Spilgemeente van het Heuvelland op de noordoost-helling van de Kemmelberg, hoogste getuigenheuvel in België. Landbouw is nog steeds de voornaamste bestaansbron van Kemmel, thans ook woondorp voor pendelaars naar Ieper en Kortrijk.
Het grondgebied was reeds bewoond tijdens de prehistorie. Een belangrijke nederzetting was gelegen op de Kemmelberg: de top was omgeven door een gracht en wal, die een gebied van 350 bij 90 meter breedte omsloten. Ook in de Romeinse periode was het gebied bewoond.
Kemmel komt voor het eerst voor in 916 onder de naam Kemlis; etymologisch afgeleid van het Latijnse culmen (top). Kemmel bezat reeds een kerk in de 9de eeuw. Tijdens de beeldenstorm werd deze verwoest.
Voornamelijk tijdens de 15de en de 16de eeuw was Kemmel bekend om zijn lakennijverheid.
Reeds sinds het vierde kwart van de 19de eeuw is Kemmel een toeristisch centrum met voornamelijk vakantieverblijven voor de Noordfranse burgerij. In 1890 werd “Le syndical d’initiative Kemmel en avant” opgericht. De toeristische attrakties waren onder meer de houten uitkijktoren met berekooi op de Kemmelberg, het doolhof gelegen ten oosten van de kerk en de grot Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes.
Vóór de Eerste Wereldoorlog was de Kemmelberg een relatief kale heuvel, met een geschiedenis van ijzerzandsteengroeves en een belangrijk uitkijkpunt. Zeker niet de dichte bosbouw zoals we die nu kennen.
Vanaf 1915 komt er een Britse uitkijkpost op deze strategische hoogte. Van 16 april tot 25 1918 wordt de (tweede) ‘slag om de Kemmelberg‘ uitgevochten. Kemmel werd totaal verwoest.
Een Engelse soldaat verwoordt treffend de verwoesting die aangericht wordt (bron: oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds).
Bij onze aankomst op 16 april 1918 was de Kemmelberg een mooie plaats, vrolijk bebost, dicht met bloemen bedekt en over het algemeen lijkend op Clifton Grove in de maand mei.
Bij ons vertrek was het een gefolterde massa bruine aarde met versplinterde bomen en bezoedelde lucht.
De Kemmelberg wordt in 1918 de ‘kale berg’ genoemd vanwege de grondige vernietiging van alle vegetatie. Er kwam toen een ‘Kamp van Chinezen’: het Chinees Labour Corps werd er ingezet bij het ontgraven van slachtoffers, het aanleggen van oorlogsbegraafplaatsen en opruimen van de talrijke ruïnes.
Na de Eerste Wereldoorlog werd Kemmel heropgebouwd naar vooroorlogse aanleg.
Vanaf de jaren ’20 en ’30 werden ook de hellingen beplant met loofboomsoorten, een proces dat het landschap herstelde en de herinnering aan de oorlog levend hield. De verantwoordelijkheid voor de herbebossing lag bij de nationale en lokale overheden.
Al onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog kende het fronttoerisme, mede onder impuls van de Belgische Touring Club een opgang. Thans neemt het dagtoerisme sterk toe.
Een bronzen beeldje gemaakt door de Roeselaarse beeldhouwer Isidoor Goddeeris, naar een ontwerptekening van Geert Vanallemeersch.
De Gaper is de spotnaam die de inwoners van Ieper gaven aan de inwoners van Kemmel. Een Kemmelnaar, die voor het eerst met zijn waren naar de Ieperse markt trok, zou vol verbazing en met open mond de indrukwekkende lakenhalle en het belfort aangestaard hebben.
Park en kasteel De Warande
Bergstraat 24, Kemmel.
Dit kasteel mag niet verward worden met dat andere kasteel waar nu het Kemmel Chateau Military Cemetery ligt (Nieuwstraat) en dat niet herbouwd werd na WO1.
Ook dit kasteel werd tijdens de eerste wereldoorlog verwoest maar de burgemeester van Kemmel (Jacques Bruneel de la Warande) liet het in 1925 herbouwen, iets zuidelijk van vroegere ligging.
Het nieuwe kasteel werd opgetrokken in neo-renaissancestijl. Als bouwmateriaal werd gele baksteen toegepast. Op de balustradetrap vindt men de wapenschilden van de families Bruneel en Montalembert (echtgenote Bruneel).
In 1926 werd het Warandepark aangelegd, 16 ha groot, gelegen op de helling van de Kemmelberg. Het park telt een groot aantal bijzondere bomen, zowel exotische bomen als ook bomen die groot van afmeting zijn. Via de Kasteeldreef sluit dit park aan op het oude Kasteelpark.
In 1979 werd het kasteel in gebruik genomen als gemeentehuis van Heuvelland. Het Warandepark werd een gemeentelijk park.
In het park staat een bronzen beeldje van het ‘Malegijs-paardje’, een vliegend paard met drie meisjes op zijn rug, een uitbeelding van het volksverhaal Malegijs Peerdeke uit de zestiende eeuw.
De Ontsnapping (Eric Nagels)
In het voorjaar van 2020 werden aan het rondpunt de Polka in Kemmel drie renners geplaatst uit de kunstcollectie De Ontsnapping van Eric Nagels. Naar aanleiding van de 100ste verjaardag van de Ronde van Vlaanderen in 2013 verschenen toen 72 reuze speelgoedrenners uit polyster in het Vlaamse straatbeeld. Voor de kunstenaar was dit een verwijzing naar zijn jeugdjaren toen hij de felgekleurde plastic speelgoedrennertjes, die in de jaren 1960 of ’70 in de trommels met waspoeder zaten, verzamelde.
Een vierde renner (Werner Kerner) staat elk jaar op een andere locatie.
V(enus).hill
Kruispunt Kemmelbergweg en Bergstraat (Kemmel)
Een 9 meter hoog beeld uit polyester en inox van kunstenaar Johan Tahon, gemaakt voor het ku(n)stproject 2003 Beaufort.
Oorspronkelijk stond het werk in Oostende. Na afloop van het ku(n)stproject heeft Toerisme Vlaanderen het beeld gekocht en een vaste plaats gegeven op de picknickplaats van jeugdvakantiehuis De Lork in Kemmel. Het monumentale beeld kijkt nu uit op de laagvlakte van Frans-Vlaanderen.
