste eeuw importeerde België 80% van zijn voedselbehoeften. Alleen voor aardappelen, margarine, suiker, groenten en fruit voorzag het land nog in de eigen behoeften, maar bijvoorbeeld broodgranen werden voor bijna driekwart uit het buitenland ingevoerd.

De Belgische landbouw was bovendien afhankelijk van ingevoerde meststoffen, veevoeders, zaden en pootgoed. Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kwam die bevoorrading in moeilijkheden: er was een Britse zeeblokkade en Duitse onderzeeërs torpedeerden ook koopvaardijschepen van neutrale mogendheden. Het bezette continent was afgesneden van alle buitenlandse handel en hulp. Daardoor ontstonden tekorten aan voedingsmiddelen, meststoffen en brandstoffen.

Een vicieuze cirkel: geen import van voeder en mest, minder eten voor dieren en een felle afbouw van de veestapel, minder natuurlijke mest waardoor de gewassen op hun beurt minder goed groeiden… de landbouwproductie stortte in en de voedselbevoorrading kwam in het gedrang.

Het zo welvarende België werd bijzonder hard getroffen, er heerste al snel grote hongersnood, los van alle andere oorlogsellende.

De Eerste Wereldoorlog veranderde het landbouwbeleid in heel Europa ingrijpend: de overheid kreeg meer ruimte om de sector te sturen en te beschermen, zodat de bevolking in de toekomst geen honger meer zou moeten lijden.

Duitse bezetting

De Conventie van Den Haag (1907) liet toe dat een bezettingsleger de opbrengsten van de plaatselijke landbouw aanwendde voor eigen gebruik.

Vee, graan, groenten, veevoeder en meststoffen, graan, boter, kaas,… werden onmiddellijk opgeëist en samengebracht in door de Duitsers gecontroleerde Zentralen. Van hieruit werden deze goederen over de verschillende legereenheden in het bezette gebied verdeeld.

Een deel daarvan werd – tegen alle afspraken in – naar Duitsland uitgevoerd terwijl de Belgische bevolking honger leed.

Zwarte markt en smokkel

Normaal dienden deze Zentralen ook om de verdeling van het voedsel over het bezette land te regelen en de prijzen te controleren. Maar het voedselaanbod daalde drastisch en ondanks de instelling van maximumprijzen door het Duitse bewind schoten de prijzen pijlsnel de hoogte in: de zwarte markt floreerde als nooit tevoren.

De boeren slaagden er ondanks alles in gewassen te telen en enkele stuks vee te houden en door de voedselschaarste konden ze hun producten tegen woekerprijzen aan de man brengen. De stad kwam naar den buiten; vaste opkopers bezochten zelfs de meest afgelegen boerderijen en scharrelden al op wat ze konden; de boter was verkocht vóór ze gekarnd, de eieren verpatst vóór ze gelegd waren.

Er ontstond smokkeltrafiek vooral langs de grens met Nederland en de grens tussen het Sperrgebiet (het gebied met de bevoorradingsplaatsen voor de krijgstroepen, in de regel één dagmars achter het front, onder militair gezag) en het Gouvernementsgebiet (de rest van bezet België, onder gezag van een gouverneur-generaal).

De (grote) boeren en grondbezitters kwamen als ‘winnaar’ uit de oorlog en die woekerwinsten maakten ‘de boer’ allesbehalve populair. Sommigen beweerden dat boeren nog minder geliefd waren dan de Duitsers.

Het Nationaal Hulp- en Voedselcomité

Al in 1914 werd het ‘Komiteit’ opgericht, in de Brusselse kosmopolitische wereld van de progressieve denkers, hoge burgerij en buitenlandse diplomaten.

Gangmakers van het Komiteit waren Emile Francqui (notoir bankier van de Société Générale) en Ernest Solvay (machtige industrieel). Samen met enkele hooggeplaatste personen van neutrale landen (Herbert Hoover, de Spaanse markies Villobar, de Nederlandse diplomaat Van Vollenhoven) richtten zij het NHVC op.

Het Komiteit ontstond zeker uit humanitaire bekommernissen maar het opzet was niet enkel altruïstisch. Het NHVC werd een ‘staat in de staat’ en een hefboom voor invloed op de maatschappij na de oorlog. Meer dan de helft van de eerste naoorlogse regering had een zetel bekleed in het nationale voedingscomité.

Het NHVC zorgde niet enkel voor voedselbedeling.

Binnen de schoot van het NHVK ontstond in 1915 een nationale hulpverlening voor alle arbeiders en bedienden die als gevolg van de oorlog werkloos waren geworden, de eerste nationale werkloosheidsregeling. De uitbetaling werd toevertrouwd aan de vakbonden.

