De Kleine Mote

Inhoud / Content / Contenu

Oorlogskerkhoven – bezoeken

België is land waar vele oorlogsdoden begraven liggen. Alleen al ten gevolge van beide wereldoorlogen rusten hier 204.000 oorlogsdoden uit het British Empire, 180.000 Duitsers, 16.000 Belgische militairen, 13.500 Amerikanen en een aantal Fransen, Polen, Russen en andere nationaliteiten.

Oorlogskerkhoven vindt u overal in de Westhoek, kleine en grote, en verschillende nationaliteiten. Er waren honderdduizenden doden te begraven. Mooi en stil zijn ze allemaal maar dit is een lijst van de kerkhoven die het meest verstillen en ontroeren.

Duizend Soldaten – Willem Vermandere

Oorlogskerkhoven

Amerikaanse oorlogskerkhoven

Flanders Field American Cemetery and Memorial te Waregem [60km]

Het enige Amerikaanse begraafplaats van de Eerste Wereldoorlog in België en het kleinste Amerikaanse militaire kerkhof op het Europese continent. 368 soldaten vonden er hun laatste rustplaats en nog eens 43 staan vermeld op de Muur van de Vermisten.

Op 30 mei 1927 – 9 dagen na zijn historische vlucht over de Atlantische Oceaan – vloog Charles Lindbergh over deze begraafplaats in zijn Spirit of St. Louis om bloemen over de graven van zijn gevallen landgenoten uit te strooien.

Ieder jaar wordt op Memorial Day (de zondag dichtst bij 30 mei) een herdenkingsdag gehouden voor de Amerikaanse oorlogsslachtoffers; en telkens zingen de Waregemse schoolkinderen er het Amerikaanse volkslied.

Er is een bezoekerscentrum met informatie over de Amerikaanse betrokkenheid tijdens de Eerste Wereldoorlog in België en het ontstaan van de begraafplaats. Daarbij is er eveneens aandacht voor persoonlijke verhalen van de gesneuvelde soldaten.

https://www.waregem.be/amerikaansebegraafplaats

Britse oorlogskerkhoven

Tyne Cot Cemetery in Passendale [20km]

Ingang en parking: Vijfwegestraat, 8980 Passendale

Geen toerist kan er omheen. Het heeft met de macht van het getal te maken: het graf van meer dan elfduizend soldaten, ‘altijd iemands vader, altijd iemands kind’ zong Willem Vermandere. Bij Tyne Cot ben je nooit alleen en de mooiste begraafplaats is het ongetwijfeld niet. Maar zonder Passendale heb je de Westhoek niet gezien. (Zeven oorlogskerkhoven die je gezien moet hebben – De Morgen – Rik Van Puymbroeck, 7 augustus 2014)

De naam Passendale is gegrift in het collectieve geheugen van Groot-Brittannië en het Britse Gemenebest. De Slag bij Passendale kostte onnoemelijk veel mensenlevens. De Britten noemden het ‘Passiondale’ of ‘dal van het lijden’.

Oorspronkelijk was ’Tyne Cot’ een versterkte positie van de Duitse Flandern I-stelling. Nadat Australische troepen de stelling veroverden in oktober 1917, werd er een eerste hulppost ingericht. Er ontstond al snel een kleine begraafplaats met 340 gewonden die ter plaatse bezweken.

Tussen 1919 en 1921 brachten gespecialiseerde ’Exhumation Companies’ hier vanuit de omliggende velden de gesneuvelden samen. En zo werd Tyne Cot de grootste Commonwealth militaire begraafplaats ter wereld.

Het graf van meer dan 11.000 soldaten, waarvan meer dan 8.300 niet-geïdentificeerden. Op het Missing Memorial, de muur achteraan de begraafplaats, staan de namen gegrift van net geen 35.000 vermiste soldaten. Zij sneuvelden na 15 augustus 1917. De overige bijna 55.000 namen van vermisten gesneuveld tussen augustus 1914 en 15 augustus 1917 vind je op de Menenpoort in Ieper. Die Menenpoort, nog ontworpen tijdens de oorlog, was niet groot genoeg om alle vermisten te vermelden.

De begraafplaats met memorial werd ontworpen door Sir Herbert Baker en in 1927 onthuld.

Het ”Cross of Sacrifice” werd op vraag van de Britse koning George bovenop de veroverde Duitse bunker gebouwd.

Het moderne bezoekerscentrum geeft een uitzicht op het slagveld en geeft meer inzicht en informatie over de slag.

’The Road to Passchendaele’

De begraafplaats Tyne Cot is door een 3 km-lang wandel- en fietstraject verbonden met het Passchendaele Memorial Park waarin ook het ‘Memorial Museum Passchendaele 1917’ gevestigd is. Dit traject wordt ook ’The Road to Passchendaele’ genoemd.

http://www.wo1.be/nl/db-items/tyne-cot-cemetery

Kemmel Chateau Military Cemetery [2.2 km]

Kemmel, nieuwstraat

GPS 50.786879,2.828979

Het kasteel is verdwenen: op kerstdag 1917 uitgebrand en tijdens het Duitse lenteoffensief van 1918 helemaal vernield. In het park van het kasteel werden vanaf 1914 soldaten begraven.

Er liggen nu 1.030 Britten (waarvan 21 niet geïdentificeerd konden worden), 24 Australiërs (waaronder 1 niet geïdentificeerde), 80 Canadezen en 1 Nieuw-Zeelander uit de Eerste Wereldoorlog begraven. Er rusten ook nog 21 Britten (waarvan 3 niet geïdentificeerde) en 1 Noord-Afrikaanse Franse soldaat uit de Tweede Wereldoorlog. Zij kwamen om tijdens de terugtrekking van het British Expeditionary Force naar Duinkerke in mei 1940.

Hier liggen 11 gesneuvelde tunnelgravers die op 10 juni 1916 omkwamen bij de explosie van een mijnschacht in Petit Bois in Wijtschate.

Soldaat Krag-Juel-Vind-Frijs, Count Ove is een Deense graaf die bij de Canadian Infantry dienst deed en soldaat Renginald Wilson was slechts 15 jaar toen hij op 3 april 1915 sneuvelde.

Er liggen ook twee gefusilleerde Britse militairen.

http://www.wo1.be/nl/db-items/kemmel-chateau-military-cemetery

Polygon Wood Cemetery, Zonnebeke [20 km]

Lange Dreve, Zonnebeke

Britse militaire begraafplaats met gesneuvelden uit de Eerste Wereldoorlog, vlakbij het Polygoonbos.

Het bos was tijdens de Eerste Wereldoorlog strategisch gelegen aan de Ieperboog, op de Midden-West-Vlaamse Heuvelrug. Het werd afwisselend bezet door de Duitsers en de geallieerden en werd helemaal vernietigd. Er liggen 107 doden begraven: 46 doden uit het Verenigd Koninkrijk (waaronder 17 niet geïdentificeerde), 60 Nieuw-Zeelanders (waarvan 2 niet geïdentificeerde) en 1 Duitser.

http://www.wo1.be/nl/db-items/polygon-wood-cemetery

Buttes New British Cemetery, Zonnebeke [20 km]

Lange Dreve, Zonnebeke

Britse militaire begraafplaats met gesneuvelden uit de Eerste Wereldoorlog,

De begraafplaats ligt in het Polygoonbos, bijna twee kilometer ten zuiden van het dorpscentrum van Zonnebeke. Er worden 2.108 doden herdacht, waarvan meer dan 1.600 niet geïdentificeerde.

Deze toegangsweg ligt op dezelfde as als de toegangweg naar de Polygon Wood Cemetery dat zich net buiten de bosrand aan de overkant van de straat bevindt.

Voor de oorlog werd het Polygoonbos gebruikt als militair oefenterrein. Hier bevond zich een kunstmatige heuvel, “doel” of “butte” genoemd, om kogels op te vangen. Op deze heuvel, aan de noordoostkant van de begraafplaats, staat nu het Fifth Australian Division Memorial. Naast de heuvel staat centraal de Stone of Remembrance. Hier staat geen Cross of Sacrifice -deze staat op de Polygon Wood Cemetery.

Aan de zuidwestkant van de begraafplaats staat het Nieuw-Zeelands herdenkingsmonument Buttes New British Cemetery (N.Z.) Memorial, Polygon Wood, ter herdenking aan 378 militairen van de New Zealand Division zonder gekend graf.

http://www.wo1.be/nl/db-items/buttes-new-british-cemetery-polygon-wood

Essex Farm Cemetery (‘site John McCrae’), Boezinge [15 km]

Diksmuidseweg naast nr 148, 8904 Ieper (Boezinge)

Langs het kanaal Ieper-IJzer, net buiten Ieper, ligt Essex Farm Cemetery. De plaats is ook gekend als ‘site John McCrae’ omdat de Canadese arts hier op 2 en 3 mei 1915 zijn wereldberoemde gedichtIn Flanders Fields’ schreef.

De hoge kanaaldijk werd in de 17de eeuw door de Franse militaire architect Vauban aangelegd als een ’retranchement’, een grote verdediging langs het kanaal, die gedurende meer dan 50 jaar de noordgrens van het Franse rijk van Louis XIV vormde.

In april 1915 stonden hier stukken geschut van de ”1ste Canadese artilleriebrigade”, korte tijd later bouwden de ”Royal Engineers” een hele reeks ”shelters” en ”dug-outs”.

Om de slachtoffers van de eerste gasaanval (22 april 1915) te verzorgen werd een A.D.S. (Advanced Dressing Station, een vooruitgeschoven verpleegpost) uitgegraven in de kanaaldijk. Bij de schuilplaats kwam een begraafplaats.

Hier ligt Valentine Joe Strudwick begraven (Plot 1, rij U, graf 8). Behalve het feit dat hij op 14 januari 1916, amper 15 jaar oud, sneuvelde in Boezinge op de oever van het kanaal Ieper-IJzer is weinig geweten over de jongen. Britse jeugd laat vaak kransen en kruisjes op zijn graf.

Kort na de wapenstilstand van 1918 deden de vele bunkers in de kanaaldijk ook dienst als eerste noodwoning voor de vele vluchtelingen die terug naar huis kwamen.

Naast de begraafplaats en de ”concrete shelters in the Canal Bank” kan ook de kanaaldijk zelf worden bezocht over een afstand van 450 meter.

Hoog op de kanaaldijk staat ook het monument van de ”49th West Riding Division” die hier in de zomer van 1915 voor het eerst werd ingezet en hoge verliezen leed.

https://www.cwgc.org/find/find-cemeteries-and-memorials/15800/essex-farm-cemetery

Abeele Aerodrome Military Cemetery

Dodemanstraat, nabij de Callicannesweg in Abele, bij Poperinge.

Rechts groeit de maïs en links grazen koeien en via die corridor van 100 meter over zacht gras bereik je het Abeele Aerodrome Military Cemetery in Abele, bij Poperinge. Het is zo klein als het er rustig is, de koeien krabben de jeuk van hun lijf tegen het muurtje dat de 104 gesneuvelde Britten van hen afschermt. Een paar bomen, die stenen en verder niks meer. Je moet het zoeken en je moet eigenlijk hopen dat niemand anders het vindt. Zo mooi en stil is het. (Zeven oorlogskerkhoven die je gezien moet hebben – De Morgen – Rik Van Puymbroeck, 7 augustus 2014)

http://www.wo1.be/nl/db-items/abeele-aerodrome-military-cemetery

Lijssenthoek Military Cemetery in Poperinge [15 km]

Van 1915 tot 1920 was op het gehucht Lijssenthoek het grootste evacuatiehospitaal van de Ieperboog gevestigd. Wie gewond raakte, werd afgevoerd naar het veldhospitaal. Zij die het niet haalden, werden ter plaatse begraven.