Het werk is een herinnering aan het oorlogsverleden, in die zin past het wel op de flank van de Kemmelberg. Het beeld werd hersteld nadat het in 2006 werd vernield door brandstichting.
Kunstenaar Johan Tahon is bekend om zijn reuzegrote en kwetsbare figuren op lange benen. Al zijn wezens vertonen min of meer menselijke trekken. Toch zijn ze niet zuiver mimetisch, maar hebben ze ook een abstracte dimensie.
WO1 Eik (Vredesboom)
Noordstraat, Heuvelland (in 90° bocht, niet ver van nr 6).
Weinig bomen in Heuvelland zijn meer dan honderd jaar oud maar deze eik heeft de slag van de Kemmelberg overleefd. Weliswaar niet ongeschonden: in april 1918 werd zijn kroon afgeschoten en slechts een deel van de stam bleef staan. Hij gaat niet meer rechtop maar na de oorlog ontwikkelde hij een nieuwe kroon, laag bij de grond. Hij herstelde als knoteik, voor eeuwig getekend door die oorlog. Een blijvend lidteken in het landschap.
Eind de jaren 70 koos de Elfnovembergroep de eik als hun symbool. Hun slogan was “nooit brengt oorlog vrede”. De werkgroep Westhoek Vredeshoek, die alle vredesinitiatieven in de Westhoek overkoepelt, zet deze boom nu centraal in hun werking. De eikels worden jaarlijks geoogst om uit te planten als Westhoekbomen.
“Ergens tussen de Kemmelberg en Ieper staat een boom waar niet naast te kijken valt. Hij is prachtig, de kruin vertakt zich boven een holte. Hij zou een beeldhouwwerk van Berlinde De Bruyckere kunnen zijn, maar er is geen menselijke hand aan te pas gekomen. Of toch, onrechtstreeks: hij heeft de Leieslag meegemaakt, in april 1918. Het informatiebord trekt een parallel tussen boom en streek: ze herleefden na de oorlog. Dit is een streek die haar littekens niet verstopt, maar liefdevol verzorgt en toont, in de oorlogskerkhoven en in details zoals het houten bankje dat naast deze boom is neergezet.”
Eva Berghmans in De Standaard ‘Het land waar gejaagdheid geen kans maakt’ 23 juli 2022.
Lettenberg bunkers
Lokerstraat ter hoogte van het kruispuntje met de Kattekerkhofstraat.
De berg ligt tegen de Kemmelberg aan met een top op 95 meter hoogte.
Op de flank zijn enkele gerestaureerde bunkers van de Britse troepen uit de Eerste Wereldoorlog te zien. Vermoedelijk zijn ze onderling met mekaar verbonden door een tunnelsysteem. De heuvel werd begin 1917 door de Britse “175th Tunneling Company” ondergraven en voorzien van ondergrondse schuilplaatsen (brigade-hoofdkwartier, slaapplaatsen en medische hulppost), de toegang bestond telkens uit een bunker, deze zijn heden ten dage vrij te bezoeken.
Deze uiterst geheime site, in zijn oorspronkelijke staat en perfect bewaard, is een zeldzame getuigenis van de Koude Oorlog in België. Aan de hand van foto’s, filmbeelden, objecten, uniformen en uitrustingsstukken dompelt de bunker ons vandaag in sfeer van de Koude Oorlog.
De bunker werd kort na de tweede wereldoorlog gebouwd, als communicatiecentrum voor de luchtverdediging van vijf landen (België, Frankrijk, Groot-Brittannië, Luxemburg en Nederland).
De bunker zelf is 15 meter diep en meet 30 meter op 30 meter. De muren zijn twee meter dik. Er is een vlottend betonnen dak van 73 bij 60 meter, in dikte variërend tussen 1,15 m en 2,9 m met een koperen omhulsel als afscherming tegen een elektromagnetische puls. Tussen dat vlottend dak en de bunker bevindt zich een laag grond die fungeert als schokdemping tijdens bombardementen. Ook de buitenmuren boden bescherming tegen een elektromagnetische puls. Er was een nooduitgang voorzien naar een flank van de Kemmelberg.
Wegens de realisatie van een geïntegreerd luchtverdedigingssysteem
door de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) werd het bouwwerk echter
nooit voor zijn oorspronkelijk doel gebruikt.
Bovendien was de bunker bij voltooiing van de bouw, technologisch
al achterhaald. Zo is hij bijvoorbeeld niet bestand tegen een aanval met
nucleaire, biologische of chemische wapens.
In de jaren zestig werd de bunker omgebouwd tot commandocentrum, het hoofdkwartier van de Generale Staf van de Belgische Strijdkrachten in geval van conflict. Bij een aanval van het Rode Leger zou de bunker voor de NAVO het zenuwknooppunt van de Benelux worden. Om de commandobunker 24 uur per etmaal operationeel te houden werd een team van 600 militairen ingezet; drie ploegen van 200 mensen. Er kwam geen aanval van het Rode Leger en de bunker werd dus nooit gebruikt, behalve voor een jaarlijkse oorlogssimulatie.
Na de Koude Oorlog (val van de Berlijnse muur in 1989) verloor de bunker zijn militaire nut maar hij werd tot 1995 permanent bewaakt. In dat jaar vond er ondergronds ook de laatste geheime oefening plaats. Na 1995 kwam het toezicht van de bunker in handen van het Competentiecentrum Steunmaterieel en -producten van Ieper.
In 1996 werd het militair domein uit gebruik genomen en in 2009 werd de bunker museaal ingericht door het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis en vervolgens voor het publiek opengesteld.
De uitkijktoren-Belvédère, 170 meter boven de zeespiegel, biedt adembenemende uitzichten en werd in 2004 beschermd als monument.
Vanaf de late 19de eeuw maakte het West-Vlaamse heuvelland opgang als toeristische regio. De streek werd vooral bezocht door de Noord-Franse burgerij.
Ooit stond op de top van de Kemmelberg, toen was die niet bebost, een windmolen (standerdmolen).
Foto: Ickx Romain (1860 – 1953)
Er bestaan ook postkaarten van
In 1889 werd, in plaats van de windmolen, een pittoresk uitkijktorentje gebouwd: een houten bouwsel met onderaan een berenkooi als attractie. Die toren werd gebouwd onder de impuls van kasteelheer en burgemeester Hubert Bruneel (1866-1918) die zich op toeristisch vlak heel verdienstelijk maakte.
