Loker
Grensgemeente, gedeeltelijk op de westflank van de Kemmelberg, aan de voet van de Rodeberg met de Scherpeberg volledig op het grondgebied.
Voornamelijk landbouwgemeente en woongebied voor pendelaars; thans enige toeristische activiteiten.
Loker komt voor het eerst voor in 1072 onder de benaming Lokerne. Etymologisch betekent het heldere beek, of is het afgeleid van het middelnederlandse Lok (Lok = ad of omheining).
Loker, gelegen nabij de heerbaan Cassel-Kortrijk was reeds bewoond ten tijde van de Romeinen; een brandrestengraf, op de mote de Galooie wijst op deze aanwezigheid.
De Galooie, mote gelegen ten zuidwesten van de dorpskom, aan de voet van de Rodeberg nabij de Galooiebeek, werd in de 12de eeuw door de heren van Loker uitgekozen als versterking.
Loker werd tijdens de Eerste Wereldoorlog volledig verwoest, voornamelijk tijdens het Duits offensief in maart 1918. Na de oorlog werd het dorp grosso modo naar vooroorlogse aanleg wederopgebouwd.

Galooie-motte
Douanestraat, Loker.
Veel is er niet meer te zien: een begroeide verhoging met rondom de resten van een ringvormige gracht. Dit is wel een beschermde archeologische site, de plaats waar de heren van Loker hun moteburcht bouwden (zie: banale revolutie).
Een mote of motte was snel en goedkoop te bouwen: een geheel of gedeeltelijk kunstmatige heuvel met een regelmatige vorm en steile zijden, omgeven door een droge of natte gracht en een houten omwalling die later vaak werd vervangen door een stenen muur. De aarde voor de heuvel werd verkregen door het uitgraven van een gracht. De constructie heeft tot doel de op zijn afgeplatte top staande versterkingen beter te verdedigen en de omgeving te beheersen.
In het openluchtmuseum Turmhügelburg (Lütjenburg, Duitsland) staat een natuurgetrouw nagebouwd middeleeuwse moteburcht.

De Galooie-motte heeft een diameter van ca. 40 m en een hoogte van 4,5 m. In een eerste fase werd de mote verhoogd, omwald, en voorzien van een toren in vakwerkbouw (hout). Na korte tijd, in de 12de eeuw, werd de houten constructie vervangen door een gele bakstenen toren. In de eerste helft van de 16de eeuw geraakte de vesting in onbruik.