De begraafplaats groeide organisch. Zo verwijzen de piekdagen op Lijssenthoek steeds naar een gebeurtenis aan het front, zij het met een, twee of drie dagen vertraging.

Hier liggen 10.784 slachtoffers begraven; niet alleen Britse soldaten maar ook Chinezen, Amerikanen, Fransen en Duitsers. Zo weerspiegelt de begraafplaats de Grote Oorlog.

De eerste plannen voor de aanleg van Lijssenthoek Military Cemetery dateren van 1918. De Imperial War Graves Commission gaf de opdracht aan Sir Reginald Blomfield (hij ontwierp onder meer ook de Menenpoort en het Cross of Sacrifice). LMC wordt beschouwd als zijn meesterwerk, de plaats waar hij zijn concept van ‘formal architecture’ kon uitvoeren. Strakke lijnen en lichtjes verhoogde terrassen bepalen de vormgeving van de begraafplaats.

Nellie Spindler

Hier ligt Staff Nurse Nellie Spindler (1991-1917) begraven (plot XVI, rij A, graf 3), de enige vrouwelijke Britse militair die in Vlaanderen begraven werd. Al heeft ze nooit op Lijssenthoek gewerkt.

In het Talbot House hangt een duidelijke foto van Nellie als leerling-verpleegster. Ze begon haar opleiding al op 12-jarige leeftijd als sanitaire helpster in het plaatselijke Wakefield Fever Hospital en volgde in Leeds een professionele scholing tot Staff Nurse.

Toen de oorlog uitbrak was Nellie één jaar te jong om dienst te nemen als militaire verpleegster bij de Queen Alexandra’s Imperial Military Nursing Service (QAIMNS). Ze vervalste dan maar haar geboortedatum. Vanaf november 1915 werkte ze als ziekenverzorgster in Engeland, in mei 1917 vertrok ze naar Frankrijk (Le Havre en Amiens). Daar werd ze geselecteerd voor dienst bij het CCS nr. 44 aan de Brandhoek, tussen Poperinge en Vlamertinge. Zij arriveert er op 10 augustus… de Slag van Passendale woedt in volle hevigheid.

Een Casualty Clearing Station bevond zich in principe achter de frontlinie, buiten bereik van de artillerie. Het CCS nr. 44 was echter gespecialiseerd in urgentiebehandelingen van buik- en thoraxwonden en lag daarom dichter bij de linies, aan een spoorlijn zodat slachtoffers met de trein konden afgevoerd worden. Bovendien werd hier ook munitie aangevoerd, dat munitiedepot was een primair doelwit voor de Duitse artillerie en de bommenwerpers. Een gevaarlijke plek dus.

Op dinsdag 21 augustus kwam een schrapnel op de barak terecht waar Nellie en enkele andere verpleegsters verbleven. Nurse Spindler was zwaar gewond en stierf minuten later in de armen van de hoofdverpleegster van nr. 44.

Nog dezelfde dag wordt de CCS, omwille van het acute gevaar, ontmanteld en worden zowel patiënten als personeel geëvacueerd naar Lijssenthoek. Nurse Spindler wordt er begraven, de verpleegsters reizen verder naar het veilige Saint-Omer overgebracht om er te bekomen van de shock.

De begrafenis gebeurde met de grootste militaire eer en in het bijzijn van meer dan honderd officieren waaronder de Opperbevelhebber van het Vijfde Leger, Generaal Hubert Gough, drie generaals, de Directeur van de Medische Dienst en de Hoofdgeneesheer van het Britse leger. Een klaroenblazer speelde de Last Post toen de kist werd neergelaten in een grafrij die voor officieren bestemd was (wellicht was haar overlijden zo’n uniek geval dat haar graf deze bijzonder plek kreeg).

De naam Nellie Spindler staat in Engeland op verschillende gedenktekens o.a. in de Saint Andrew’s kerk van haar geboortestad, Wakefield, de plek waar ze tijdens haar jeugd vaak ging bidden, in de kapel van het hospitaal in Leeds waar ze haar professionele opleiding kreeg, en in de kathedraal van York waar ze op een ereplakket tussen alle beroemde Britse vrouwelijke slachtoffers van de Grote Oorlog vermeld staat. (

Bezoekerscentrum

De boerderij van Remi Quaghebeur, gelegen aan de spoorlijn Poperinge-Hazebrouck, was de ideale plek voor de triage en evacuatie van zieken en gewonden. Tenten en barakken hadden in piekperiodes vierduizend hospitaalbedden ter beschikking. Het terrein strekte zich uit over enkele tientallen hectare.

Het Bezoekerscentrum vertelt het verhaal van deze unieke site. Het interpretatiecentrum verzamelt de persoonlijke verhalen van de slachtoffers die er zijn begraven.

Dagelijks open van 9 – 18 uur, toegang gratis.

www.lijssenthoek.be

Prowse Point Military Cemetery in Ploegsteert [8km]

Chemin du mont de la hutte, Komen-Waasten

Net buiten het dorp dat door Het Zesde Metaal werd vereeuwigd in muziek die herinnerde aan de betreurde Frank Vandenbroucke (“God es van ons p’rochie en riedt met de fiets”) sla je in de richting van Ieper een klein wegje in naar Prowse Point Military Cemetery. Het ligt er tussen de velden, bij een bos, het is helemaal niet groot en als je militair was en je had de keuze, dan lag je liefst hier. Maar die keuze heb je niet, er is alleen dat klein beetje geluk bij dat grote ongeluk dat de oorlog was. Geluk dat soms pas decennia later komt: private Harry Wilkinson werd in 2000 teruggevonden in een akker vlakbij en nadien met grote militaire eer hier herbegraven. 235 graven zijn er, twaalf ervan dragen een Duitse naam. (Zeven oorlogskerkhoven die je gezien moet hebben – De Morgen – Rik Van Puymbroeck, 7 augustus 2014)

http://www.wo1.be/nl/db-items/prowse-point-military-cemetery

Bedford House Cemetery, Zillebeke [15 km]

Rijselseweg 152, 8900 Ieper (Zillebeke)

De tuinarchitectuur maakt van Bedford House Cemetery een unieke WO I site.

De begraafplaats ligt op het voormalige domein van het kasteel Rosendael, door de Britten ook wel ‘Bedford House’ of ‘Woodcote’ House genoemd. Dit omwalde kasteel lag twee kilometer ten zuiden van de Ieperse Rijselpoort en deed tijdens Wereldoorlog I dienst als brigadehoofdkwartier en medische post. In de kasteeltuin ontstonden verschillende kleine begraafplaatsen.

Tijdens de hele duur van de Eerste Wereldoorlog bleef het domein achter het front en kwam dus niet in Duitse handen, maar toch raakte het uiteindelijk vernield door artillerie.

Deze begraafplaats is een van de grootste Britse begraafplaatsen in de Westhoek. Er liggen nu 4.425 Britten (gesneuveld in WOI en II), 390 Canadezen, 249 Australiërs, 36 Nieuw-Zeelanders, 21 Zuid-Afrikanen, 21 Indiërs en 2 Duitsers. Voor 20 militairen werden Special Memorials opgericht omdat hun graven niet meer gevonden werden en men aanneemt dat ze zich onder de naamloze graven bevinden. Vijfentwintig anderen worden herdacht met een Duhallow Block omdat zij eerder in andere begraafplaatsen lagen maar niet meer teruggevonden werden omdat hun graven door artillerievuur vernietigd waren. Voor nog twee andere militairen werden ook Special Memorials opgericht met de vermelding van hun oorspronkelijke begraafplaats.

http://www.wo1.be/nl/db-items/bedford-house-cemetery

Hooge Crater Cemetery, Zillebeke [15 km]

Meenseweg 479, Zillebeke

Britse militaire begraafplaats met gesneuvelden uit de Eerste Wereldoorlog.

Het kasteel ’t Hooghe lag midden in het strijdtoneel. Op 31 oktober 1914 werden de staff  van de 1st en 2nd Division hier door artilleriebeschietingen uitgeschakeld, slechts één officier kwam heelhuids uit de beschietingen.

Het soldatenkerkhof werd aangelegd begin oktober 1917 toen Hooghe bij het begin van de Derde Slag bij Ieper in geallieerde handen was gevallen.

Na de oorlog werd de begraafplaats sterk uitgebreid door de concentratie van geïsoleerde graven en de ontruiming van kleinere begraafplaatsen uit de slagvelden van Zillebeke, Zandvoorde en Geluveld. Er worden nu 5923 Commonwealthdoden op deze begraafplaats herdacht. Hieronder bevinden zich 3578 niet-geïdentificeerden.

‘Special memorials’ werden opgericht voor doden uit het Verenigd Koninkrijk, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland “Known/Believed to be buried in this cemetery”.

Andere ‘special memorials’ dragen de namen van 12 militairen uit het Verenigd Koninkrijk begraven op La Chapelle Farm en twee op Kruiseecke German Cemetery van wie de graven door artillerievuur vernield werden.

Opmerkelijk is dat de Stone of Remembrance, vooraan op de begraafplaats, in een cirkelvormige diepte is geplaatst: een symbool voor de vele kraters die hier in de omgeving zijn geslagen.

c 1920 Aanleg van Hooge Crater Cemetary

Aan de overkant van de straat, in de oude school, bevindt zich het Hooge Crater Museum. Men kan er uniformen, foto’s en dergelijke bezichtigen, maar er is ook een archeologische site waar de opgravingen nog steeds aan de gang zijn.

http://www.wo1.be/nl/db-items/hooge-crater-cemetery

Railway Dugouts Cemetery in Zillebeke [15 km]

Komenseweg, ter hoogte van Zillebeke-vijver, naast de spoorweg, Zillebeke

Op 2 km van Zillebekedorp passeert de spoorweg bovenop een berm. Vanop deze berm keek men uit op een kleine boerderij door Britse troepen ‘Transport Farm’ genoemd (Pollepelhoeve).

De eerste bijzettingen op deze begraafplaats vonden plaats in april 1915. De begraafplaats bleef tot het einde van de oorlog in gebruik, vooral in 1916 en 1917. Toen werden Advanced Dressing Stations ingericht in dugouts in de spoorwegberm en in de boerderij. Bijzettingen vonden zonder planning in kleine groepjes plaats. Tijdens de zomer 1917 werden een aanzienlijk aantal graven door artillerievuur vernield.

Het terrein heeft een onregelmatige vorm met een oppervlakte van 17.395 m² en is door een ruwstenen muur omringd. Er zijn twee gelijkvormige toegangsgebouwen met een boogvormige doorgang. De begraafplaats is bijna als een halve cirkel rond een vijver aangelegd. Deze vijver is ontstaan door een bomkrater, zoals er nog meerdere in de omgeving te vinden zijn.

Er worden 2.463 doden herdacht, waarvan 431 niet geïdentificeerd konden worden. Er zijn 261 ‘special memorials’ “Known/Believed to be buried in this cemetery”. Andere ‘special memorials’ dragen de namen van 42 Canadezen en 30 militairen uit het Verenigd Koninkrijk die oorspronkelijk op andere begraafplaatsen begraven lagen, maar waarvan de graven door artillerievuur vernield werden.

http://www.wo1.be/nl/db-items/railway-dugouts-burial-ground-transport-farm

R.E. Grave, Railway Wood Cemetery, Zillebeke [15 km]

Een unieke begraafplaats omdat ze zondigt tegen de ijzeren regels van de Commonwealth War Graves Commission: er staat een Cross of Sacrifice (wat enkel mag als er meer dan 40 graven liggen) alhoewel er maar 1 officier en 11 manschappen van de 177th Tunnelling Company (Royal Engineers) herdacht worden. Er staan ook geen grafzerken: de namen en regimenten staan op de basis van het Cross of Sacrifice gebeiteld.