Na de verwoesting tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de toren in 1924 heropgebouwd in baksteen, samen met een aanleunende woning en gelagzaal.
Tijdens WOII stond er op de berg ook een ijzeren zendmast van het Duitse leger, na de oorlog werd die gesloopt.
Restaurant Belle Vue
Vanaf de late 19de eeuw maakte het West-Vlaamse heuvelland opgang als toeristische regio. De streek werd vooral bezocht door de Noord-Franse burgerij.
Tot de Eerste Wereldoorlog stond op de top van de Kemmelberg (waar in 1954 de Hostellerie werd gebouwd, maar dan dichter bij de weg) het restaurant Belle Vue. Recht tegenover het restaurant was een uitkijkheuveltje. Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte dat heuveltje deel uit van een klein Brits weerstandscentrum.
Restaurant Belle Vue en uitkijkheuveltje, rechts.
Geodetisch punt Kemmelberg
Op de top van de Kemmelberg (recht tegenover de inrit van Hostellerie Kemmelberg) staat een steen MGI 1952 met handtekening, het geodetisch punt dat de hoogte van de Kemmelberg bepaalt: 154 meter.
Vanaf 1831 bestaat er onder het Commissariaat-generaal van Oorlog een divisie met naam Dépôt de la Guerre et de la Topographie (Krijgs- en Topografisch Depot, KTD). Deze krijgt de opdracht om de officiële topografische kaart van het Belgisch koninkrijk te maken.
Op 30 juni 1878 wordt het Institut Cartographique Militaire (Militair Cartografisch Instituut, MCI) opgericht ter vervanging van het KTD: wetenschappelijke kringen en openbare diensten kunnen nu de vervaardiging van hun specifieke kaarten aan het vroegere KTD toevertrouwen –al blijft de opdracht van het MCI hoofdzakelijk militair.
Na de Tweede Wereldoorlog moest men praktisch van nul terug beginnen, omdat de meeste kaarten waren vernietigd. Op 5 maart 1947 wordt het Militair Geografisch Instituut (MGI) gesticht, een instelling met dubbele opdracht: militair-industrieel (productie) en wetenschappelijk (permanent onderzoek).
Begin 1970 wordt het Militair Geografisch Instituut gedemilitariseerd: de wet van 8 juni 1976 richt het Nationaal Geografisch Instituut (NGI) op. Wat vroeger de militaire stafkaarten waren, worden nu de topografische kaarten. Het NGI ressorteert wel nog altijd onder het ministerie van Defensie.
De cartotheek van het Nationaal Geografisch Instituut bezit een grote collectie van oude en nieuwe kaarten van België. Vanaf de oprichting van het Krijgsdepot (1865 tot 1878) via het Militair Cartografisch Instituut (1878 tot 1945), het Militair Geografisch Instituut (1947 tot 1976) en tot het Nationaal Geografisch Instituut (1976 tot heden).
Deze collectie kan worden geraadpleegd op de website www.cartesius.be. Daar kunt u overigens de grootste collectie van cartografisch erfgoed en historische luchtfoto’s van België en Centraal-Afrika ontdekken.
Misschien onthult de datum dat de plaatsing van de steen iets te maken heeft met de bouw van de Commandobunker Kemmel. Dit uiterst geheime commandocentrum voor de luchtverdediging van vijf landen (België, Frankrijk, Groot-Brittannië, Luxemburg en Nederland) werd in het begin van de jaren vijftig gebouwd in de zuidflank van de Kemmelberg.
Kinderput
Op de top van de Kemmelberg, achter de steen MGI 1952, ligt de Kinderput.
Volgens het volksverhaal Malegijs Peerdeke uit de zestiende eeuw is dit put waar drie meisjes uit Ieper, ontvoerd door het Malegijs-paardje, ontwaakten als uit een droom. Om dit voorval te vereeuwigen, werd die plaats Kinderput genoemd.
Plaat: ‘Hier is de Kinderput’
In het Warandepark staat een bronzen beeldje van het paard Malegijs.
Op kermismaandag, rond de jaren 1520 wandelden drie meisjes uit eenzelfde buurt in de koele valavond door de stad Ieper. In de Tempelstraat ontmoetten zij een klein paard, dat zonder leidsman was en scheen te dwalen. Het dier leek hen zo wondermooi, aardig en bevallig, dat de drie meisjes bleven stilstaan om het te bekijken.
Het steigerend paardje was wit, zonder haar en zeer glad, op elke bil vertoonde zich, alsof het borduursel was, een groene papegaai en rond de buik zag men verscheidene ranken bloemen hangen. De poten van het paardje waren zo rond als gedraaide pilaren, terwijl garen kwispels de manen vormden en de staart gemaakt was uit bontkleurige zijden linten.
Op zijn rug lag een zadel van rooskleurige damast met zijden linten. Terwijl de drie meisjes zich door de ongewone schoonheid van het paardje lieten vervoeren, kwam van ver een knecht toegelopen, die de meester van het verloren dier scheen te zijn. Hij richtte zich tot de opgetogen meisjes en vroeg hen of ze wel ooit zo een welgemaakt paardje hadden gezien.
Toen zij verrukt “nee” antwoordden, zei hij: “Ik geloof het wel, want het paardje komt van Japan. Ik ben er vandaag voor het eerst mee in de stad Ieper aangekomen. Zijn hoedanigheid maken het nog bewonderswaardiger dan zijn uitgelezen gedaante. Het wil zich namelijk niet door een man laten berijden, maar daarentegen is het bijzonder geschikt om juffrouwen te vervoeren. Zodra dezen het willen bestijgen, laat het paardje zich op de knieën vallen om de juffrouw op zijn rug te laten plaats nemen”.
“Mocht het u lusten er een kleine wandeling mee te doen, zet u dan maar alle drie op het paardje, zegt waar ge woont of waar ge heen wilt en het zal er u met alle genoegen naar toe voeren.”
De meisjes aarzelden even, maar toen besloten ze toch een ritje met het paardje te ondernemen. De knecht begon het te strelen en beval het op zijn knieën te gaan zitten, hetgeen het ook onmiddellijk deed, zodat de meisjes het konden beklimmen. Nadat ze de knecht nog eens goed op het hart hadden gedrukt het paardje niet te laten lopen, zette het zich in beweging.