Er werd systematische zorg voor kinderen en baby’s georganiseerd: arbeiderskinderen werden gewogen, zwangere moeders konden goedkoop op consultatie bij de dokter. Het leidde in 1919 tot de oprichting van het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn (de voorloper van Kind en Gezin).

Het comité plaveide ook de weg naar een ‘her-denking’ van de sociale bijstand in het land: bijstand als een recht, niet als liefdadigheid. De zwakke Weldadigheidsburelen werden in 1921 vervangen door de meer krachtdadige Commissies van Openbare onderstand (de voorlopers van het OCMW).

Het belang van het NHVC tijdens (en na de oorlog) kan niet overschat worden. In feite regelde de organisatie gedurende vijf jaar het sociaaleconomische doen en laten in België. Zij was tegelijkertijd boer, voedselinspecteur, werkgever, zakenbankier en consumentenbond.

Commission for Relief in Belgium

Het Nationaal Hulp- en Voedselcomité dat de voedselbevoorrading op gang wilde brengen, stond voor een uitzichtloze taak: het grootste deel van België was door de Duitsers bezet en een Britse maritieme blokkade belette elke import.

Maar de stichters hadden een groot netwerk en invloed. In de 19e eeuw stond België tweede op de ranglijst van economische macht, derde op het gebied van industrie en vierde op de ranglijst van internationale handel. De Belgische economie kon bogen op de eerste spoorlijn op het continent, technische expertise, een bloeiende mijnindustrie en een kolonie vol rijkdommen. België voerde massaal producten en materialen uit naar alle uithoeken van de wereld. Zijn ondernemers en ingenieurs waren gegeerd in buitenlandse industrieën en projecten, zoals in Rusland en China

Emile Francqui – topman van de Generale Maatschappij en hoofd van het Nationaal Hulp- en Voedselcomité – zocht hulp bij zijn Amerikaanse vriend Herbert Hoover.

Herbert Clark Hoover werd als arme wees opgevoed door zijn oom. Hij schopte het op de Universiteit van Stanford tot geoloog en werd hij een succesvol en rijk mijningenieur. Hij was sterk beïnvloed door het Quakergeloof. Die tak van het protestantisme erkent dat in elk mens iets van God is, wat ze “innerlijk licht” noemen. Centraal staat hun streven naar vrede, gerechtigheid (ook sociale), eenvoud en de strijd tegen slavernij. Wij werd de 31e president van de Verenigde Staten van 1929 tot 1933.

Hoover had een brede filantropische reputatie opgebouwd in binnen- en buitenland: toen hij, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, vast zat in Groot-Brittannië had hij een succesvolle hulpactie op touw gezet om zijn gestrande landgenoten financieel en medisch bij te staan in afwachting van hun repatriëring naar hun neutrale land.

Hoover richtte op 22 november 1914 zijn “Comittee for Relief of Belgium” (CRB) op dat, dankzij persoonlijke dotaties en VS-overheidssteun, uitgroeide tot een gigantische operatie die wereldwijd voedsel aankocht en naar het neutrale Nederland (Rotterdam) verscheepte om het van daaruit via kanalen en (spoor)wegen te verdelen naar het bezette België en Noord-Frankrijk.

Dit was een delicate diplomatieke evenwichtsoefening tussen de geallieerden en de Duitsers: de Britse schepen lieten de voedselkonvooien door en Duitsland verbond zich om het voedsel integraal te laten leveren aan de hongerende Belgen en Fransen. Het hielp dat Hoover kon rekenen op de steun van VS-president Woodrow Wilson. Maar er waren toch vaak incidenten, Duitse onderzeeërs deden een aantal schepen van hulpverleners zinken, ondanks de gigantische vlaggen van de CRB.

Gigantisch: het CRB had een eigen vlag, marine, fabrieken en spoorlijnen. Tegen het einde van de oorlog had de Commission ongeveer 5,2 miljoen ton voeding (voor een waarde van bijna 1 miljard dollar) gekocht en opgestuurd naar 9,5 miljoen burgerslachtoffers en dat met een administratieve kost van amper 0.43%. Driekwart van de Belgische kinderen had maaltijden van de CRB ontvangen.

Voedingsmiddelen, geïmporteerd door de CRB, bleven eigendom van de Amerikaanse ambassadeur in België, Brand Whitlock, tot aan de herverdeling aan het Belgische volk. Het voedsel werd niet overgedragen aan het NCHVC, dat waren immers geen burgers een neutraal land waardoor ze genoodzaakt waren te gehoorzamen aan de Duitse bezetter. In april 1917 (na de Amerikaanse oorlogsverklaring aan Duitsland) werd die rol overgenomen door Spaanse en Nederlandse diplomaten, tot de wapenstilstand in 1918.