Ook de volgende tekst is erop te lezen: Beneath this spot lie the bodies of an officer, three N.C.O.’s and eight men of or attached to the 177th Tunnelling Company, Royal Engineers, who were killed in action underground during the defence of Ypres between November, 1915 and August, 1917.

De heuvelrug waarop de begraafplaats ligt werd Bellewaerde Ridge genoemd en was door het strategisch belang bijna de hele oorlog lang toneel van hevige gevechten, zowel bovengronds als ondergronds.

De 177th Tunnelling Company was lange tijd in deze sector actief, waardoor zij veel manschappen verloor in deze ondergrondse oorlogsvoering. In de omgeving zijn nog vele kleine en grotere mijnkraters zichtbaar in het landschap. Railway Wood (gelegen aan het kruispunt Oude Kortrijkstraat / Begijnenbosstraat) werd in de jaren 20 volgens zijn oorspronkelijke vorm herbebost.

http://www.wo1.be/nl/db-items/re-grave-railway-wood

Hedge Row Trench Cemetery, Zillebeke [15 km]

Volgens sommige het mooiste kerkhof in de Westhoek. Stil, verborgen in het provinciedomein De Palingbeek en is via een 300 m lang graspad bereikbaar vanaf de Verbrandemolenstraat.

De naam heeft zijn oorsprong door een nabijgelegen boerderij die Hagereke heette.

Er liggen 96 Britten (waarvan 2 niet geïdentificeerd konden worden) en 2 Canadezen begraven maar hun oorspronkelijke begraafplaats werd door latere gevechten en hevige artilleriebeschietingen zodanig beschadigd dat de graven niet meer gelokaliseerd konden worden.

Daarom heeft men na de oorlog alle graven als Special Memorials (de grafstenen dragen als bijkomende tekst: Known to be buried in this cemetery) opgericht en deze in een cirkel rondom het Cross of Sacrifice opgesteld.

Ontworpen door John Truelove.

Vlakbij bevinden zich ook nog Woods Cemetery en First D.C.L.I. Cemetery, The Bluff.

Tip voor een wandeling: knooppunten 15 (parking Palingbeek) 16 (Bluff) 17 (kanaal Ieper – Komen) 22 (Hedge Row) 23 24 25 16 15.

http://www.wo1.be/nl/db-items/hedge-row-trench-cemetery

Bailleul Communal Cemetery Extension [9 km]

Bailleul Communal Cemetery Extension werd in oktober 1914 in de buurt van de gemeentelijke begraafplaats aangelegd om Britse, Franse en Duitse militaire slachtoffers een laatste rustplaats te geven.

De hospitaalstad Bailleul ontvangt tijdens de opeenvolgende slagen bij Ieper veel gewonden van de slagvelden. Eind 1915 wordt deze militaire begraafplaats uitgebreid met plaats voor meer dan 4.500 slachtoffers, voornamelijk Britten en soldaten uit landen van het Britse imperium, zoals Australië, Nieuw-Zeeland, Canada en India.

Na de wapenstilstand in 1918 worden de graven van kleine militaire begraafplaatsen rond Bailleul overgeplaatst naar het Communal Cemetery Extension en de houten kruisen worden vervangen door witte grafstenen. Aan de zuidoostkant van de begraafplaats omgeven twee indrukwekkende kapellen, die op Griekse tempels lijken, de Herdenkingssteen met het opschrift: Their name liveth for ever more.

Een kleinere Britse begraafplaats, Outtersteene Communal Cemetery Extension, ligt in een gehucht van Bailleul en bevat 1.397 graven.

V.C. Corner Australian Cemetery and Memorial, Fromelles [25 km]

91 Rue Delval, 59249 Fromelles, Frankrijk

Een Britse militaire begraafplaats met gesneuvelden uit de Eerste Wereldoorlog en bijhorend herdenkingsmonument, twee kilometer ten noordwesten van het centrum van Fromelles.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog lag Fromelles aan het front. Tijdens de Slag bij Fromelles vielen op 19 en 20 juli 1916 een Australische en Britse divisie de Duitse posities aan. Het was de eerste grote actie waarbij in Frankrijk Australische troepen werden ingezet. De geallieerden stootten op een zware Duitse verdediging en leden zware verliezen, vooral de Australische troepen.

De begraafplaats werd aangelegd na de oorlog, in 1920 en 1921. Er liggen 410 Australische gesneuvelden begraven. Individuele graven maar omdat er geen enkele gesneuvelde kon worden geïdentificeerd, werden de graven niet met een individuele grafsteen gemarkeerd: de namen van zo’n 1.200 vermisten worden vermeld op het Memorial, een gedenkmuur achteraan op de begraafplaats.

Op het grasplein zijn twee grote betonnen kruisen geplaatst. Voor de gedenkmuur staat het Cross of Sacrifice. Het monument werd ontworpen door Herbert Baker en wordt onderhouden door de Commonwealth War Graves Commission.

Na historisch onderzoek door Australische en Franse onderzoekers werd in 2009 in Fromelles in opdracht van de Britse en Australische overheid een opgravingsactie gehouden. De lichamen van 250 Australische en Britse soldaten die begraven lagen in massagraven vlakbij het Bois des Faisans werden teruggevonden. Velen konden door DNA-onderzoek worden geïdentificeerd. Zij werden begraven in individuele graven op een in 2010 nieuw aangelegd begraafplaats: Fromelles (Pheasant Wood) Military Cemetery. Dergelijke begraafplaats werd in 50 jaar niet meer aangelegd.

200 m ten zuiden van de begraafplaats V.C. Corner Australian Cemetery wordt in 1998 het Australian Memorial Park met het standbeeld ““Don’t forget me, cobbers” ingehuldigd.

In 2014 werd het Musée de la Bataille de Fromelles geopend om de Slag te herdenken.

Chinese Oorlogskerkhof

Noyelles-sur-Mer Chinese Cemetery [130km, 2 uur]

Een begraafplaats voor Chinese arbeiders, gestorven terwijl ze in dienst waren van het Britse rijk. Het kerkhof wordt onderhouden door de Commonwealth War Graves Commission.

Men schat dat tussen 1917 en 1920 zo’n 2000 Chinese arbeiders door oorlogsgeweld en ziekten omkwamen. Vooral tijdens de Spaanse griep epidemie was de tol hoog.

Hier liggen 841 slachtoffers begraven. De rest ligt verspreid over de vele begraafplaatsen in Frankrijk en België.

https://www.ww1cemeteries.com/noyelles-sur-mer-chinese-cemetery.html

Duitse oorlogskerkhoven

Er zijn vier officiële Duitse militaire kerkhoven van de Groote Oorlog in de Westhoek, maar in schoonheid overtreffen deze twee alle Britse. Het is de eenvoud van de platte stenen op het gras, het zijn de bomen errond, de natte bladeren in de herfst, het zijn de Duitse namen: Joseph Bohmann, Albert Klotz, Erich Dittmar, Arthur Oppelt, August Friedel. Weemoediger kan de dood niet klinken en op de begraafplaatsen van Vladslo en Langemark-Poelkapelle is het verdriet om de Eerste Wereldoorlog wel heel erg verdrietig. En nergens treurt een ouderpaar zo diep als in het beeld van Käthe Kollwitz in Vladslo. Vlakbij rust haar gesneuvelde zoon Peter. (Bron: Zeven oorlogskerkhoven die je gezien moet hebben – De Morgen – Rik Van Puymbroeck, 7 augustus 2014)

Deutscher Soldatenfriedhof in Vladslo [45km]

Vladslo – Willem Vermandere

In het Praatbos hadden de Duitsers een verbandpost. Daar ontstond het Soldatenfriedhof Vladslo. Na de Eerste Wereldoorlog werd het uitgebreid, bijna 22.000 graven werden naar hier overgebracht vanuit 61 Belgische plaatsen. Onder de eiken rusten 25.638 Duitse doden.

Een van de indringendste oorlogskerkhoven.  Hier geen helden, geen roem; alleen een veelzeggende stilte, een stille aanklacht.

Het treurend ouderpaar van Käthe Kollwitz. Op een van de platen voor het beeld vindt men de naam Peter Kollwitz terug, haar zoon.

http://www.wo1.be/nl/db-items/duitse-militaire-begraafplaats-vladslo

Tip 1: wandelen in Staatsbos van Koekelare

Bij hetPraatbos, waar het kerkhof ligt, is ook het staatsbos van Koekelare, een bijzonder mooi 70 hectare bos.  Op het eerste gezicht ligt het er wat versnipperd bij. Maar je staat er steevast in bewondering voor de machtige zomereiken van meer dan 200 jaar oud. Vervolgens ga er op zoek naar de bekendste inwoner van het bos: de Koekelare-den, een snelgroeiende variëteit van de Corsicaanse den.

Tip 2: Käte Kollwitz museum

Brouwerijstraat, Koekelare (5 tal km verder)

Het museum brengt het verhaal van Käthe Kollwitz als moeder van een gesneuvelde soldaat en laat zien hoe de kunstenares in opstand kwam tegen oorlog en armoede aan de hand van een verzameling van originele kunstwerken.

Deutscher Soldatenfriedhof in Langemark-Poelkapelle [25 km]

Beeldengroep Emil Krieger.

Vier treurende militairen, heel sober uitgevoerd, ter herdenking van de gesneuvelde Duitse militairen.

Ontstaan en uitbreidingen

Deze begraafplaats zou in oktober 1914 ontstaan zijn uit een Britse begraafplaats maar na de gasaanval van 22 april 1915 kwam de begraafplaats tot in de zomer 1917 in Duits gebied te liggen. Tijdens de oorlog steeg het aantal bijzettingen zodat er in 1919 graven waren van Duitse, Franse, Britse en Belgische doden: in totaal 859, waaronder 627 Duitse.

In 1928/29 kreeg ‘Langemarck-Nord’ een nieuwe uitbreiding en een nieuwe inrichting, naar ontwerp van Robert Tischler, ingehuldigd op 10 juli 1932. Er kwamen bijzettingen vanop een 35-tal locaties in de omgeving. In totaal kwamen zo 10.143 individuele graven waaronder ruim 6.000 geïdentificeerden en bijna 4.000 niet-geïdentificeerden. Onder deze doden waren zo’n 3.000 vrijwilligers die stierven tijdens de Duitse bestorming op Langemark in het najaar 1914 (eerste slag om Ieper). Door het grote aantal studenten onder deze vrijwilligers, kreeg de begraafplaats de naam ‘Studentenfriedhof’.

In de jaren 1950 kwam een tweede concentratie van Duitse begraafplaatsen. Ruim 9.000 geïdentificeerde stoffelijke resten van een 14-tal begraafplaatsen in de omgeving werden naar Langemark overgebracht. Alle ‘niet-bij-naam-geïdentificeerden’ vanop het hele Belgische grondgebied werden eveneens naar Langemark overgebracht. Zo kregen ongeveer 25.000 stoffelijke resten een laatste rustplaats in het kameradengraf.

Nu liggen er dus meer dan 44.000 Duitse doden.

Bezoek Adolf Hitler

Op 1 juni 1940, amper vier dagen nadat het Belgisch leger de wapens heeft neergelegd, brengt Adolf Hitler een bezoek aan Vlaanderen. Hij bezoekt Ieper en het Deutscher Soldatenfriedhof in Langemark.