De voorste juffrouw hield zich vast aan de toom, die een gevlochten zijden koord was en het fiere dier trad zo zachtjes vooruit dat men ternauwernood zijn voetstappen hoorde. Maar stilaan versnelde de tred van het paardje en het scheen weldra dat het als een pijl langs de weg vloog. Zo waren de drie meisjes reeds de stadspoort uit vooraleer zij merkten dat zij misleid waren geworden.
De avond was intussen gevallen en het werd onmogelijk om te schatten hoe lang de weg was die het paardje al had afgelegd. Maar plots hield het stil en de meisjes bevonden zich voor een wondermooi groot kasteel welke talloze vensters had. Duizenden muziekinstrumenten lieten welluidende tonen horen en bekoorden het oor van de meisjes. Het scheen trouwens wel alsof men binnenin lustig danste en sprong.
Plots ging de poort van het kasteel open. Het paardje reed binnen met de drie meisjes. Ook de knecht trad binnen en de poort sloot zich vanzelf achter hen zodat niemand er meer uit kon. Maar een ogenblik nadien opende zich een zijdeur en talrijke kostelijk geklede hofvrouwen vertoonden zich aan het oog van de Ieperse meisjes. Verder in de kamer stond een welgedekte tafel en aan het hoofdeinde daarvan zat een heer die de meester van het huis scheen te zijn.
Enkele jonkvrouwen stonden op, naderden de drie meisjes en hielpen hen van het paardje te stappen, dat andermaal de knieën boog, en deden ze binnenkomen. De meisjes, die van hun verbaasdheid nog niet bekomen waren, verzochten om verontschuldiging voor hun ontijdige verschijning op het kasteel en wilden meteen weggaan. Maar men gaf aan die verontschuldiging geen gehoor en de meisjes waren verplicht het verzoek der jonkvrouwen in te wilgen en binnen te treden.
Daar werd hun aandacht getrokken op de grote heer, uit wiens ogen een flikkerende klaarte straalde. Hij was gekleed in een soort grote tabbaard uit damast, die zijn hele lichaam bedekte, op zijn hoofd had hij een soort Turkse muts, met vooraan een klein spiegeltje en aan beide zijden diamanten en andere kostbare stenen. Met zijn vleiende taal wist de heer de drie meisjes zo vriendelijk te overhalen, dat zij een plaatsje aan zijn tafel aanvaardden om een brokje mee te eten.
Na het avondmaal deden de drie meisjes het verhaal van hun wedervaren en verzochten hun leidsman om hen weer bij hun ouders te brengen. Maar de grote heer richtte zich van zijn zetel op en sprak: “Lustige beminden. Nu Malegijspaardje ons het geluk heeft verschaft, die edele juffrouwen van Ieper op dit kasteel te ontvangen, mogen wij niets nalaten om hen deze avond op een aangename en vrolijke wijze te laten doorbrengen. Laten we pand spelen.”
En alsof al de hofjuffers het gedacht van hun heer raadden, hadden zij zich reeds in een ronde geschaard, nog eer hij de laatste woorden had uitgesproken. Zij lieten een plaatsje open voor de Ieperse meisjes, opdat dezen zich bij hen zouden voegen.
De oudste sprak: “Ik speel niet mede, want mijn ouders zouden ongerust zijn, zo ik mij langer ophield”. “Ik ook niet” zei de middelste. “Ik wil volstrekt vanavond thuis zijn” zegde de jongste die vreesde bekeven te worden.
Maar na die weigering kregen de ogen van de grote heer zulk een helse uitdrukking en zijn gelaatstrekken betrokken met zulk een wrede somberheid, dat zij zich weldra in de ronde zetten om zich aan de akelige begoocheling van dit gezicht te onttrekken. De drie meisjes meenden eerst dat hun weigering een onbetamelijkheid geweest was en beschuldigden zich reeds van de ongunstige verandering, die zij in de manieren van dit personage bemerkten.
Zo begon men dan pand te spelen. Als de beurt aan de drie meisjes kwam om de woorden na te zeggen, die de grote heer voorsprak, bleef ongelukkiglijk hun gewone behendigheid in het pandspelen in gebreke en zij waren door zijn gezicht zodanig onthutst, dat zij telkens misten en moesten pand geven. Dit duurde zolang dat de drie meisjes alles moesten afgeven, wat zij bij zich hadden: al hun goudwerk zoals oorringen, kettingen, ringen en armbanden, zelfs hun klederen raakten ze kwijt. De meisjes wachtten met benepen hart het einde van dit spel af.
“Nu ” zei de grote heer, “eer wij tot de uitdeling der panden overgaan, moeten wij eens op de gezondheid van het Malegijspaardje drinken, dat die juffrouwen zo wonderbaar op ons kasteel gebracht heeft.”
Op de uitspraak van die woorden, werden de ogen van al de hofdames helderder en schoten vlammetjes, die onze drie meisjes schier verblinden. De postknecht trad binnen, schonk de glazen vol en het schenkbord ging plechtig rond. Het scheen wel dat de lippen van de grote heer enige geheimzinnige woorden mompelden. Zijn Turkse muts stond nu veel hoger dan tevoren alsof er op zijn hoofd iets opgroeide, dat zich in de lucht verhief.
Men hief de glazen op en bracht ze aan de mond, maar toen de eerste druppel nat over de lippen der meisjes was gelopen, schenen zij ineens uit een droom te ontwaken en bevonden ze zich onder de blauwe hemel in het bedauwde gras, dat op de bodem van een grote diepte groeide. De tover was verdwenen.
De drie meisjes zaten in een put zonder te weten waar, halfnaakt, op een onbekende plaats in het midden van de nacht in een grote diepte, vanwaar men niets ontdekken kon van de sterren aan de hemel. Hun stomme verbaasdheid maakte weldra plaats voor een wederzijds beklag over hun jammerlijk lot. Eindelijk zochten zij een middel om uit die put te klimmen, dwaalden blootshoofds en voets enige stonden op de berg rond en ontwaarden een hut, waar zij hun stappen naar toe richtten.