Er gebeurden twee opgravingen: omstreeks 1900 een beperkte, en in 1976-1977 een meer uitgebreide waarbij onder meer een Romeins brandgraf werd blootgelegd.
Tehuis Stichting Godtschalck
In 1872 opgericht als Sint- Antoniusgesticht, tehuis voor zieke ouderlingen, door de burgerlijke godshuizen van Ieper. Het was geen succes en in 1887 kwam het leeg te staan.
Dankzij de erfenis van jonkheer Godtschalck konden de zusters van de Heilige Vincentius a Paulo van Gits er in 1896 “St-Antonius” starten: een weeshuis en een huishoudschool voor meisjes. Er waren niet enkel wezen, ook andere kinderen waren welkom tegen betaling. De jongens verlieten het gesticht op 10-jarige leeftijd. De meisjes werden er “in eer en deugd opgebracht, onderwezen en geoefend in alle vakken der vrouwelijke bedrijvigheid” en verlieten het gesticht pas als ze meerderjarig (toen 21j) waren. In 1914 bezat het gesticht meer dan 5 hectare grond en bood het onderdak aan 200 kinderen, waarvan een 60-tal jongens.
Tot het Duitse lenteoffensief (1918) blijven de kinderen ter plaatse, het gesticht ligt ver genoeg achter het front. De gebouwen worden ook gebruikt als Britse medische hulppost en er worden gesneuvelden begraven in de tuin (het Locre Hospice Cemetery). In 1918 schuift het front op en het gesticht komt te midden het oorlogsgeweld; iedereen moet vluchten en de gebouwen raken helemaal vernield.
Al in december 1918 keren enkele zusters terug om voorlopig onderdak te regelen; in april 1919 staat er een eerste barak en in juni keren de eerste weesmeisjes terug. In 1927 wordt begonnen met een nieuwbouw (ontwerp architect De Saegher uit Poperinge), 150m dichter bij de dorpskern.
In 1928 worden de zusters vervangen door de zusters van de Heilige Familie uit Ieper. In 1939 werden er 68 weesmeisjes opgevangen en onderwezen door 7 zusters en 2 onderwijzeressen. Enkel meisjes, behalve tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen verbleven er ook de jongens van het Ieperse Ons Tehuis (omdat de Duitsers hun gebouw bezetten).
In 1959 stopte het gesticht St. Antonius; de gebouwen kwamen leeg te staan.
In 1962 kochten de Zusters van het Geloof uit Tielt gebouwen en startten er een nieuw initiatief voor verwaarloosde kinderen. In de jaren ’70 vervoegde lekenpersoneel de zusters en met de jaren verminderde het aantal zusters in het tehuis. In augustus 2003 beëindigde de laatste zuster haar loopbaan in Huize Godtschalck, maar tot 2008 blijven er wel nog enkele zusters wonen.
In 1976 werd het tehuis erkend als kindertehuis. In 1979 werd het tehuis een vzw met een eigen Raad van Bestuur. In 1984 krijgt Huize Godtschalck de erkenning voor Begeleid Zelfstandig Wonen.
Gedenkkruis voor Major William Redmond
Godtschalckstraat, Loker.
Major W.H.K. Redmond ligt begraven onder een gebeeldhouwd kruis binnen een perkje afgebakend door ijzerzandsteen.
In 1914 krijgt de Irish National Party, onder leiding van de invloedrijke nationalist John Redmond, eindelijk een wet door het Britse parlement die het langverwachte zelfbestuur vorm moet geven. Als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt wordt de wet uitgesteld.
Redmond blijft loyaal tegenover de Britten en roept zijn landgenoten op om dienst te nemen in de 16e Ierse Divisie. Zijn broer William, prominent parlementslid voor de Irish Party, ondersteunt deze rekruteringscampagne voluit. In een bevlogen toespraak vanop het balkon van het Imperial Hotel in Cork engageert hij zich met de legendarische woorden ‘old as I am, and grey as are my hairs, I will say: don’t go, but come with me’. William Redmond wordt kapitein, later majoor, bij het zesde bataljon Royal Irish Regiment. Hij blijft ook actief in het Britse parlement. In zijn laatste indrukwekkende tussenkomst in Westminster roept hij de Ieren op om een voorbeeld te nemen aan de samenwerking in de frontlijn tussen de voornamelijk protestantse 36ste Ulster divisie en de hoofdzakelijk katholieke 16de Ierse Divisie.
Tijdens de mijnenslag van 7 juni 1917 raakt hij bij de bevrijding van Wijtschate gewond door granaatscherven. Een voormalig politiek tegenstander, soldaat John Meeke, snelt ter hulp. Hij neemt het 56-jarige parlementslid op zijn schouders en probeert hem te evacueren. Bij deze poging wordt hij zelf geraakt maar slaagt er toch in de majoor door collega’s te laten wegbrengen. Kort daarna sterft William Redmond in een hulppost in Dranouter. Hij wordt begraven in de kloostertuin van Loker.
Het klooster wordt in 1918 kapot gebombardeerd maar het graf van Redmond blijft ongeschonden. De Ierse nationalist, die op het einde van zijn leven steeds meer pleitte voor verzoening, ligt nog altijd in een eenzaam graf.
http://www.wo1.be/nl/db-items/gedenkkruis-voor-major-william-redmond
The Irish Wall
Met stenen die restten na de bouw van de Ierse toren in Mesen (1998), bouwden de Ieren hier in de tuin een stuk muur, ter nagedachtenis van Redmond, met het opschrift “ga niet, maar kom met mij” in het Engels en het Iers.
Demarcatiepaal
Demarcatiepaal n° 7 (Dikkebusstraat) en n° 8 (Kemmelbergweg)
Oorlogssite Loker
- Scherpenbergweg – Britse schuilplaatsen (6)
- Zavelaarstraat – Britse betonnen verdedigingsconstructies (3)
Oorlogskerkhoven Loker
- La Clytte Military Cemetery, Reningelststraat
- Locre Hospice Cemetery, Godtschalckstraat
- Locre No.10 Cemetery, Dikkebusstraat
- Loker Churchyard, Dikkebusstraat