In 1933 hadden de nationaal-socialisten ongegeneerd beslag gelegd op de mythe van Langemark. Volgens deze mythe – één van de krachtigste uit de Duitse geschiedenis – vielen jonge, enthousiaste oorlogsvrijwilligers op 10 november 1914 de vijand om en nabij Langemark aan onder het zingen van het Deutschlandlied (“Deutschland, Deutschland über alles…”).

Nazigezinde auteurs en dichters stelden de doden van Langemark voor als de eerste voorvechters van het Derde Rijk. Voor de nazi’s was Langemark hét symbool van zegedrang en opoffering, geromantiseerde heldenmoed van jonge vrijwilligers die voor hun vaderland wilden sterven.

Op de begraafplaats komt Hitler dus niet om te rouwen, hij komt om de “geest van Langemark” op te roepen. Zijn manschappen moeten zich aan de vrijwilligers van 1914 spiegelen en bereid zijn om voor volk en vaderland te sterven. Staand voor de graven van zijn gesneuvelde kameraden legt Hitler geen rouwkrans neer, hij heft alleen zijn rechterhand op.

Division Langemarck

De oprichting van Germaanse legioenen (Waffen-SS troepen bestaande uit vrijwilligers uit de veroverde gebieden) kreeg in Vlaanderen pas vaart toen nazi-Duitsland de Sovjet-Unie aanviel en het VNV hielp bij de rekrutering van vrijwilligers om aan het oostfront, zij aan zij met het Duitse leger, te strijden tegen de goddeloze bolsjewisten. In ruil zou het VNV de enige toegelaten politieke partij in Vlaanderen worden.

Het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) was een fascistische politieke partij, opgericht in 1933, die tijdens WWII collaboreerde met de Duitse bezetter.

De Waffen-SS was de gewapende afdeling van de Nationaal-socialistische partij en stond buiten het reguliere Duitse leger (Wehrmacht). Hun motto (Meine Ehre heißt Treue) verschilde van dat van de  Wehrmacht (Gott mit uns) en de SS eed was duidelijk aan wie die trouw verschuldigd was en wat die trouw inhield:

Wij zweren jou, Adolf Hitler […] trouw en dapperheid. Wij beloven jou, en de meerderen die jij hebt benoemd, Gehoorzaamheid tot in de dood […]

In 1946 werd de Waffen-SS tijdens de processen van Neurenberg veroordeeld en formeel bestempeld tot misdadige organisatie vanwege haar betrokkenheid bij de Holocaust, de Porajmos en talrijke oorlogsmisdaden en misdaden tegen de burgerbevolking.

Op 7 mei 1943 beval de SS-leiding de ontbinding en de omvorming van het Vlaamsch Legioen tot de SS-Sturmbrigade Langemarck, een reguliere Waffen-SS-eenheid.

De benaming ‘Langemarck’ was natuurlijk geen toeval: dit WW1 slagveld was een Duits nationalistisch begrip. Een deel van de vrijwilligers protesteerden (tevergeefs) tegen het verdwijnen van “Vlaanderen” uit de eenheidsnaam en tegen de verplichte SS-eed.

In september 1944 werd de SS-Sturmbrigade Langemarck omgevormd tot de infanterie SS-Freiwilligen-Grenadier-Division ‘Langemarck’ (met inlijving van de Vlaamse Wacht).

http://www.wo1.be/nl/db-items/duitse-militaire-begraafplaats-langemark

Deutscher Friedhof Menen [32 km]

Duits kerkhof – Willem Vermandere

Ook de Duitse doden werden vlak na de strijd begraven op tal van plaatsen, maar zijn later op enkele grote begraafplaatsen geconcentreerd.

Het Deutscher Friedhof Menen werd al in 1917 ingericht als Menen Wald, maar werd in het midden van de jaren vijftig aanzienlijk uitgebreid. Zo werd het, met 48.049 gesneuvelde Duitse soldaten (WO I), de grootste Duitse begraafplaats in België.

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/71020

Deutscher Soldatenfriedhof Hooglede [37 km]

Beverenstraat, 8830 Hooglede

Hooglede was bezet gebied, wel in het ’Etappengebiet’ dus dicht tegen het front. Veel gewonden werden hier naartoe gebracht. Toen de begraafplaats van Hooglede niet meer volstond voor het toegenomen aantal doden, werd in 1917 het Soldatenfriedhof aangelegd.

Dit is de kleinste van de vier Duitse verzamelbegraafplaatsen en telt 8.247 doden.

De ’Ehrenhalle’ werd in 1937 gebouwd met stenen van het Duitse paviljoen dat in 1928 op de Wereldtentoonstelling in Parijs stond. Bij mooi weer heb je een prachtig uitzicht op de omgeving. Sinds december 2017 kan een onthaalpaviljoen worden bezocht.

Franse oorlogskerkhoven

Franse militaire begraafplaats Ossuaire, Kemmel [1 km]

Na de ‘Slag om de Kemmelberg‘ (april 1918) bleef een groot aantal Franse gesneuvelden op het slagveld achter. Van de meer 5.000 gesneuvelde officieren, onderofficieren en soldaten werden slechts 57 personen geïdentificeerd. Allen werden ten ruste gelegd in dit massagraf.

https://www.flandersfields.be/nl/doen/frans-monument-en-massagraf-kemmelberg

St. Charles de Potyze in Ieper (N332 Zonnebeekseweg, gehucht Potyze) [15 km]

Toegang

De grootste Franse begraafplaats in Vlaanderen. Vermoedelijk liggen hier 4.171 Franse militaire begraven, de meeste stierven tijdens de belangrijke Franse aanwezigheid tussen oktober 1914 en april 1915.

3.547 geïdentificeerde doden in individuele, dubbele en collectieve graven (69 met islamitische stèle) en 609 niet-geïdentificeerde doden in een ‘Ossuaire’.

Uitzonderlijk voor een Franse begraafplaats (meestal heel sober in aanleg en architectuur): er staat een mooie, moderne calvarie.

Bij aanvang was dit de begraafplaats bij een medische hulppost, geïnstalleerd in het Karelsschooltje van het gehucht “De Potijze”, vandaar de naam “Poste de secours de Saint-Charles de Potyze”.+

Vanaf 1919 werd dit kerkhof uitgebreid met graven uit de omliggende slagvelden. De dode lichamen bleven soms dagen en weken in ruwe houten kisten staan ergens in een hoek van de begraafplaats. Lichamen die niet meer te identificeren waren, werden in het massagraf geplaatst.

Nog steeds worden Franse gesneuvelden die tot een eeuw later worden teruggevonden in de vroegere slagvelden hier bijgezet. Zo zijn in het massagraf 616 vermisten bijgezet, 7 meer dan vermeld op de gedenkplaten. 15 stoffelijke overschotten werden nog begraven nadat ze door ‘The Diggers’ in 1998 langs het Ieperleekanaal, ter hoogte van de Yorkshire dug-out werden gevonden.

Bij een eerste indeling kregen alle graven een withouten kruis waarop in zwarte letters een aantal identiteitsgegevens van de gesneuvelden stonden. In de jaren dertig werden er betonnen kruisen geplaatst, die dan in 1975  vervangen werden door kruisen in witte kunststof.

Op 20 oktober 1922 werd er in het midden van de begraafplaats een stenen kruis opgericht met als opschrift: “Les habitants de la ville d’Ypres aux Français 1920”. 

Veel oud-strijders vonden het de moeite om op 24 september 1924 op bedevaart naar Zonnebeke te komen: de nieuwe kerk werd ingezegend, daar werd ook gebeden voor de zielenrust van de gesneuvelden en er was een processie met fanfare en vaandeldragers…

Maar de bezoekers waren niet te spreken over de toestand van de Franse begraafplaatsen in Zonnebeke of Kemmel: omgevallen of scheef gezakte kruisen waarop de afgeregende tekst haast niet meer te lezen was,  verwelkte bloemen en weggewaaide kransen. En dat allemaal terwijl in de omgeving zoveel Britse  begraafplaatsen al volledig ingericht waren.

Dat de Franse staat de familie nog altijd toeliet om hun gesneuvelden op te graven en over te brengen naar hun woonplaats hielp natuurlijk niet. Pas in 1928 kreeg de begraafplaats een meer gestructureerd uitzicht. De bisschop van Rijsel deed de inwijding. Er waren veel militaire detachementen aanwezig, alsook een hele schare oud-strijders. De opschriften op de kruisen waren nog altijd nauwelijks leesbaar en enkel het middenpad was begaanbaar.

Bij deze gelegenheid werd ook een centrale ingangspoort geplaatst. Het model dat op alle Franse begraafplaatsen staat: smeedijzer, opgehangen aan stenen pijlers die symmetrisch zijn geplaatst met aan de bovenkant de afbeelding van een zwaard met de punt naar beneden, de strijd is gestreden. De zwaarden zijn versierd met laurierslingers, symbool voor het eeuwig leven.

Het centrale stenen kruis werd vervangen door een obelisk (ontwerp stadsarchitect Gits, realisatie Ieperse steenhouwers Beel en Verspeelt), geplaatst boven op het massagraf achteraan het kerkhof. De spitsnaald is driehoekig en bevat laurierkransen en festoenen. De tekst leest nu: “Hommage de la population Yproise 20-10-1922 – 18-5-1947”.

In 1968 werd de Bretoense Calvarie (Calvaire) van de hand van J. Fréour, geplaatst. In de compositie van dit beeldhouwwerk zit het dubbelkruis (Lotharings kruis), zoals het ook aanwezig is in het wapenschild van de stad Ieper.

Op zowat 100 meter van Saint-Charles, in de richting van Potyze, staat een demarcatiezuiltje dat aangeeft tot waar de Duitse troepen oprukten.

http://www.wo1.be/nl/db-items/franse-militaire-begraafplaats-st-charles-de-potyze

Italiaanse begraafplaatsen

Er is geen Italiaans oorlogskerkhof maar in Houthulst, Gent, Antwerpen en Elsene liggen Italiaanse soldaten begraven.

In Robermont bij Luik liggen 182 soldaten van het Secondo Corpo d’Armata Italiano begraven: in januari 1918 stuurde Italië hulp- en gevechtstroepen om de verdedigingsoperaties in Frankrijk te steunen. Dit contingent streed op 11 juni 1918 voor de herovering van de Chemin des Dames en de Maas in Belgisch Luxemburg. Het leger werd in België ook getroffen door de Spaanse griep.

Maar de meeste Italiaanse soldaten die in België stierven, waren krijgsgevangenen.

Italië in WO1

Toen de Oostenrijkse troonopvolger groothertog Frans Ferdinand op 28 juni 1914 vermoord werd in Sarajevo en de dader (Gavrilo Princip) lid bleek van een Slavische onafhankelijkheidsbeweging, verklaarde Oostenrijk aan Servië de oorlog: Servië was verantwoordelijk voor de aanslag want het land bood onderdak aan Slavische patriotten.

Rusland schoot Servië te hulp en Frankrijk en Engeland die een bondgenootschap hadden met Rusland (de Triple Entente) zegden hun steun toe.

Tegenover de Triple Entente stond de Triple Alliantie, het bondgenootschap tussen Italië, Oostenrijk en Duitsland. Drie staten met tegengestelde belangen: Oostenrijk-Hongarije bezette nog Italiaans grondgebied (regio Trento en Triëst) en Duitsland wilde alle Duitstaligen onder zijn gezag verenigen, inclusief de Oostenrijkers.

Duitsland schaarde zich aan de zijde van Oostenrijk-Hongarije en verklaarde de oorlog aan Rusland en Frankrijk. Maar Italië voelde zich niet verplicht te volgen: het bondgenootschap was gericht op verdediging en het betrof hier een aanval door Oostenrijk. Italië kiest voor neutraliteit en verlaat de Triple Alliantie.