Ze klopten aan de deur, de boer stond op en vroeg bars wat ze begeerden. De drie meisjes verhaalden hun ongeval en vroegen naar de naam der plaats, waar zij zich bevonden. “Op de kemmelberg” was het antwoord, “Op meer dan twee uren van de stad, en naar ik hoor, zijt gij in die bende toveressen geweest, die hier alle nachten op de berg een schromelijk gerucht maken. Over een uur zelfs ben ik nog opgestaan en heb mijn hoofd door het venster gestoken, maar ik heb niets gezien dan een groot licht, alhoewel ik gedurig hoorde spelen, zingen en dansen”.
De drie meisjes baden om klederen en hulp, maar de boerin die uit haar bed alles gehoord had, riep: “neen, klaas, helpt ze niet. Ik heb het gedacht dat die vrouwen welke zich zo naakt aan onze deur durven vertonen, wel drie toverheksen zouden kunnen zijn, die komen om ons te bedriegen en ons kind te betoveren, want ik hoor het al schreien, laat ons hen liever vastgrijpen en verbranden.”
“Ik geloof dat ge gelijk hebt vrouw” zei de man, “want het is onmogelijk dat drie Ieperse juffrouwen, dochters van treffelijke ouders, op de Kemmelberg komen.” En hij greep de oudste die zich het dichtst bij hem bevond, bij haar blauwe onderrok vast. De andere twee vluchtten en liepen de berg af. Het eerste meisje schreeuwde en worstelde met de moed der wanhoop, maar er bleef haar weinig kans om te ontsnappen over tot de haak van haar rok gelukkig lossprong. Zij liet haar rok in de handen van de boer en liep weg.
Na lang over onbekende wegen gedoold te hebben, kwamen die schamel geklede meisjes met de ogen vol tranen, beschaamde wangen en bonkend hart eindelijk aan een herberg en klopten daar ook aan. Zij durfden aan de waard, die voor hen moest opstaan, niet meer vertellen hoe zij in die ellendige staat gekomen waren, uit vrees niet beter dan de eerste maal behandeld te worden, daarom verzonnen zij een leugen. Zij deden de waard geloven, dat zij door struikrovers overvallen en uitgestroopt waren geweest.
Dit verhaal boezemde medelijden in. De drie meisjes werden binnen geleid en van kleren voorzien. Het werd helemaal goed toen de waard vroeg wie ze waren, want hij scheen de vader van de jongste te kennen. “Als dat zo is” zei de waard “ga ik mijn wagen inspannen en u direct naar huis brengen, want ze moeten daar zeker ongerust zijn.” “O doe dit, doe dit, brave man” spraken de drie meisjes tegelijk, “onze ouders zullen u rijkelijk voor die daad belonen”.
In minder dan een half uur tijd, stond de wagen met een koppel paarden ervoor gespannen, voor de deur van de herberg. De drie meisjes, met de kleren van de waardin gekleed, klauterden erop en men vertrok.
Ze waren reeds een uur verder gereden, toen de waard meende dat hij van de rechte baan afgeweken was. “Dat is zonderling” sprak hij “Ik ken de weg van Kemmel naar Ieper zo goed als mijn Vader-ons, en nochtans ben ik een verkeerde straat ingereden. “
De drie meisjes werden natuurlijk bevreesd want ze dachten aan het Malegijspaardje terug, dat hen ook zo had misleid. “Dat is wonder” sprak de waard, “ik kan mijn paarden niet bedwingen. Wij zijn hier nu in het midden van een weide en ik kan niet begrijpen hoe het mogelijk is, dat mijn paarden er de wagen doortrekken.” En de wagen ging al sneller voort en werd met kracht over dijken, door bossen, over akkers en beken getrokken. Een schim vloog gedurig voor de paarden heen. “Het is de schaduw van Malegijs” lispelden de drie meisjes.
Toen kwamen ze eindelijk aan een brede laan en de wagen stond stil. De paarden dampten van het zweet. De schim was verdwenen en de dageraad kwam op. “De toverheksen van de Kemmelberg zullen ons misleid hebben” sprak de waard die zo bleek geworden was als de dood, “maar hun rijk is ten einde, want ginder in het oosten wordt het morgen.”
Op dat ogenblik kwam er een boer voorbij, die naar het veld trok. “Vriendschap, op welke weg zijn wij hier?” vroeg de waard hem. “Op welke weg?” “Ja, ik moet het vragen, alhoewel het zeer belachelijk schijnt, want ik zou de weg van Kemmel naar Ieper blindelings vinden, zo goed weet ik hem, en nochtans beken ik mij hier niet.”
De landman glimlachte. “Ik geloof u waarachtig wel, mijn vriend, ge spreekt van Ieper en ge zijt er meer dan 10 uur van verwijderd. Ge bevindt u hier op de weg van Steenvoorde naar Kassel. Ziet ge de stad daar in de lucht niet uitblauwen?”.
“O hemel,” zuchtten de drie meisjes, “hoe konden wij toch zo onnozel zijn van ons op dit Malegijspaardje te zetten. Wie weet waar we zouden uitgekomen zijn, was het Malegijspaardje niet door het daglicht verrast geworden.” Met veel moeite bereikten ze die dag de stad Ieper. En ge ziet van hier hoe het er bij hun thuiskomst aan toeging.
Drie jaar later trouwden de oudste van de drie en de ongelukkige gebeurtenis, die haar en haar twee vriendinnen wedervaren hadden, werd op de wanden van de beste kamer geschilderd met de juiste dagtekening.
En om dit voorval te vereeuwigen, werd de plaats waar ze terechtgekomen waren, Kinderput genoemd.
(Bron: https://www.volksverhalen.be/Ieper_PaardjevanMalegijs)
Gedenkzuil Den Engel
Bergstraat, Kemmel.
Deze gedenkzuil wil vooral herinneren aan de vele Fransen die hier in april 1918 vochten tijdens de Slag om de Kemmelberg. Het beeld (in de volksmond ‘Den Engel’) symboliseert de Romeinse overwinningsgodin Victoria. Wat lager ligt het Franse massagraf.
Het monument werd onthuld op 18 september 1932. In 2008 werd het gedenkteken beschermd als monument. In 1970 vernietigde een blikseminslag de gelauwerde Franse helm boven op de zuil.