Er was wel nauwe samenwerking (en herhaaldelijke strubbelingen) tussen de CRB en het NHVC voor de voedseldistributie. Er waren maar een honderdtal Amerikaanse medewerkers; de verdeling gebeurde door meer dan 70,000 Belgische en Franse vrijwilligers.

Zelfs over de lege katoenen meelzakken waakte de CRB, ze werden zorgvuldig verzameld en herverdeeld aan scholen voor beroepsonderwijs, naaiateliers, kloosters en kunstenaars. Daar werden ze hervormd tot nuttige zaken (kleren, kussenslopen, tassen,..) of versierd met borduur- of schilderwerk. Die versierde zakken werden nauwlettend gecontroleerd en gedistribueerd aan bedrijven en organisaties in België, Engeland en de Verenigde Staten om zo geld te kunnen inzamelen

Voedselbedeling en hongersnood

Dankzij de voedselhulp van het CRB en het NHVC netwerk van provinciale, regionale en lokale afdelingen konden levensnoodzakelijke goederen als brood, soep, kleding, steenkool tegen een aanvaardbare prijs gekocht worden in ‘Amerikaanse winkels’ en kregen hulpbehoevenden rantsoenbonnen.

Wat niet belette dat, vanaf 1916, vele Belgen balanceerden op de rand van de hongersnood. Voedselprijzen waren verdrievoudigd, de graan- en de veestapel waren in elkaar gestort, gronden geraakten door een gebrek aan bemesting uitgeput.

Hongersnood in WO1

De rantsoenen werden niet alleen karig, maar ook bijzonder eenzijdig. Vlees en boter werden een delicatesse. Warme maaltijden bestonden vooral uit aardappelen, aangevuld met groenten, peulvruchten, voederknollen en eventueel ingevoerde maïs uit de VS.

In de steden en dorpskernen was de voedselnood het hoogst. In elk dorp werden dagelijks openbare soepbedelingen met een snee brood georganiseerd.

Mensen trokken naar de naburige bossen en verzamelden er bessen, noten, kruiden, paddenstoelen en zaden. Vijvers, rivieren en kanalen kregen plots talrijke amateur-vissers op bezoek.

Alle beschikbare bermen, onverkochte bouwgronden, opgeruimde storten, stadsparken en bossen – of ze nu in handen waren van particulieren, de staat of de gemeente – werden omgevormd tot moestuinen. Groenten, fruit en vooral aardappelen waren de voornaamste teelten. Als meststof werd meestal stadsbeer of de mest van huisdieren gebruikt.

De volkstuintjes kenden een groot succes. Zelfs aan het front werden kleine tuintjes aangelegd. Dat was nodig ook, want ook de bevoorrading van de frontsoldaten liet veel te wensen over. De Belgische militaire bevoorradingsdienst voorzag het nodige zaaigoed.

Zowel de Boerenbond als het Nationaal Hulp- en Voedingscomité (NHVC) lanceerden initiatieven om de voedselschaarste van de Belgische bevolking aan te pakken.

Van huisvrouwen werden spaarzaamheid en creativiteit aan het fornuis verwacht.

Er werden talrijke brochures uitgegeven met tips voor het bereiden van een evenwichtige maaltijd met schaarse middelen, bijvoorbeeld over hoe brood te vervangen door rijst en maïs, vlees door vis en mosselen, en boter door goedkopere vetstoffen. Voedseladviezen wezen op de waarde van een vleesarm dieet.

De Boerinnenbond bracht kookboekjes de markt met tips om met beperkte middelen toch nog een lekkere maaltijd te bereiden.

Mensen werden overigens heel creatief in die periode. Zo ontstonden er recepten voor oorlogswafels en oorlogspeperkoek. Voor vleesafval haalde men niet langer de neus op. Nierenragout, uier en lever maakten een vast bestanddeel uit in de kookboekjes.

 “Ersatz” werd het toverwoord. Brood bestond deels uit zaagsel en aardappel- of koolraappoeder en werd bepoederd met kalk in plaats van met bloem. Koffie werd gemaakt van chicorei, eikeltjes en aardnoten; de thee bestond uit gedroogde frambozenblaadjes.

Spaanse griep

De bevolking was aan het eind van 1918 zo verzwakt dat men vatbaar was voor de Spaanse griep, die wereldwijd veel slachtoffers heeft gemaakt.