De meeste Italianen wilden neutraal blijven. Zowel de kerk als de socialisten waren tegen de oorlog. Voor de socialisten was de oorlog een strijd van kapitalisten om de politieke en economische heerschappij over Europa, de proletariërs van de hele wereld waren broeders.

Een minderheid van de Italianen –vnl. de koning, de nationalisten en de liberalen- wilden wel oorlog maar dan tégen Oostenrijk, om Trento en Triëst te bevrijden. De Triple Entente zette het neutrale Italië onder druk: de Italiaanse steenkool was voor 90% afkomstig uit Engeland en ook voor veel andere primaire levensbehoeften was Italië afhankelijk van Frankrijk en Engeland.

Op 26 april 1915 tekende de Italiaanse regering in Londen een geheim verbond waarmee Italië zich verplichtte aan de zijde van Frankrijk en Engeland aan de oorlog deel te nemen. Het parlement werd min of meer gedwongen in te stemmen met het verdrag van Londen en op 23 mei 1915 begon voor Italië de oorlog, met een aanval op Oostenrijk.

De Italianen opende de aanval op het verraste Oostenrijk en hoopten snel over de Alpenpassen en door de lengtedalen naar Wenen te kunnen doorstoten. Maar er werd heel snel een Oostenrijks vrijwilligerslegers gevormd,  50.000 verdedigers die de plaatselijke situatie zeer goed kenden en zich nestelden op de meest strategische bergtoppen en langs belangrijke doorgangsroutes. Een Italiaanse opmars naar Wenen werd liep vast.

Er kwam een stellingenoorlog met een front dat begon aan de oostkant van Zwitserland, via het Gardameer, over de hoogvlakte van Asiago, de bergen van Cadore, de Karnische en Julische Alpen en Gorizia tot aan de Adriatische zee. Een front hoog door de bergen dat op sommige plaatsen een hoogte bereikte van boven de 3000 meter.

De soldaten vochten in de loopgraven, dikwijls in metersdikke sneeuw. Met enorme verliezen. In het totaal werden 6 miljoen Italianen ingezet, daarvan stierven er 600.000.

De Italiaanse legerleiding onder opperbevelhebber generaal Luigi Cadorna huldigde de opvatting dat de soldaten maar functioneerden als ze gedreven werden door angst en terreur. Voortdurend kregen de soldaten het bevel om aan te vallen, ongeacht de verliezen. Wie probeerde achter te blijven moest ter plekke worden neergeschoten.

Naast standrechterlijke executies werden ook decimaties uitgevoerd. Acht keer werden een aantal  soldaten door het lot werden aangeduid en onmiddellijk geëxecuteerd.

Generaal Andrea Graziani kreeg de bijnaam van generale delle fucilazioni (generaal van de fusilleringen). Op 3 november 1917 vergat de artillerist Alessandro Ruffini te Noventa Padovana (Padua) zijn sigaar uit  zijn mond te nemen bij het groeten toen de generaal voorbijkwam. Rufini werd ter plekke gefusilleerd wegens insubordinatie.

Die ‘ijzeren discipline’ veroorzaakte juist wat ze wilde vermijden: het moreel het moreel van de troepen zat onder nul, soldaten deserteerden en de legerleiding besloot dat er nog harder moest opgetreden worden.

In de loop van de oorlog werden 870.000 gevallen van desertie genoteerd, 160.000 dienstplichtigen onttrokken zich aan de dienstplicht. Er waren 400.000 processen voor insubordinatie waarbij in meer dan de helft van de gevallen een veroordeling uitgesproken werd. 15.000 soldaten werden veroordeeld tot dwangarbeid. Er werden 4.028 executies uitgevoerd.

In oktober 1917 komen de Italiaanse troepen tegenover het voltallige Oostenrijkse leger en zeven Duitse divisies te staan in de laatste slag aan de Isonzo. Bij Caporetto (in het huidige Slovenië) lukt het de Oostenrijkers door de Italiaanse linies heen te breken: 300.000 Italianen werden krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers en nog eens 400.000 Italianen slaan op de vlucht.

De Oostenrijkse troepen dringen ver Italië binnen, tot aan de Piave. Met steun van Engelse en Franse troepen konden de Italianen daar een nieuwe verdedigingslijn houden, een 150 km ten westen van Caporetto. Als wederdienst besloot het Italiaanse opperbevel in het voorjaar van 1918 om Italiaanse steun te bieden aan het westelijk front.

Generaal Luigi Cadorna werd op 8 november 1917 vervangen als opperbevelhebber door generaal Armando Diaz en geleidelijk werd het moreel van de troepen hersteld.

In juni 1918 (tweede slag bij de Isonzo aan de Piave) eindigt, voor het eerst, een slag in het voordeel van de Italianen. Eind oktober doen de Italianen, samen met de geallieerden, een grote aanval bij Vittorio Veneto (derde slag bij de Piave). De Kaiserliche und Königliche Soldaten houden met moeite stand maar door het gebrek aan bevoorrading zijn de Duitse en Oostenrijkse troepen toch gedwongen zich terug te trekken tot de oude landsgrenzen.

Op 3 november 1918 tekenen Italië en Oostenrijk-Hongarije in Padua de wapenstilstand. Het komt tot een vredesakkoord waarbij Triëst, Istrië en Trentino-Alto Adige aan Italië worden toegewezen.

Italiaanse krijgsgevangenen in België

Na het drama van Caporetto worden de 300.000 Italiaanse krijgsgevangenen door de Duitsers naar werkkampen gestuurd in Oostenrijk (Mauthausen), het huidige Tchechië (Therezin) en Duitsland (Rastatt en Celle) waar ze dwangarbeid moeten verrichten. Duidelijk in strijd met de Conventie van Den Haag (1907) rond krijgsgevangenen.

De Duitsers stuurden ook Italiaanse krijgsgevangen naar het bezette België en verspreidden ze over het hele land.

Zo was er een groep van ongeveer 800 Italianen gevestigd in de buurt van het Kasteel van Wallemote nabij Izegem. Ze moesten aan het kanaal Roeselare-Leie werken en nieuwe straten maken voor het transport van bouwmaterialen komende van Boom met het oog op nieuwe Duitse versterkingen.

Kortrijk kreeg op 6 januari 1918 vijfhonderd Italiaanse gevangenen te gast: ze verbleven in het klooster van de Picpussen. Nog eens eenzelfde aantal werd over de omliggende gemeenten verspreid.

In de zomer van 1918 was een groep van 400 Italiaanse gevangenen in een kamp in de omgeving van de gemeente Rollegem gevestigd.

Nog eens 300 Italianen waren (samen met Russische gevangenen) in het klooster van de Franse Zusters Passionistinnen te Tielt bijeengebracht. Ze moesten werken aan de aanleg en aan het onderhoud van de spoorweg Gent-Tielt-Diksmuide. De gevangenen dienden ook de lijken van gedode Duitse soldaten op te graven, te transporteren en opnieuw te begraven, gezien de frontlinie regelmatig opschoof.

In Ardooie waren de Italianen samen met Russen in een oud textielatelier van de familie De Bal ondergebracht.

In Ichtegem, meer bepaald in het bos van Bekegem aan de andere kant van Aartrijke, was er een houten barak met Italiaanse gevangenen. Die groep, in totaal een honderdtal, was op 2 december 1917 gearriveerd.

Er waren ook Italiaanse gevangenen gelegerd waren in Harelbeke, Brugge, Ruddervoorde, Oostrozebeke, Wielsbeke, Ploegsteert en Waasten. Volgens sommige bronnen zou er ook een barak met Italianen aan de Vijfwegen, dichtbij Houthulst, gestaan hebben.

Getuigen beschrijven de ellendige leefomstandigheden van de krijgsgevangenen. Daarbij gaat het niet enkel het gebrek aan of de kwaliteit van het voedsel, maar ook om hun behandeling, die varieerde van uitputting tot vergiftiging.

In de kampen was er tekort aan voedsel en kledij. De gevangenen kregen zowat 1000 calorieën per dag, een derde van wat nodig is.

Bij de Fransen, Britten en Belgen werd dat aangevuld door de pakjes die ze via het Internationale Rode Kruis van het thuisfront kregen. Langs die weg kregen ze vaak ook kleren.

De Italianen (en de Russen) kregen die hulp niet omdat de opperbevelhebber generaal Cadorna en later Diaz dit niet wilden: ze beschouwden de krijgsgevangenen als deserteurs ‘gezien ze niets hadden ondernomen om zich te verdedigen’. Het opperbevel werd daarin gesteund door de regering. Er bestond dan ook geen Italiaanse nationale organisatie om de krijgsgevangenen materieel bij te staan. Privé initiatieven waren mogelijk maar werden tegengewerkt.

De soldaten konden enkel rekenen op steun door hun families. Die konden wel brieven of postkaarten sturen, maar die gingen naar de Italiaanse censuur voor ze naar het Internationale Rode Kruis doorgestuurd werden. Vaak bereikten ze de bestemmeling niet. Het vele heen en weer gereis (vanuit Duitsland of Oostenrijk naar Belgische commando’s en wegens ziekte en uitputting naar lazaretten of hospitalen in het Belgische binnenland) had nefaste invloed op de bedeling van de noodzakelijke voedsel- en kledijpakketten.

Het resultaat was desastreus. Van de naar schatting 600.000 Italiaanse krijgsgevangenen in Duitsland en Oostenrijk-Hongarije stierven er 100.000 door honger, kou, uitputting en allerlei ziekten als longontsteking, tuberculose, tyfus, en andere. Ook krijgsgevangenen van andere landen stierven maar in verhouding veel minder (behalve dan de Russen die ook geen hulp van buitenaf kregen en hetzelfde lot ondergingen als de Italianen).

Pas in de laatste maanden van 1918 verandert de houding van de Italiaanse regering tegenover de krijgsgevangenen. Alhoewel: eind 1918 liet generaal Diaz op verschillende plaatsen in Italië kampen bouwen met een totale capaciteit van 500.000 man. Daar werden de teruggekeerde krijgsgevangenen na de oorlog opgevangen. Zo eindigden ze hun militaire loopbaan als krijgsgevangene in eigen land.

Italiaanse begraafplaatsten

Tijdens de jaren 1920 werden overal in Europa de oorlogsgraven gereorganiseerd. De Italiaanse regering wenste niet dat de Italiaanse soldaten op dezelfde begraafplaatsen als de Duitse lagen.

En zo werden de lichamen van alle Italianen die op de (vooral Duitse) oorlogsbegraafplaatsen in West-Vlaanderen verspreid lagen, overgebracht naar de nieuwe Belgische militaire begraafplaats van Klerken-Houthulst. De enige uitzondering is soldaat Giuseppe Scala die op 15 november 1918 stierf en in een Duits massagraf werd begraven in het Deutscher Soldatenfriedhof van Langemark en er nog steeds rust.

Belgische oorlogskerkhoven

Belgische gesneuvelden werden door hun kameraden begraven op gemeentelijke kerkhoven, op inderhaast aangelegde begraafplaatsen of gewoon ergens te velde, waar ze gevallen waren. Tijdens de loopgravenoorlog ontstonden achter het front nabij medische installaties gemengde militair-burgerlijke begraafplaatsen.

Pas begin van de jaren twintig werd over gegaan tot de aanleg van officiële militaire begraafplaatsen.