Na de ‘Slag om de Kemmelberg’ (april 1918) bleef een groot aantal Franse
gesneuvelden op het slagveld achter. Van de meer 5.000 gesneuvelde officieren,
onderofficieren en soldaten werden slechts 57 personen geïdentificeerd. Allen
werden ten ruste gelegd in dit massagraf.
Het kasteel is verdwenen: op kerstdag 1917 uitgebrand en tijdens het Duitse lenteoffensief van 1918 helemaal vernield en niet herbouwd. Er kwam wel een nieuw gebouw en het park ‘Domein De Chalet’ maakt nu deel uit van het provinciaal domein Kemmelberg.
In het park van het kasteel werden vanaf 1914 soldaten begraven. Het kerkhof werd ontworpen door architect Sir Edwin Lutyens en er liggen nu 1.030 Britten (waarvan 21 niet geïdentificeerd konden worden), 24 Australiërs (waaronder 1 niet geïdentificeerde), 80 Canadezen en 1 Nieuw-Zeelander uit de Eerste Wereldoorlog begraven.
Er rusten ook nog 21 Britten (waarvan 3 niet geïdentificeerde) en 1 Noord-Afrikaanse Franse soldaat uit de Tweede Wereldoorlog. Zij kwamen om tijdens de terugtrekking van het British Expeditionary Force naar Duinkerke in mei 1940.
Hier liggen 11 gesneuvelde tunnelgravers die op 10 juni 1916 omkwamen bij de explosie van een mijnschacht in Petit Bois in Wijtschate.
Soldaat Count Ove
Soldaat Krag-Juel-Vind-Frijs, Count Ove (graf K.59) is een Deense graaf die bij de Canadian Infantry dienst deed. Het opschrift “Nu lukker sig mit oje Gud fader i det hoje I varetaegt mig tag” betekent “Nu sluiten mijn ogen zich; God, Vader in de hoogte, zorg voor mij”.
Soldaat Renginald Wilson
Soldaat Renginald Wilson (graf F.71) is de jongste gesneuvelde op dit kerkhof, hij was slechts 15 jaar toen hij op 3 april 1915 sneuvelde.
Reginald was de jongste zoon van een klein gezin uit Exeter. Een eenvoudige student die samen met zijn beste kameraad, Frank Eke (zelf amper 16) op 17 februari 1915 de grote plas overstak. Frank zou anderhalve maand later al om het leven komen in de buurt van Loker, hij ligt begraven Hij ligt begraven op Loker Churchyard. Enkele dagen nadat hij zijn vriend had verloren, werd ook Reginald dodelijk getroffen door rondvliegende granaatscherven in een van de loopgraven rond Kemmel.
Waar de jongste soldaat uit WO I begraven ligt, kan niemand met zekerheid zeggen. Velen wijzen naar Valentine Joe Strudwick, die voor eeuwig rust langs het Kanaal op Essex Farm Cemetery en die dagelijks door honderden toeristen wordt begroet. Op het graf van Reginald Wilson in Kemmel liggen echter zelden bloemen, hoewel hij even jong was als zijn lotgenoot. In de Westhoek liggen 21 jongens begraven, waarvan wordt aangenomen dat ze niet ouder dan 15 jaar waren toen ze omkwamen.
Er liggen ook twee gefusilleerde Britse militairen: Smith James (graf M.25) en Stewart Stanley (graf G.66).
Hij was de enige Liverpool Pal die tijdens de eerste Wereldoorlog geëxecuteerd werd (een Pals battalion was samengesteld uit vrijwilligers van eenzelfde stad, aan wie bij de rekrutering beloofd werd dat ze samen met hun vrienden, buren en collega’s zouden dienen).
Omdat Jimmy deserteerde, werd zijn naam niet opgenomen in de Roll of Honour van zijn stad Bolton. Bill Miles (die een boek schreef over de geschiedenis van de Liverpool Pals) en Charles Sandbach (een journalist en afstammeling van Jimmy) voerden een succesvolle campagne om Jimmy toe te voegen aan die ererol.
De lokale MP, Brian Iddon, steunde de campagne en bracht de kwestie onder de aandacht van het House of Commons op 3 maart 2009 met het verhaal van Jimmy’s militaire dienst. Hij vocht onder meer in Gallipoli (1915) en aan de Somme (1916) alvorens eind 1917, bij aanvang van de Slag bij Passendale, met shell shock te deserteren.
MR SPEAKER:
James Smith enlisted into the 1st Battalion, Lancashire Fusiliers, in 1910, just before his 19th birthday, to escape the grinding poverty that he found himself in at the time.
Private James Smith trained in Egypt, then served in Karachi, India, before being recalled when World War I was declared.
Amongst his many horrific experiences of that war was the Lancashire Landing on ‘W-beach’ at Gallipoli, on the morning of 25 April 1915, when his Battalion stormed a cliff bristling with Turkish machine guns. No fewer than six of his comrades won Victoria Crosses before breakfast, still an all-time record for such awards. Half the Battalion were lost.
After enduring the rest of that nightmare campaign, Private James Smith was evacuated in 1916 to France, where he joined volunteers in the 15th Battalion, Lancashire Fusiliers, known as the Salford Pals. With one Good Conduct Badge at that time, he was soon in the thick of action again and gained a second Good Conduct Badge.
Such were the losses on the Somme that infantrymen were regularly transferred from regiment to regiment, and Jimmy was transferred to the 17th Battalion Kings Liverpool Regiment, known as the 1st Liverpool Pals, with the rank of Lance Corporal. He almost lost his life in France on the Somme when, on 11 October 1916, a massive German artillery shell buried him alive on the Transloy Ridge, and shrapnel created a large deep wound on his right shoulder. He was rescued and taken home to Townleys Hospital in Bolton in a very poor mental and physical state from which he never recovered.
The shocks and horrors of the battles that he had seen had damaged him to such an extent that he was clearly unfit for further service, and those who served with him were well aware of his condition. Today, we would recognise that he was suffering from serious post-traumatic stress disorder. No such condition was recognised in the Great War. It was believed that soldiers could overcome shell shock.
Just ten days after he returned to the front line, and clearly under a great deal of stress, he volunteered to give up his stripe and became 52929 Private James Smith. Six days later he left his post without orders.
On 29 December 1916, Jimmy found himself before a Field General Court Martial for a breach of military discipline. He was ordered to do 90 days Field Punishment No. 1 and lost one of his Good Conduct Badges.