De bestaande kerkhoven boden toen een hallucinante aanblik. Vermogende nabestaanden hadden hier en daar individuele grafzerken laten plaatsen. Er stonden heldenhuldezerkjes en er waren vooral veel verloederde graven, tijdens de oorlog met alle mogelijke materialen aangelegd door kameraden van de gevallenen. Bovendien hadden nabestaanden op eigen initiatief hun gevallenen terug naar huis gehaald om op de eigen gemeentelijke begraafplaats ter aarde te bestellen.

Uiteindelijk zouden maar de helft van de 38.000 Belgische gesneuvelden een laatste rustplaats vinden op een Belgische militaire begraafplaats, de overgrote meerderheid in een graf met een standaard Belgische grafsteen.

De militaire begraafplaatsen kwamen waar tijdens de loopgravenoorlog begraafplaatsen waren ontstaan. Her en der begraven gesneuvelden werden er verzameld en teruggevonden gesneuvelden bijgezet.

Tijdens het interbellum en na de Tweede Wereldoorlog werden op die heringerichte begraafplaatsen overledenen bijgezet en speciale gedenkstenen opgericht voor oorlogsslachtoffers in de meest algemene betekenis: militairen van andere nationaliteiten, door Duitsland te werk gestelde krijgsgevangenen, slachtoffers van oorlogsgeweld, weerstanders, geëxecuteerde burgers, weggevoerden, opgeëisten, politieke gevangenen, enz… van de twee wereldoorlogen en de Koreaanse Oorlog (1950-1953).

Zo werden die begraafplaatsen symbool van de verschrikkingen van oorlogen in het algemeen eerder dan van de Eerste Wereldoorlog.

Belgische militaire begraafplaats Westvleteren [25 km]

Sint-Maartensstraat, 8640 Westvleteren

In het dorp Westvleteren rusten op de Belgische militaire begraafplaats 1.208 soldaten waarvan 1.175 geïdentificeerd en 33 ongeïdentificeerd. Door de opheffing van de begraafplaats van Reninge kwam er hier in 1968 een uitbreiding van de begraafplaats met 123 bijzettingen.

De begraafplaats verschilt van alle andere Belgische militaire begraafplaatsen door de aanwezigheid van een groot kruis. Belgische begraafplaatsen moesten neutraal zijn op levensbeschouwelijk gebied, de grondwettelijke scheiding tussen kerk en staat indachtig. Dus geen grote zichtbare religieuze symbolen, maximaal een klein pietluttig kruisje per graf.

Dit grote kruis, uitzondering op de regel, was er eerst niet. Het is meegekomen met de verhuis van de militaire begraafplaats van Reninge in 1968. Het was deze begraafplaats die aanvankelijk de uitzondering was. De reden hiervoor is niet gekend. Het kruisbeeld werd waarschijnlijk ooit door de militairen zelf op de begraafplaats van Reninge opgericht.

Het merkwaardigste zerkje is dat van Amé Fiévez, te vinden in de 14e rij onder nr. 379. Amé, niet Aimé zoals foutief op het zerk staat. Zijn lot is voor altijd zeer nauw verbonden met dat van de gebroeders Van Raemdonck.

Het verhaal is gekend: op 26 maart 1917, na een nachtaanval op het Stampkot in Steenstrate, sneuvelde Edward Van Raemdonck toen hij in het niemandsland zijn vermiste broer ging zoeken. De mythe wil dat hij sneuvelde in de armen van zijn broer. De werkelijkheid is dat Frans Van Raemdonck zeer waarschijnlijk in de armen van de Waal Amé Fiévez is gestorven en dat Edward op zijn beurt is gesneuveld enkele meters daar vandaan, zonder dat ooit duidelijk zal worden of hij één van hen, of beiden, nog levend gezien heeft.

Ze werden alle drie 19 dagen na hun dood begraven in een ondiepe obusput op de plaats waar ze sneuvelden (op de rechteroever van het kanaal Ieper-IJzer, ongeveer 2 km van Steenstraetebrug te Zuidschote, Ieper). De plaats situeerde zich toen in niemandsland en repatriëring was toen onmogelijk. Op het graf werden drie naamloze kruisjes geplaatst. Kort daarop verwijderden de Duitsers er twee. Het terrein bleef nog maanden het strijdtoneel en artilleriebeschietingen omwoelden het volledig.

In september 1917 werd het terrein veroverd door de Belgen. De stoffelijke overschotten van de drie werden verzameld en herbegraven.

In september 1918 plaatsten makkers van de 6de Compagnie van het 24ste Linieregiment een stenen kruis in de vorm van een boom met afgehouwen takken op de rustplaats. Daarrond kwam een houten omheining. De zerk bleef er staan tot hij in 1933 door het huidige monument werd vervangen.

Op 29 oktober 1919 werd het graf opengelegd met de bedoeling de stoffelijke resten later te repatriëren. Van de drie lijken trof men enkel nog wat resten aan : vier schoenen met voeten en kousen, een schedel, een dij- en een heupbeen en enkele kleinere beenderen. Identificatie was volkomen uitgesloten. Daarop besloot men de resten te laten waar ze waren en geen aanvraag te doen om ze naar hun geboortedorp terug te brengen.

In 1924 werden de lijkresten van de broers Van Raemdonck en Fiévez op bevel van de militaire overheid ontgraven. Omdat hun gebeente niet meer te scheiden was, werden ze samen in één kist gedeponeerd en overgebracht naar de Belgische militaire begraafplaats van Westvleteren. Ze kregen elk een zerk, de kist werd bijgezet onder de middelste van de drie officiële grafzerken, dat van Fiévez.

In 1932 werden de broers opnieuw ontgraven en overgebracht naar de crypte van de eerste IJzertoren als martelaren van de Vlaamse beweging. Ongewild werd Fiévez mee overgebracht naar het ‘heilige der heiligen’ van de Vlaamse beweging.

Bij de dynamitering van de IJzertoren op 16 maart 1946 werd de zerk vernield en bij de opruiming enkele jaren later niet meer teruggevonden.

En zo staat de zerk van Amé Fiévez wel in Westvleteren maar hij is hier niet begraven. En waar hij begraven is, in de crypte van de eerste IJzertoren, is zijn naam niet vermeld.

Belgische Militaire Begraafplaats in Houthulst [30 km]

Aan het Staatsbos in Houthulst, in de Poelkapellestraat, werd in 1923 een Belgisch Militair Kerkhof opgericht.

De begraafplaats wordt getypeerd door de graven die zijn gegroepeerd in de vorm van een davidster.

Er liggen 1826 Belgen en Fransen begraven, ook 81 Italiaanse soldaten.

Dit zijn Italiaanse krijgsgevangenen die door de Duitsers op vele plaatsen werden ingezet als dwangarbeiders voor werkzaamheden achter het front.

Het verhaal dat deze Italianen in Houthulst munitie moesten aanslepen en tijdens het geallieerde eindoffensief door de Duitsers als schild in de vuurlinie werden geplaatst waar ze werden neergeschoten door de Belgische militairen is vals.

De meeste stierven elders, door ziekte en ontbering – al gaan er verhalen dat een aantal werd gefusilleerd door de Duitsers. Hun lichamen die op (vooral Duitse) oorlogsbegraafplaatsen in West-Vlaanderen verspreid lagen, werden in de jaren 1920 overgebracht naar de Belgische militaire begraafplaats van Klerken-Houthulst.

Tip: bezoek de Vredesmolen in Klerken, de molen biedt een prachtig panorama over de voormalige frontstreek.

Belgische militaire begraafplaats Oeren [38 km]

Oerenstraat, (St.-Pietersbandenkerk), Oeren, Alveringem

De begraafplaats werd tijdens de oorlog aangelegd rond het laatgotische kerkje (16de eeuw) in gele baksteen. Er liggen 642 Belgische doden begraven.

De begraafplaats telt nog slechts 5 heldenhuldezerkjes met een Keltisch kruis, een meeuw of Blauwvoet en de letters AVV VVK, ontworpen door frontsoldaat, schilder en tekenaar Joe English. Ooit stonden er meer van die zerkjes in Oeren, maar in de nacht van 9-10 februari 1918 hebben grafschenners er 38 besmeurd: de letters AVV VVK werden met cement dichtgesmeerd. De Vlamingen reageerden prompt en de nacht erop overschilderden frontsoldaten de gedichte letters met zwarte verf.

Later werd afgesproken elk jaar samen te komen “waar populaire Vlaamse doden begraven lagen”. In 1923 vindt de vierde IJzerbedevaart plaats in Oeren onder het thema “Eerherstel aan de geschonden graven”.

http://www.wo1.be/nl/db-items/belgische-militaire-begraafplaats-oeren

Belgische militaire begraafplaats Hoogstade [32 km]

Brouwerijstraat, 8690 Hoogstade (Alveringem)

Omdat er veel Belgische militairen sterven in het veldhospitaal dat gevestigd is in het Gasthuis Clep in Hoogstade, wordt in april 1915 een nieuwe begraafplaats aangelegd langs de Brouwerijstraat bij de dorpsplaats.

In 1968 breidt deze begraafplaats uit met 117 Belgische graven van op de opgeheven militaire begraafplaats
in Reninge. Er liggen nu 806 Belgische militairen begraven, afkomstig uit 370 gemeenten.

Deze begraafplaats telt nog zes heldenhuldezerkjes. Daarnaast staan er ook 20 Britse grafstenen.

http://www.wo1.be/nl/db-items/belgische-militaire-begraafplaats-hoogstade

Belgische militaire begraafplaats Diksmuide (Keiem) [45 km]

De IJzer maakt een bocht ter hoogte van Tervate. Aan de rechteroever ligt Keiem. Daar ligt een Belgische begraafplaats met 628 graven, waarvan meer dan de helft naamloos.

Veel van deze soldaten sneuvelden in gevechten op 19 oktober 1914 tijdens een verwarde Belgische terugtocht naar de IJzer. De ijzeren draaibrug werd op 19 oktober 1914 opgeblazen. In de nacht van 21 op 22 oktober slaagden de Duitsers er toch in om ter hoogte van de huidige brug over de IJzer te komen.

Deze begraafplaats werd na de oorlog aangelegd.

http://www.wo1.be/nl/db-items/belgische-militaire-begraafplaats-keiem

Belgische militaire begraafplaats Veurne (Steenkerke) [45 km]

Op de Belgische militaire begraafplaats van Steenkerke liggen 534 Belgische doden begraven. Deze begraafplaats werd tijdens de oorlog aangelegd. Op deze begraafplaats liggen ook Britten begraven. Negen graven dragen nog het heldenhuldezerkje dat door Joe English ontworpen werd. Deze frontsoldaat die in Vinkem stierf, was oorspronkelijk hier begraven. De allereerste IJzerbedevaart vond hier in 1920 plaats bij zijn graf. In 1930 werd hij bijgezet in de crypte van de IJzertoren.

http://www.wo1.be/nl/db-items/belgische-militaire-begraafplaats-steenkerke

Belgische Militaire Begraafplaats in De Panne [50 km]

De grootste Belgische Militaire Begraafplaats (3152 graven). De aanleg van deze begraafplaats startte tijdens de oorlog. Na de oorlog waren er nog heel wat bijzettingen door ontruiming van kleinere begraafplaatsen in de Westhoek.

http://www.wo1.be/nl/db-items/belgische-militaire-begraafplaats-de-panne

Belgische militaire begraafplaats van Ramskapelle [50 km]

Begraafplaats met uitsluitend Belgische gesneuvelde soldaten uit de Eerste Wereldoorlog. Er liggen 632 gesneuvelden, meer dan 400 niet geïdentificeerd.

De begraafplaats heeft een driehoekig grondplan en ligt ingeklemd tussen de Ramskapellestraat en de Frontzate, de vroeger spoorwegbedding van Diksmuide naar Nieuwpoort. De graven staan in negen halfcirkelvormige rijen rond de ingang.

Tijdens de oorlog lag Ramskapelle aan het IJzerfront, waar in de tweede helft van oktober 1914 de Slag om de IJzer werd gestreden. Hier werd het oprukkende Duitse leger tot staan gebracht toen na hevige gevechten het gebied tussen de IJzer en de spoorwegbedding onder water werd gezet. Op 30 en 31 oktober werd er nog gevochten in Ramskapelle en konden de Belgen en Fransen het dorp heroveren op de Duitsers.

Een groot aantal van de geïdentificeerde soldaten sneuvelde tijdens de gevechten van 1914.

Na de oorlog werd in de jaren 20 de verzamelbegraafplaats aangelegd met militaire graven die werden overgebracht uit de omliggende slagvelden van de sectoren Ramskapelle en Nieuwpoort en uit civiele begraafplaatsen.

In 1952 werd hier nog het lichaam bijgezet van Louis Notaert, die bij het ploegen werd teruggevonden in Stuivekenskerke.

Oorlogskerkhoven – achtergrond

Zoveel gesneuvelden zonder gekend graf

In lijn met een eeuwenoude traditie werden, bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, massagraven gebruikt: soldaten kregen geen individueel graf, enkel de officieren. Echt schokkend was dat niet: gemeenschappelijke kuilgraven voor armen waren gewoon tot Jozef II, keizer van de Oostenrijkse Nederlanden, dit in 1784 per decreet verbood. 

Bovendien was het aantal doden bij het begin van de oorlog ontzettend hoog. En zo gaf de Franse generaal Joffre bevel om tot 100 soldaten per sleuf te begraven. De Britten hielden het bij maximum 6 soldaten per graf, geschrankt. Pas eind december 1915 kwam een Franse wet die oplegde op dat elke gesneuvelde een eigen en eeuwig graf moest hebben

Van gewonden die naar een veldhospitaal werden gebracht en daar overleden, verder achter het front, is de begraafplaats nu vaak nog gekend. Maar soldaten die op het slagveld sneuvelden, werden meestal ter plaatse begraven… een individueel graf op het slagveld waar de oorlog nog jaren verder woedde. Veel van die graven uit 1914 en 1915 raakten dan ook vernield bij de Derde Slag om Ieper (1917) of bij het Lenteoffensief (1918); zelfs wanneer men die graven terugvond was identificatie meestal niet meer mogelijk.

Waar begraaft een land zijn gesneuvelden?

Amerikaanse gesneuvelden werden, op wens van de nabestaanden, in het buitenland begraven of gerepatrieerd naar een militaire of gemeentelijke begraafplaats dichter bij huis.

De Britse overheid koos om de gesneuvelden niet te repatriëren en ’ter plaatse’ te begraven. Er zijn 4 types Britse kerkhoven:

  • Battlefield Cemeteries – Slagveld begraafplaatsen. Onregelmatig aangelegd in de frontlinies, vaak met aanwezigheid van andere nationaliteiten. Soms het centrale gedeelde van wat later een werd. De meeste zijn verdwenen met de herstructurering van de begraafplaatsen. Na de slag plaatste men een ‘gravemarker’: een omgekeerd geweer met helm er op en aan een houten paaltje vastgemaakt, daaraan hing het plaatje met identificatiegegevens. Na de wapenstilstand plaatste men houten kruisen en vanaf 1924 werden ‘headstones’ aangebracht.
  • Advanced Dressing Stations ADS – Begraafplaats bij medische hulppost.
  • Casualty Clearing Stations CCS – Nabij veldhospitalen, buiten het geschut van de Duitsers, tot 15 km achter de loopgraven en langs een belangrijke verbindingslijn tussen de slagvelden.
  • Concentration Cemeteries CC – Verzamelbegraafplaatsen. Na de oorlog werden honderden kleine begraafplaatsen (dichtbij het vroegere front) ontruimd en de doden verzameld op ‘collecting’ cemeteries.

Franse gesneuvelden konden vanaf 1920 ook gerepatrieerd worden. Van de de circa 50 000 Franse soldaten die in België begraven lagen, werden er 38 000 gerepatrieerd. De 12 000 resterende Franse graven liggen verspreid over 39 verschillende kerkhoven, meestal burgerlijke kerkhoven maar ook Britse en Belgische militaire begraafplaatsen. Families die niet voor repatriëring kozen, konden één keer per jaar, op kosten van de Franse staat, het graf bezoeken.

De Duitse diensten begonnen al in de jaren 1916-1917 in het achtergebied de doden samen te brengen en de begraafplaatsen uit te bouwen met de hulp van bekende architecten en beeldende kunstenaars. Zo ontwierp architect Ludwig Pfaffendorf, afkomstig uit de Rijnstreek, de oorlogsbegraafplaatsen in de Ardennen.

In de eerste jaren na de oorlog was het de Belgische Dienst voor Oorlogsgraven die instond voor de Duitse begraafplaatsen. Eind de jaren 1920 gebeurde een eerste concentratie van kleinere Duitse begraafplaatsen. In de Westhoek bleven na deze eerste concentratie nog 41 Duitse militaire begraafplaatsen over.

Nadat in 1925 een Duits-Belgisch verdrag voor de oorlogsbegraafplaatsen afgesloten werd, stond de “Amtliche Deutsche Kriegsgräberdienst” in voor het onderhoud.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de “Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge” door de Duitse regering met het onderhoud en de permanente verzorging belast. In 1952 besloten de regeringen van België en de Bondsrepubliek (op wens van de Belgische regering) tot een tweede concentratie van Duitse begraafplaatsen om tot vier grote Duitse begraafplaatsen (Vladslo, Hooglede, Menen en Langemark) te komen.

Elke nationaliteit zijn eigen stijl

De ‘nationaliteit’ van een begraafplaats (Brits, Frans, Duits en Belgisch) kan herkend worden aan onderhoud, aanleg en architectuur, grafstenen.

Onderhoud

Franse en Belgische begraafplaatsen worden terecht als ‘slecht onderhouden’ aanzien.

Aanleg en architectuur

De Belgische oorlogskerkhoven vallen op door de erg sobere aanleg en beplanting. Er zijn weinig architecturaal element, vaak enkel een imposante voormuur, opgetrokken uit rode baksteen, afgewerkt met natuursteen en verfraaid met diverse sierelementen. Verder een vlaggenmast voor de Belgische driekleur en een houten schuilhuisje met het grondplan, register en bezoekersboek. Zelden een gedenkkruis of een ander religieus symbool.

De rijen graven zijn vrij strak en symmetrisch aangelegd in grasperken, die meestal afgewisseld worden met paden uit steenslag.

Verzamelbegraafplaatsen, die na de oorlog zijn ingericht, zijn aangelegd volgens een geometrisch patroon. Regelmatig zijn de graven in dubbele rijen, rug-aan-rug opgesteld. De haagjes, die oorspronkelijk achter of tussen de rijen graven waren aangeplant, zijn vaak verdwenen.

De Franse begraafplaatsen kan men het saaist noemen: er is geen indrukwekkende toegangspartij en de bijkomende architectuur wordt vaak beperkt tot een inspiratieloos monumentje bij een massagraf.

Architectuur speelt wel een rol op de Duitse oorlogskerkhoven. Zo is het indrukwekkende, maar erg gesloten poortgebouw van de Duitse begraafplaats in Langemark gebouwd in rode Wezerzandsteen. Tussen de grafstenen staan enkele groepen van drie kruisen in basalt, een zeer hard, donkergekleurd vulkanisch gesteente. Deze kruisen dienen louter als ornament en duiden geen graf aan.

Architectuur en aanleg spelen er een grote rol op oorlogskerkhoven van de Commonwealth. Dit is het werk van de bekendste Britse architecten uit hun tijd zoals Edwin Lutyens, Reginald Blomfield, Herbert Baker en Charles Holden. Voor de architectuur van de begraafplaatsen, meestal bestaande uit toegangspartij, ommuring en schuilhokje, wordt gebruik gemaakt van verschillende steensoorten, waarbij de combinatie van rode baksteen met Portlandsteen (of wit geverfde beton) het meest voorkomt.

Blomfield, de architect van de Menenpoort, ontwierp het Offerkruis (Cross of Sacrifice), dat men op alle Britse begraafplaatsen (met minstens 40 graven) aantreft, in vier formaten.  Het kruis is het teken van leven en dood (het offer is gebracht), het omgekeerde bronzen zwaard geeft de militaire betekenis weer: de strijd is gestreden.

Lutyens ontwierp de Herdenkingssteen (Stone of Remembrance), die alleen zou geplaatst worden op begraafplaatsen met meer dan 400 doden (wat overigens niet strikt werd gerespecteerd): een monoliet uit Portlandsteen van ongeveer 8 ton, altijd 3,5 meter lang en 1,5 meter hoog, op drie treden. De vorm is abstract bedoeld, zonder naar enige religie te verwijzen.

Geen enkele zijde van de Stone is perfect recht (toepassing van het entasisprincipe: subtiele curve om optische indruk van het “doorbuigen” tegen te werken).

De inscriptie ‘Their name liveth for evermore‘ (een citaat uit het Boek Ecclesiasticus) kwam er op suggestie van Rudyard Kipling (nobelprijswinnaar literatuur 1907, auteur van ‘The Jungle Book’), wiens enige zoon in 1915 sneuvelde in de Slag bij Loos.

Grafstenen

De klassieke Britse ‘Standard Commission Headstone‘, die 81 x 38 x 7,5 cm meet, is een ontwerp van een groep architecten en kunstenaars onder auspiciën van de Imperial War Graves Commission.

Iedere dode moest individueel herdacht worden met een eigen grafsteen of een gedenksteen van een ‘Missing Memorial’. De grafsteen moest beantwoorden aan de drie basisprincipes die de Commission reeds in februari 1918 bepaald had: permanent en duurbaar zijn, uniform zijn en geen onderscheid naar rang, burgerlijke stand, ras of geloofsbelijdenis.

Tegen de vorm van de Commission Headstone rijst aanvankelijk heel wat protest. Sommigen verkiezen een kruisvormig grafteken, terwijl anderen niet akkoord kunnen gaan met het feit dat dit ene ontwerp van overheidswege opgelegd wordt.

Op het overgrote deel van de Britse oorlogskerkhoven zijn de graftekens in Portlandsteen, een witte, vrij poreuze kalksteen waarin veel fossielen voorkomen. Deze steensoort is puur Brits en afkomstig van het eiland Portland (Dorset). De groeven zijn er nu nagenoeg uitgeput.

Ook Hopton Wood, de steensoort waaruit de graftekens van onder meer Lyssenthoek Cemetery bestaan, is een op en top Britse steensoort, oorspronkelijk afkomstig uit Hopton Wood, op de grens tussen Norfolk en Suffolk, maar nu vooral uit groeves in Derbyshire. Hopton Wood is grijzer en grover dan Portland, maar verweert minder snel.

Voor nieuwe grafstenen gebruikt de Commonwealth War Graves Commission de laatste jaren vooral Botticino, evenals voor het vervangen van verweerde of beschadigde graftekens in Portland. Botticino is een wit marmer uit Brecia in Noord-Italië. Het is veel gladder, niet poreus en dus veel beter weerbestendig dan Portland.