On 15 July 1917, just before the battle of Passchendaele in the Ypres Salient, he found himself before a Field General Court Martial for a second time for going absent without leave. He was now 26 years-old. We believe that the Court recognised that Private James Smith was in no fit condition to fight. They spared him the death sentence on this occasion and ordered him to do 90 days Field Punishment No. 1 again, with the loss of his second Good Conduct Badge. Unfortunately, the army did not allow him to complete this sentence. The 17th Battalion, Kings Liverpool Regiment, found itself at Pilckem Ridge, North of the famous town of Ypres. Jimmy Smith by this time was so unwell that he couldn’t function properly at the front, and his comrades could see it. They tried to ensure that he was given light duties out of the trenches but to no avail.
On 30 July 1917, on the eve of the battle of Pilckem Ridge, Jimmy had a breakdown and deserted his post without orders again. He was seen at 11.00 p.m. five miles from the front wandering about in the town of Poperinghe, where he was arrested. A doctor at a dressing station declared him fit for duty and Jimmy was charged with desertion.
While detained in the military cells at Poperinghe Town Hall Jimmy was ordered to undertake a two hour drill. Jimmy refused to march and was also charged with disobedience. This was the beginning of the end for Private James Smith. The plain fact is that he should not have been in action at that time.
On 22 August 1917, Jimmy found himself before a Field General Court Martial for the third time in seven months. Major Watson, Lieutenant Pierce and Lieutenant Collins came to a unanimous verdict of guilty on both charges. At his trial he was unrepresented, no defence witnesses were called and he never spoke a word. Jimmy accepted his fate without fear as he was sentenced to death.
The Court was aware of his medical history and they could have decided to transfer him to the Labour Corps. But no, instead they decided to make an example of an experienced regular soldier, clearly suffering from shell shock and the horrors that he had experienced in several battles. The Brigadier confirmed sentence on 22 August, the Divisional Commander on 28 August and the Commander in Chief, Field Marshall Hague, on 2 September 1917.
Early on the morning of 5 September 1917 a small patrol of soldiers from his own unit entered a barn at Kemmel Chateau in Belgium to clean their weapons prior to re-engagement. They were told that, first, they had a special duty to perform and were taken outside into a courtyard, where they found their friend Jimmy Smith blindfolded and tied to an execution chair in front of a wall, with a white target pinned to his tunic just above his heart. Protesting furiously to the commanding officer the twelve-man firing squad – eleven Privates and an NCO – was summarily ordered to execute Jimmy. The lads aimed and fired, the majority deliberately missing their target. However, Jimmy was wounded, the chair was knocked over and he lay writhing on the ground in agony.
The young officer in charge of the firing squad was shaking like a leaf but he knew that he now had to finish Jimmy off by putting a bullet through his brain with his Webley pistol. He lost his nerve and couldn’t fire the pistol in his hand as Jimmy continued to writhe in agony on the ground.
One of Jimmy’s friends, 23643 Private Richard Blundell, who hailed from Everton, Liverpool, was then ordered by the commanding officer to take the Webley pistol and kill Jimmy. Jimmy’s death was recorded on that day at 5.51 a.m. The twelve members of the firing squad were all given ten days leave after this tragic event. Richard Blundell died in Liverpool seventy years later, in February 1989 in Southport, when he was well into his nineties. As he was falling in and out of consciousness, his son William heard him utter the words “what a way to get leave”.
Eventually, the story I have told about Jimmy’s execution emerged, and Richard Blundell’s final request to his son was to ask him to seek forgiveness from Jimmy Smith’s family for what he had done. His action on that morning in September 1917 had clearly been on his mind all that time. That was the first time that Blundell’s family can recall him speaking of his experiences at the front. The author of a book on the Liverpool Pals had tried unsuccessfully to interview him about his experiences in the Great War. ‘Dickie’ Blundell had also faced a lifetime sentence, perhaps worse than the fate of Private James Smith? We will never know.
During, and for a long time after, the Great War of 1914-1918 shame hung over the families of soldiers like those of Private James Smith, and their names were not added to those of their comrades on our War Memorials or Rolls of Honour, or written into our Books of Remembrance. Mrs Freda Hargreaves has told me, however, that their family felt no shame and that they proudly hung a photograph of Jimmy over their mantelpiece for many years after World War I.
After a long campaign, this Labour Government pardoned those soldiers shot at dawn, like Private James Smith was, in 1917. An amendment to the Armed Forces Bill was introduced in the Autumn of 2006 to pardon 306 soldiers, and the Act received Royal Assent on 8 November 2006. However, Private James Smith’s name has still not been added to the Book of Remembrance in Bolton Town Hall, and I hope that my Honourable Friend believes that it now should be.
I believe that Jimmy Smith was the only soldier from Bolton to meet this fate in the Great War of 1914-1918. At least today we have recognised him for what he obviously was – not a coward, but an extremely brave soldier who was made seriously ill by his experiences of the horrors of war.
Private James Smith is buried in the Military Cemetery at Kemmel Chateau in Belgium in grave M.25. On the grave are the words ‘Gone but not forgotten’. May he rest in peace. Hopefully, we will always remember him and his bravery. In a different way, he also paid the ultimate price for the rest of us. His life was laid down for our freedom.
Private James Smith werd ook het onderwerp van het toneelstuk “Early One Morning”, geschreven door Les Smith en opgevoerd in Bolton in 1998, ter nagedachtenis van de 80ste verjaardag van de wapenstilstand.
A ceremony was held at Bolton Town Hall on Saturday 27 June (the first National Armed Forces Day) to reveal Private Jimmy Smith’s name in the Book of Remembrance, which is kept in the porch of the ceremonial entrance to the Town Hall.
Op 27 juni 2009 werd Jimmy Smith’s naam toegevoegd aan de Roll of Honour van zijn stad Bolton.
In 2007 kregen alle 306 Britse militairen die in de Eerste Wereldoorlog wegens desertie of lafheid gefusilleerd werden, eerherstel. In Alrewas, Staffordshire staat het The Shot at Dawn Memorial om hun nagedachtenis te eren.
De oorspronkeljke grot werd gebouwd door M. Tatoux, rocailleur à Lille en was gelegen in het park van het kasteel.
De grot was een belangrijk bedevaartsoord maar werd tijdens de Eerste Wereldoorlog volledig verwoest, net als het kasteel.
Het kasteel werd niet herbouwd, er kwam wel een nieuwe grot.
Begraafplaats Kemmel
Nieuwstraat 46, 8956 Heuvelland, aansluitend bij het Kemmel Chateau Military Cemetery en het Domein De Chalet.
Een wandel- en contemplatief begraafpark. De uitbreiding die dateert van 2018 is een bezoekje waard. Het ontwerp is sober, met veel aandacht voor duurzaamheid. In 2022 koos de Vlaamse Vereniging voor Openbaar Groen verkozen dit tot de beste Vlaamse begraafplaats.
Het terrein werd onderverdeeld in een aantal kamers langs de helling. De beplanting refereert aan de naburige Britse begraafplaats en varieert in hoogte.
Bomen zoals Quercus robur, Quercus palustris, Tilia tomentosa ‘Brabant’ en Acer campestre hebben een meer streekeigen, landschappelijk karakter.
Bomen zoals Gleditsia triacanthos ‘Skyline’, Prunus hybr. ‘The Bride’ en Heptacodium miconioides hebben eerder een symbolische achtergrond. De bomen bevinden zich tussen de hagen van Fagus sylvatica, Carpinus betulus, Taxus baccata en Buxus sempervirens, die de begraafplaats indelen en omkaderen.
Tussenin vinden we losse groenblijvende Ilex-, Taxus- of Buxusmassieven die het eeuwige leven symboliseren.
De verharding bestaat uit ter plaatse gegoten beton, zoals eveneens te zien is bij vele opritten van boerderijen.
Beneden is er een afscheidsruimte die uitgeeft op een waterpartij. Het betonnen afscheidsgebouw herinnert aan de vele betonnen bunkergebouwen die eigen zijn aan de streek. Binnenin is het beschilderd met de kleur van de streekeigen rode en gele huizen- en boerderijdaken en –muren. Met de weerspiegeling van het wolkendek in het betonnen waterbassin en de lagergelegen natuurlijke vijver, is deze meditatieruimte uitgewerkt als een stilteplek. Er naast ruist zacht de populierendreef.
Obelisk voor de 32ste Franse divisie
Kriekstraat, Kemmel.
Een kleine obelisk herinnert aan de 32ste Franse divisie. De obelisk
staat op een betonnen platform dat afgezet is met betonnen paaltjes. Op de
voorkant van de obelisk hangt een witmarmeren reliëf met druiventros.
Amerikaanse gedenksteen voor de 27th en 30th division
Kemmelstraat, Kemmel.
Een zware rechthoekige blok op een breed rechthoekig platform herinnert
aan de 27ste en 30ste Amerikaanse divisies. Deze divisies van de National Guard
vertrokken in mei 1918 naar Frankrijk waar ze de volledige periode van hun dienst
overzee aan het Britse leger toegevoegd werden. De 27th division vocht in
België aan het oostelijke deel van de lijn rond Poperinge en in de sector rond
‘Dickebusch’. De 30th Division diende in de Canal sector, de Gouy-Norroy
sector, the Beaurevoir en Le Cateau sectors, en hielp bij het doorbreken van de
Hindenburglijn.
Bardenbrug genoemd op vooroorlogse kaarten langs de weg Vierstraat –
Hallebast.
Betonnen brug uit de Eerste Wereldoorlog, in september – oktober 1918 in
twee fases opgetrokken door de Britse genie, bedoeld als tankbrug, als
voorbereiding op het geallieerde Bevrijdingsoffensief, dat op 28 september 1918
van start zou gaan.
Een bewaarde brug, die tijdens de Eerste Wereldoorlog werd opgetrokken
voor tanks, is uitermate zeldzaam.
De geallieerden hadden tevergeefs getracht om de Duitse frontlijn, de
zogenaamde Vierstraete Ridge te veroveren, tegen een hoge tol aan menselijke
slachtoffers. De omgeving van de brug werd zwaar door de Duitse artillerie
beschoten. De 245th (Guernsey) Army Troop Company werkte tijdens deze dagen,
ondanks deze artilleriebeschietingen, ononderbroken in drie shiften aan de
brug. Twee mannen werden tijdens de bouw van deze brug getroffen door een
gasaanval.
Eens de regio bevrijd was, meer bepaald vanaf 11 oktober 1918, werd door
dezelfde genie-eenheid een tweede keer aan de brug gewerkt en werden steunberen
en borstweringen toegevoegd. In deze fase werden inscripties nagelaten, die
verwijzen naar de bouwers.
Ontcijferde inscripties “245th (Guernsey) Army Troop Company Royal
Engineers 7 August 1918”.
Vreemd genoeg werd op de brug “7 augustus 1918” aangebracht, dit terwijl
de eerste fase van de bouw van de brug volgens het oorlogsdagboek afgerond was
op 7 september 1918 -het lijkt er op dat er een vergissing is gebeurd bij het
aanbrengen van de datum.
De brug is voor een groot deel opgetrokken met Britse geprefabriceerde
betonstenen. Het betreft meer bepaald Britse betonstenen, die in de zomer van
1918 in een werkplaats in Arques bij Saint-Omer (Frankrijk) werden vervaardigd
ten behoeve van het Britse 2nd Army. Deze betonstenen, vaak in combinatie met
geprefabriceerde betonnen balken, werden voornamelijk gebruikt voor de Britse
bunkerbouw. De betonstenen en balken waren voorzien van ronde openingen, waarin
staven konden geplaatst worden om de stenen en balken te verankeren. De gleuven
aan boven- en onderzijde maakten het horizontaal plaatsen van ijzers tussen de
rijen mogelijk.
Lindenhoek Chalet Military Cemetery, Gremmerslinde
Suffolk Cemetery, Kriekstraat
Kemmel Churchyard, St.-Laurentiusplein
Wij gebruiken enkele cookies
Om de beste ervaringen te bieden, gebruiken wij technologieën zoals cookies om informatie over je apparaat op te slaan en/of te raadplegen. Door in te stemmen met deze technologieën kunnen wij gegevens zoals surfgedrag of unieke ID's op deze site verwerken. Als je geen toestemming geeft of uw toestemming intrekt, kan dit een nadelige invloed hebben op bepaalde functies en mogelijkheden.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door je Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.