De Britse grafstenen vermelden heel wat gegevens:

  • Het nationaal embleem of het regimentsbadge voor de Britse en Indische eenheden Nationale emblemen:
    • Canada: esdoornblad
    • Australië: opkomende zon
    • Nieuw Zeeland: varenblad
    • Zuid-Afrika: kop van springbok
    • New Foundland: kop van kariboe
  • Stamnummer (behalve voor officieren) en rang van de overledene
  • Eerste letters voornaam en naam voluit
  • Eenheid
  • Sterfdatum en leeftijd (niet altijd)
  • Eventuele onderscheidingen
  • Religieus teken
  • Soms een grafschrift (epitaaf) door de familie gekozen en volgens de norm: maximum 60 letters en 4 regels. Dit gebeurde zonder kosten voor de familie, maar men mocht altijd een ‘vrijwillige bijdrage’ betalen.

Vaak weet men dat een soldaat op een bepaald kerkhof werd begraven maar, omdat latere gevechten en granaatvuur het terrein overhoop haalden, kon met niet meer met zekerheid vaststellen welke soldaat op welke precieze plaats begraven lag. Dan wordt op de grafsteen (special memorial genoemd) vermeld ‘Known to be buried in this cemetery‘ of ‘Buried elsewhere in this cemetery‘ of ‘Buried near this spot‘ of ‘Believed to be buried in this cemetery‘ of ‘To the memory of… met whose grave is now lost of whose grave was destroyed in later battles’.

Ook de Duhallow Block herdenkt soldaten wiens graf verloren ging. Het is een steen die steeds meerdere gesneuvelden (officieel, minstens 6) herdenkt, letterlijk naast (niet in de plaats van) de individuele special memory grafstenen. De steen vermeldt steeds de namen van het kerkhof waar deze soldaten oorspronkelijk werden begraven. ‘Their glory shall not be blotted out’ werd door R. Kipling geschreven. De steen wordt Duhallow Block genoemd omdat hij voor het eerst werd geplaatst op het Duhallow A.D.S. Cemetery in Ieper.

Als het gaat om een onbekende soldaat, staat op de grafsteen ‘Known unto God‘. Deze zin werd gekozen door Rudyard Kipling, die werkte tijdens WOI voor de Imperial War Graves Commission.

Op sommige CCS of Casualty Clearing Station begraafplaatsen werden er doden (géén officieren of piloten) in een deken gewikkeld twee per twee in hetzelfde graf gelegd. In dit geval staan de stenen ook zeer dicht, maar werden de graven afzonderlijk genummerd.

Sommige soldaten werden, conform hun traditie, verbrand en niet begraven. Ook zij krijgen een grafsteen met vermelding “The following soldier … is honoured here”

Op de grafsteen worden de onderscheidingen gegraveerd. De grootste onderscheiding voor een Brits soldaat is het Victoria Cross, zeer zeldzaam want enkel toegekend voor “zeer bijzondere dapperheid, of bijzondere daad van moed of opoffering of extreme plichtsbetrachting in aanwezigheid van de vijand”. Naar schatting overleeft slechts 1 op de 10 helden de daden die het VC opleveren. En toch wonnen drie mannen twéé Victoria Crosses: Captain Arthur Martin-Leake (arts), Captain Noel Chavasse (arts)  en Captain Charles Upham.

Enkel Captain Noel Chavasse sneuvelde. En zo bestaat maar één grafsteen ter wereld waarop twee VC zijn gegraveerd.

Noel Chavasse verdiende beide VC’s in WW 1. Hij ligt begraven op het Brandhoek Military Cemetery plot III rij B graf 15 (Branderstraat, Vlamertinge). Enkele rijen verder ligt zijn helper Rudd die zes dagen later stierf door verwondingen opgelopen door dezelfde granaat die Chavasse het leven kostte.

Chavasse was een arts die het Royal Army Medical Corps (RAMC) vervoegde bij het uitbreken van WW1.

Hij kreeg het Military Cross na de Slag bij Hooge (Ieper, 1915).

In februari 1917 ontving hij, uit handen van koning George V, zijn eerste VC voor zijn moedig gedrag in de Slag aan de Somme (bij  Guillemont) waar hij zelf twee keer door shrapnel geraakt werd. “Altogether he saved the lives of some twenty badly wounded men, besides the ordinary cases which passed through his hands. His courage and self-sacrifice were beyond praise.”

In Juli 1917 was hij aanwezig bij de Slag om Passendale. Hij organiseerde een eerste hulp post in een veroverde Duitse bunker maar werd op 31 juli aan het hoofd geraakt door Duits geschut.  Nadat die ernstige wonde verzorgd was, keerde hij terug naar zijn post. Hij werd daar nog twee keer aan het hoofd geraakt maar bleef op post en redde persoonlijk meerdere zwaargewonden tijdens de twee volgende dagen. Op 2 augustus werd hij geraakt in de maagstreek; hij werd overgebracht naar het CCS Brandhoek waar hij op 4 augustus 1917 stierf, 32 jaar oud.

Though severely wounded early in the action whilst carrying a wounded soldier to the dressing station, he refused to leave his post, and for two days not only continued to perform his duties but went out repeatedly under enemy fire to search for and attend to the wounded who were lying out. During these searches, although practically without food, he assisted to carry a number of badly wounded men over heavy and difficult ground. By his extraordinary energy and inspiring example he was instrumental in rescuing many who would have otherwise undoubtedly succumbed under the bad weather conditions.”

Niet iedereen is even moedig. Maar alle doden worden herdacht, ook de circa 340 soldaten van het Gemenebest die werden geëxecuteerd na uitspraak van de krijgsraad. Op hun grafsteen staat ‘Shot at dawn‘.

De familie had de mogelijk een onderschrift toe te voegen, hier leest dit:

ONE OF THE FIRST TO ENLIST
A WORTHY SON
OF HIS FATHER

Nu wordt algemeen aangenomen dat het overgrote deel van de geëxecuteerden leed aan het Post Traumatische Stress Syndroom. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd ‘shell shock’ door de militaire autoriteiten nauwelijks erkend als verzachtende omstandigheid.

In 2007 kregen alle 306 Britse militairen die in de Eerste Wereldoorlog wegens desertie of lafheid gefusilleerd werden, eerherstel. In Alrewas, Staffordshire staat het The Shot at Dawn Memorial om hun nagedachtenis te eren.

Alrewas  Verenigd Koninkrijk.

De Duitse oorlogskerkhoven hebben liggende grijze grafstenen in gepolijst graniet met weinig gegevens: naam, soort militair of rang en sterfdatum. Het gebruik van sobere liggende grafstenen is wellicht ontleend aan protestantse kerkgenootschappen zoals de Hernhutters, die inderdaad die gewoonte hebben.

Onder elk van de duizenden vierkanten, grauwe stenen liggen de stoffelijke resten van twintig personen. Het enige persoonlijke op de steen is de naam, rang en overlijdensdatum. In het namenboek van de begraafplaats staat dan ook nog de eenheid vermeld.

Op Franse oorlogskerkhoven zijn er geen grafstenen in de letterlijke betekenis van het woord. Christenen kregen kruisen en moslims, joden en vrijzinnigen stèles. De graftekens waren oorspronkelijk vervaardigd in beton en sinds de jaren 1970 in een makkelijk te onderhouden composietmateriaal met marmerpartikels. Het grafplaatje vermeldt slechts de naam, voornaam, rang en eenheid, sterfdatum en stamnummer. Op vele Franse begraafplaatsen treft men een massagraf (ossuaire) aan.

De Stèle voor moslims is een opstaande steen die bovenaan overgaat in een hoefijzervormige boog. In het boogsegment vind je de halve maan, een vijfpuntige ster en een tekst in het Arabisch. De maansikkel is een algemeen symbool voor de islam en de ster verwijst naar de 5 verplichtingen waaraan de moslim zich dient te houden: het belijden van het geloof, het dagelijkse gebed, de aalmoezen, de ramadan en de bedevaart naar Mekka. De islamitische tekst betekent ‘Moge Allah zijn genade schenken’. De moslimgraven liggen wel gewoon in de rijen, dus niet noodzakelijk parallel aan de richting van Mekka.

Stèles Franse soldaten

Joden liggen begraven onder een opstaande stèle, bovenaan afgerond en op het front de afbeelding van een davidster. De driehoek met een hoekpunt naar boven wijst naar het hemelse, deze met een hoekpunt naar beneden, wijst in de richting van het aardse.

De stèle voor vrijzinnige vermeldt niets, behalve het grafplaatje en “Mort pour la France”.

De grafzerken op Belgische oorlogskerkhoven zijn imposant en zwaar. Aangezien het om een arduinsteen gaat van 100 x 52 x 15 cm met een gewicht van bijna 150 kilogram valt dit zowel letterlijk als figuurlijk te nemen. Arduin is een harde, blauwgrijze kalksteen die ook in België ontgonnen wordt.

Het ietwat barokke ontwerp van architect Simons uit 1920 – soms spreekt men schertsend van kleerkastmodel – is na heel wat discussie officieel aanvaard in 1924. Sinds 1925 is het gebruik van deze officiële Belgische grafsteen veralgemeend en vervangt hij de houten kruisen, de zogenaamde heldenhuldezerkjes en de privé-monumenten, tenzij de familie bezwaar aantekende en het behoud vroeg van de oorspronkelijke zerk.

De bronzen plaat op een Belgische grafzerk vermeldt veel gegevens: naam, eenheid, geboorteplaats en -datum, sterfdatum en de toegekende eretekens. De taalkeuze gebeurde door de nabestaanden. Niet-geïdentificeerden kregen een tweetalige tekst. Boven de plaat zit een rond geëmailleerd plaatje met de nationale driekleur en meestal een symbool (zoals kruis of leeuw).

Op de oorlogskerkhoven treft men ook nog enkele heldenhuldezerkjes aan. Deze betonnen zerken in de vorm van een Keltisch Kruis zijn ontworpen door Joe English en vanaf augustus 1916 door het Vlaamsgezinde Comité voor Heldenhulde geplaatst op graven van Vlaamse studenten en vrienden. De kostprijs is betaald door kameraden. De brede voet van het heldenhuldezerkje laat veel plaats voor gegevens. Bovenaan staan de letters AVV-VVK en de blauwvoet, twee verwijzingen naar de Vlaamse (studenten)beweging. Van de ca. 800 oorspronkelijke heldenhuldezerkjes blijven er nu nog zo’n 75 over.

Commonwealth War Graves Commission

De Commonwealth War Graves Commission (toen nog Imperial War Graves Commission) werd in 1917 opgericht. 

Deze commissie is verantwoordelijk voor de aanleg en het beheer van de graven van de Gemenebeststrijdkrachten: 2,7 miljoen gesneuvelden verspreid over meer dan 150 landen.

De meeste begraafplaatsen bevinden zich in België en Frankrijk, en werden na de Eerste Wereldoorlog aangelegd. Er liggen ook begraafplaatsen in het Midden-Oosten, als gevolg van de strijd tegen het Ottomaanse Rijk in de Eerste Wereldoorlog, en in Noord-Afrika, het Verre Oosten en Italië na de Tweede Wereldoorlog. Het Tyne Cot Cemetery, ten noorden van Ieper in België, is het grootste Britse kerkhof met bijna 12.000 graven. 

Het kantoor in Ieper is verantwoordelijk voor de Gemenebest begraafplaatsen en monumenten in Centraal West-Europa (België, Nederland, Luxemburg, Duitsland, Oostenrijk, Polen, Letland, Estland en Littouwen) en stelt –naast de tuinmannen- meer dan 200 mensen te werk: managers, boekhouders of metsers, erfgoedspecialisten, timmermannen. 

De CWGC in België werkt pesticide-vrij. De 220 begraafplaatsen in België worden allemaal manueel door tuinmannen gewied. In de Ieperboog gaat het over zo’n 100 kilometer bloemenborders.